Posts tonen met het label LId. Alle posts tonen
Posts tonen met het label LId. Alle posts tonen

zaterdag 14 juni 2025

De heiligverklaring van Liduina op 14 maart1890 na eeuwenlange verering na haar dood(1433) in de volksmond


Al tijdens haar leven trok Liduina veel vereerders aan en beschouwde men haar als heilig. Dat ging door na haar dood op 14 april 1433

Het duurde nog tot het eind van de 19e eeuw voordat de reeds vele eeuwen bestaande heiligheid van Liduina werd erkend. Dat gebeurde op 14 maart 1890 door paus Leo XIII, de zogenaamde 'Confirmatio Cultus'. 

Vanaf dat moment mocht Liduina ook officieel als heilige worden vereerd

Het is gebruikelijk om de feestdag van een heilige te vieren op diens sterfdag want dat is zijn of haar geboortedag in de hemel. 14 april valt echter heel vaak in de Goede Week of in de week na Pasen en dan kunnen er geen gedachtenissen van heiligen worden gevierd. Het feest van de H. Liduina werd daarom in 1974 verplaatst naar 14 juni op de Romeinse Kalender, de datum waarop haar relieken vanuit België weer naar Nederland teruggebracht werden (tijdens de Reformatie was heiligen-verering verboden en werden de relieken van Liduina in 1615 heimelijk naar de Zuidelijke Nederlanden, nu België, overgebracht).

Lange tijd werd door de parochie in Schiedam het Liduinafeest gevierd op de tweede zondag na Pasen. In de loop der jaren is de datum waarop het feest in de Liduinabasiliek gevierd werd, diverse malen gewijzigd. In 2025 is het feest en de processie op zondag 5 oktober. Het streven is om dit in 2026 op de zondag tussen Hemelvaart en Pinksteren te organiseren.

Liduina is de patrones van de zieken en beschermheilige van de stad Schiedam en van de Basiliek in Schiedam die naar haar is genoemd,

Vindplaats: Liduinabasiliek.nl 

Liturgia Horarum H. Lidwina "Wanneer in mijn hart de zorgen mij drukken, dan beurt uw vertroosting mij op"

Uit het leven van de maagd Lidwina door Thomas van Kempen († 1471)

Tijdens haar langdurig lijden ontving zij in rijke mate goddelijke vertroosting.

‘Wanneer in mijn hart de zorgen mij drukken, dan beurt uw vertroosting mij op’ (Ps. 94 (93), 19). Deze uitspraak van de heilige Schrift is op ondubbelzinnige wijze letterlijk door God vervuld in deze heilige maagd, in Lidewiges (Lidwina), die Hij eerst met allerlei lichamelijk en geestelijk lijden overstelpte om haar te louteren, maar die Hij later te midden van haar vele pijnen en kwalen bezocht om haar telkens weer te vertroosten en te verblijden.
Toen er ongeveer drie of vier jaren voorbij waren sinds het begin van haar ziekte, was zij nog ongeduldig onder Gods kastijding en nog niet uit eigen beweging onderworpen aan God, door wie toch niets op aarde zonder reden geschiedt. Wanneer zij haar vriendinnen die haar kwamen bezoeken, gezond en vrolijk zag, terwijl zij zelf zwaar ziek was, verlangde zij er meer naar samen met de anderen gezond te zijn van lijf en leden, dan innerlijk gelukkig te zijn door de deugd van geduld. En omdat zij nog geen smaak had in het geestelijke en niet wist wat God het meest behaagde, klaagde zij soms en treurde zij vaak over haar lijden. Dan weende zij zulke bittere tranen dat zij door niemand getroost wilde worden.
Toen nu haar biechtvader, de heer Johannes Pot, die gewoon was haar tweemaal per jaar de heilige communie te brengen, haar kwam bezoeken, trachtte hij met zijn troostende woorden haar te bewegen voortaan haar tranen te bedwingen en haar droefheid te matigen. Daarom gaf hij haar de goede raad zich welbewust aan Gods wil over te geven en zich toe te leggen op de overweging van het lijden des Heren, en hij verzekerde haar dat zij hierdoor gemakkelijk goede troost zou ontvangen. Zij vroeg de priester dus hoe zij deze vrome oefening moest verrichten en leerde van hem een methode voor deze heilzame overweging. Maar toen zij er niet onmiddellijk baat bij vond - want zij proefde niet terstond honing uit de rots of wonderbaar brood - voelde zij tegenzin opkomen en wierp zij als bittere alsem weg, wat zij in haar hart had opgenomen maar wat nog niet diep was geworteld.
Toen evenwel deze priester er sterker op aandrong en haar krachtiger aanspoorde zich geweld aan te doen om door te gaan met wat zij begonnen was en haar tegenzin te overwinnen, liet zij zich door die goede raadgevingen leiden en gaf zij gewillig gehoor aan hetgeen haar biechtvader haar zei. Nadat zij zich tenslotte met grote inspanning de goede gewoonte had eigen gemaakt over God te mediteren, schonk dit haar na verloop van tijd zoveel troost dat zij gaarne verklaarde zich volmaakt te willen verloochenen. Want als zij door het bidden van één Weesgegroet haar algehele genezing zou kunnen verkrijgen, zou zij dit toch niet doen of wensen.
Ongetwijfeld was deze verandering te danken aan de Allerhoogste zelf die zijn hand naar de behoeftige uitstak en haar, tijdens haar langdurig lijden, ’s nachts vertroostte op haar ziekbed. Want aangetrokken en verlokt door de verborgen zoetheid van ’s Heren lijden, overwoog zij dag en nacht op gezette tijden het lijdensverhaal in zeven gedeelten, overeenkomstig het getal van de kerkelijke getijden. Hierin vond zij het verborgen manna, en zij werd met vreugde over zoveel zoetheid vervuld. En het was alsof niet zijzelf, maar Christus - wiens lijden zij overwoog - verdroeg wat zij tot dan toe zelf had geleden. Toen kon zij, door de Geest onderwezen, uit eigen ervaring met de profeet Jesaja zeggen: ‘Waarlijk, Gij zijt een verborgen God’ (Jes. 45, 15) en luide zijn woorden herhalen: ‘Iedere nacht verlang ik naar U; ik hunker naar U met heel mijn ziel. Voor U waak ik vanaf de vroege morgen’ (Jes. 26, 9).

H. Liduina van Schiedam, maagd en mystica H. Liduina en de H. Eucharistie'

14 juni 2017
Feest van de H. Liduina van Schiedam, maagd en mystica
H. Liduina en de H. Eucharistie'
 Schilderij uit de reeks van Jan Dunselman (ca. 1890) in de Schiedamse basiliek van de
H. Liduina en O.L. Vrouw van de Rozenkrans,
voorstellende een van Liduina's eucharistisch visioenen.

 “Er waren er, die van haar ziekbed stil en in zichzelf gekeerd weggingen. Zij dachten na over het mysterie van lijden en kwaad. Zij begonnen iets te zien van de rampspoeden, waarmee de Kerk geteisterd werd en getuigden: “Hier is de vinger Gods”.
Er waren er ook die zich niet ontzagen haar ruw en hard en ongevoelig tegen te spreken en, hetzij in haar gezicht, hetzij achter haar rug te mompelen: : Gij zijt een kleine slimme bedriegster, doch wij laten ons niet beetnemen. Beken het maar: gij eet in het geheim. Wilt gij ons wijsmaken, dat gij zonder voedsel leeft?”
Anderen, minder harteloos, spraken vergoelijkend: “Neen, een bedriegster is zij niet. Zij is geestelijk ziek; ze misleidt zichzelf. Haar ouders, die eenvoudige mensen, hebben dat niet door. Zij maakt zich wat wijs, zij beeldt zich wonderen en visioenen in”.
Maar met haar klaar en nuchter verstand doorzag zij de mensen.
“Waarom zou ik niet eten?” vroeg zij hun. “Eten is toch geen zonde en voor zover ik weet, is niet-eten geen heldendaad”.
“Dus gij eet niet? Goed, wij geloven U. Gij eet niet, lijdt vreselijke pijnen, slaapt niet en gij blijft leven! Dan zijt gij door de duivel bezeten. Roep een priester. Vraag hem, dat hij de duivel in u bezweert”.
Slechts weinigen gaven zich voor het wonder gewonnen en erkenden, dat een slachtoffer voor
de zonden van de wereld door de bovennatuurlijke kracht Gods op wonderbare wijze leed, om de zonden van de mensen te boeten en Gods barmhartigheid af te smeken.

Het geheim van de Konings [Christus] mocht zij niet bekend maken. Zij moest het bewaren in haar hart. Doch het behaagde de Koning zelf het geheim te openbaren op Zijn tijd.
Het stadsbestuur stelde een onderzoek in en liet Liduina maandenlang bewaken. In een officiële oorkonde, met het stadszegel gemerkt, deed het mededeling van zijn bevindingen. Dit stuk bevestigt, dat Liduina, die niet at en niet sliep, in een rottend lichaam een aangename geur verspreidde.”

Uit: J.B.W.M. Möller, pr.
Sint Liduina van Schiedam in de mystiek en in haar tijd( ’s Gravenhage, 1948)
Gebaseerd op o.a. de hagiografie van de H. Liduina van Schiedam door Jan Brugman OFM [ca 1400-Nijmegen, 1473].




Het boek van Johannes Brugman, in 1498 gedrukt te Schiedam