Eerste lezing (Jes. 2,1-5)
Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem. Op het einde der dagen zal de berg waarop de tempel van de Heer staat, oprijzen boven alle bergen en uitsteken boven alle heuvels. Alle volkeren zullen erheen stromen en talloze naties erheen trekken. Zij zullen zeggen: “Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion komt de Wet, het Woord van de Heer uit Jeruzalem. Oordelen zal Hij de volkeren, rechtspreken over de talloze naties. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, en niemand zal nog leren oorlog voeren. Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.”
Tweede lezing (Rom 13,11-14)
Broeders en zusters, gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.
Evangelie (Mt. 24,37-44)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals de mensen in de dagen vóór de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging, en zij niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten: twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.”
Posts tonen met het label Hebdomada I Adventus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada I Adventus. Alle posts tonen
zaterdag 29 november 2025
zaterdag 30 november 2024
donderdag 2 december 2021
Lectio divina linqua latina Liturgia Horarum Feria VI Hebdomadæ I Adventus Ad Officium lectionis Desiderium contemplandi Deum. Het verlangen naar de Godsaanschouwing.
Lectio
altera
E libro «Proslógion» sancti Ansélmi epíscopi
(Cap. 1: Opera
omnia, Edit. Schmitt, Seccovii, 1938, 1, 97-100)
Doce me quærere te, et osténde te
quærénti; quia nec quærere te possum, nisi tu dóceas, nec inveníre, nisi te
osténdas. Quæram te desiderándo, desíderem quæréndo, invéniam amando, amem
inveniendo.
Tweede lezing
Uit het ‘Proslogion’ van de H. Anselmus, bisschop
Het verlangen naar de Godsaanschouwing
Welaan, klein
mensenkind, trek u voor een korte tijd eens uit uw bezigheden terug, neem wat
afstand van uw woelige gedachten. Werp uw lastige zorgen eens van u af en laat
uw moeizame bezigheden een tijdje staan.
Treed in de
binnenkamer van uw geest. Sluit alles buiten, behalve God en wat u kan helpen
Hem te vinden. Sluit uw deur en tracht Hem te vinden. Zeg nu, heel mijn hart,
zeg nu tot God: Ik zoek uw aangezicht, uw
aangezicht, Heer, verlang ik te zien.
Welaan dan,
Heer, mijn God, leer mijn hart wáár en hóe het U moet zoeken, wáár en hóe het U
kan vinden Heer; als Gij niet hier zijt, waar moet ik U zoeken in uw
afwezigheid? Maar als Gij overal zijt,
waarom zie ik U dan niet aanwezig? Ongetwijfeld bewoont Gij een ontoegankelijk
licht. Maar waar is dat ontoegankelijke
licht, of hoe kan ik dat benaderen? Of wie voert mij erheen en geeft mij daar
toegang, om U in dat licht te zien? En dan, onder welke tekenen, onder welk
uiterlijk moet ik U zoeken? Ik heb U nooit gezien, Heer, mijn God, ik ken uw gelaat niet.
Heer, Gij zijt
mijn God en Gij zijt mijn heer, maar ik heb U nooit gezien. Gij hebt mij
gemaakt en hervormd en mij alle goeds geschonken en nog ken ik U niet.
Tenslotte ben ik geschapen om U te zien, maar ik heb nog niet bereikt waarvoor
ik geschapen ben.
Maar, o Heer,
hoelang nog? Tot hoelang, Heer, zult Gij ons vergeten, tot hoelang uw gelaat
van ons afwenden? Wanneer zult Ge op ons neerzien en ons verhoren? Wanneer zult
Ge onze ogen verlichten en ons uw gelaat tonen? Wanneer zult Ge U weer aan ons terugschenken?
Zie op ons
neer, Heer, verhoor ons, verlicht ons, toon U aan ons. Geef U aan ons terug tot
ons geluk, want zonder dit is het zo slecht gesteld met ons. Heb medelijden met
onze moeiten en inspanningen om tot U te komen, wij, die niets kunnen zonder U.
Leer mij U te zoeken en toon U aan de zoekenden, want noch kan ik U zoeken
als Gij mij niet onderricht, noch U vinden als Gij U niet aan mij vertoont.
Moge ik U zoeken door naar U te verlangen. Moge ik naar U verlangen door U te
zoeken. Moge ik U vinden door U te beminnen. Moge ik U beminnend door U te
vinden.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria V Hebdomadæ I Adventus Gratia verborum tuorum plebem demulceas.
S. Ambrosii, episcopi et ecclesiæ doctoris, memoria
Ad Officium lectionis
S. AMBROSII,
EPISCOPI ET ECCLESIÆ DOCTORIS
Memoria
Natus Treviris circa annum 340 e familia romana, studiis Romæ incubuit et
Sirmii cursum honorum cœpit. Anno 374, dum Mediolani degebat, extemplo
episcopus civitatis electus, die 7 decembris ordinatus est. Munere adamussim
fungens, caritatem maxime exercuit in omnes, verus pastor et doctor fidelium
factus. Iura Ecclesiæ strenue tutatus est; rectæ fidei doctrinam, scriptis et
opere contra Arianos defendit. Mortuus est sabbato sancto die 4 aprilis anni
397.
Lectio
altera
Ex
Epístolis sancti Ambrósii epíscopi
(Epist. 2, 1-2.
4-5. 7: PL 16 [edit. 1845], 847-881)
Tweede lezing
Gij hebt het ambt van het priesterschap op
u genomen, en in de Kerk op de achtersteven zittend, moet ge het schip tegen de
golven in besturen. Houd het roer van het geloof goed vast opdat de zware stormen
van deze wereld u niet in verwarring kunnen brengen. Want de zee is groot en
wijd, maar wil niet vrezen. Immers, Hij
heeft haar op de zeeën gegrondvest en op de watervloeden bevestigd.
Temidden van zoveel wereldzeeën, blijft de
Kerk van de Heer niet ten onrechte onbeweeglijk staan, omdat zij is gebouwd op
de apostolische rots, en op een onbewogen fundament stand blijft houden
tegenover de aanvallen van een onstuimige zee. Door de golven wordt ze
gereinigd, niet geschokt, en hoewel de elementen van deze wereld, die tegen
haar aanbeuken, dikwijls met groot gekraak worden teruggeslagen, heeft zij toch
een allerveiligste haven van redding, om hen, die in gevaar verkeren, op te
nemen. Maar hoewel ze op de zee dobbert, vaart ze over de stromen, en kijk
toch, ze gaat meer over de stromen, waarvan gezegd is: De stromen verheffen hun stem. Want het zijn de stromen, die uit zijn
binnenste vloeien, die zijn drank van Christus heeft ontvangen en van de Geest
Gods heeft opgenomen. Wanneer deze stromen overlopen van geestelijke genade,
verheffen zijn hun stem.
Ook bestaat er een rivier, die in haar
heiligen binnendringt als een bergstroom. En het is het geweld van de stroom,
dat de vreedzame en rustige ziel verblijdt. Al wie uit de volheid van deze
stroom heeft ontvangen, zoals Johannes de Evangelist, zoals Petrus en Paulus
verheft zijn stem. En zoals de Apostelen hun stem van de Evangelie-prediking
luid lieten weerklinken naar alle streken van de wereld, zo zal ook hij de Heer
Jezus beginnen te prediken.
Ontvang dan het water van Christus, opdat
ook uw woord moge uitgaan. Vergaar dat water van Christus, dat lof brengt aan
God. Vergaar dat water uit al die plaatsen, waar de profetische wolken het
hebben doen neerregenen.
Al wie water vergaart van de bergen en tot
zich leidt of put uit de bronnen, kan
het zelf ook doen regenen als een wolk. Vul daarom de schoot van uw geest om uw
aarde te bevochtigen en te besproeien met uw eigen bronnen.
Dus wie veel leest en begrijpt, wordt
vervuld; wie vervuld is, besproeit anderen. En daarom zegt de Schrift: Als de
wolken gevuld zijn, storten zij hun regen uit op aarde.
Laten uw preken goed vloeiend zijn, zuiver
en helder, opdat ze bij een zedekundige uiteenzetting aangenaam in de oren
klinken en ze door de mooie woordkeus het volk aangrijpen opdat het vrijwillig
volgt, waarheen gij het voert.
Uw
toespraken moeten vol verstandelijk inzicht zijn. Vandaar dat Salomon zegt: De lippen van de wijze zijn wapens van het
verstand. En elders: Uw lippen zijn
gebonden aan het begrip, dit is: het houden van een preek moet licht geven,
het verstandelijk inzicht erin uitstralen; uw toespraak of uw verhandeling moet
geen verdere verklaring nodig hebben, maar uw preek moet als door zijn eigen
wapen beschermd worden en geen enkel woord mag ijdel blijven en zonder zin.
dinsdag 30 november 2021
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria IV Hebdomadæ I Adventus Ad Officium lectionis Veniet in nos Verbum Dei Het Woord Gods zal onder ons komen.
Lectio
altera
Ex Sermónibus sancti Bernárdi abbátis
(Sermo 5 in Adventu Domini, 1-3: Opera omnia,
Edit. cisterc. 4 [1966], 188-190)
Tweede lezing
Uit
de Preken van de H.Bernardus
Het
Woord Gods zal onder ons komen
Wij kennen een drievoudige
komst van de Heer. De derde komst nu is de middelste van deze drie. De eerste
en de laatste zijn duidelijk waarneembaar, maar niet de tweede. Bij de eerste
komst namelijk is Hij op aarde gezien en ging Hij om met de mensen, toen, zoals
Hijzelf zegt, zij én zijn werken hebben gezien én Hem hebben gehaat. Bij de
laatste komst echter zal alle vlees Gods heil aanschouwen, en zullen zij
opzien naar Hem die zij doorstaken. De middelste komst is in verborgenheid,
waarbij alleen de uitverkorenen Hem in zichzelf zien en waardoor hun zielen
zalig worden. Bij zijn eerste komst dan kwam Hij in het vlees en in zwakheid,
bij deze middelste in geest en kracht, bij de laatste komt Hij in glorie en
majesteit.
Die middelste komst nu is
een bepaalde weg langs welke men van de eerste tot de laatste komt: bij de
eerste was Christus onze verlossing, bij de laatste zal Hij als ons leven
verschijnen, in deze middelste is Hij onze rust en onze troost.
Maar om te voorkomen, dat
iemand het voor een eigen uitvindsel houdt, wat wij over deze middelste komst
zeggen, moeten wij Hemzelf horen: Als iemand Mij bemint, zegt Hij, zal
hij mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem beminnen en Wij zullen tot
hem komen. Want elders heb ik gelezen: Die God bemint, zal het goede
doen; maar ik denk, dat er nog iets meer wordt gezegd over die bemint,
omdat hij de woorden onderhoudt. Waar moeten die dan onderhouden worden? Zonder
twijfel in het hart, zoals de Profeet zegt: Ik heb uw uitspraken in mijn
hart verborgen, om niet tegen U te zondigen.
Bewaar op deze wijze Gods
woord: Want zalig zij, die dat bewaren. Verberg het dus in het binnenste
van uw ziel; het moet daar overgaan in uw genegenheden en uw gedrag. Eet het
goede en laat uw ziel zich vermeien in die overvloed. Vergeet niet uw brood te
eten, laat uw hart niet verdorren, maar moge uw ziel van het vette voedsel
worden vervuld.
Als ge zo Gods woord
bewaart, wordt ge er zonder twijfel zelf door bewaard. Want tot u zal de Zoon
komen met de Vader: komen zal de grote Profeet, die Jeruzalem zal hernieuwen en
Hij maakt alles nieuw. Dat zal deze komst bewerken, opdat, zoals wij de
gestalte van de aardse (mens) hebben gedragen, wij zo ook de gestalte van de
hemelse dragen. Zoals de oude Adam zich in heel de mens uitgestort heeft en
hem geheel in bezit nam, zó moet nu Christus hem geheel bezitten, die hem
geheel geschapen heeft, geheel verlost en geheel zal verheerlijken.
zondag 28 november 2021
Lectio divina linqua latina Feria II Hebdomadæ I Adventus Liturgia Horarum Ad Officium lectionis De Adventus tempore. De Adventstijd.
Lectio
altera
E Lítteris pastorálibus sancti Cároli
Borroméo epíscopi
(Acta Ecclesiæ Mediolanensis, t.2, Lugduni, 1683, 916-917)
De Adventus tempore
Ecce, dilectíssimi, tempus illud ádeo celebrátum, et sollémne
tempus, ut ait Spíritus Sanctus, acceptábile, dies salútis, pacis et
reconciliatiónis, tempus quod, ut tot olim votis et suspíriis eníxius ab
antíquis patriárchis et prophétis ardentíssime concupítum, cum effúsa lætítia a
iusto Simeóne tandem visum, et semper ab Ecclésia sollémniter ádeo celebrátum,
sic a nobis debet pia mente, láudibus, et grátiis ætérno Patri, pro exhíbita in
hoc mystério misericórdia, in perpétuum habéndis péragi; hoc nempe Unigéniti
sui advéntu ex imménso in nos peccatóres amóre illum misit, qui a dǽmonis
tyránnide et império nos vindicáret, ad cælum invitáret, in cæléstia penetrália
nos introdúceret, veritátem ipsam nobis exhibéret, in morum rectitúdine nos
institúeret, virtútum sémina communicáret, grátiæ suæ thesáuris locupletáret,
nos dénique in fílio suos et vitæ ætérnæ herédes ascísceret.
Hoc équidem mystérium dum
ánnuum ab Ecclésia recólitur, monémur ut tantæ caritátis nobis exhíbitæ memória
in perpétuum renovétur; nos item édocet Christi advéntum non iis modo qui Salvatóris illíus ævo vivébant
profuísse, sed eius virtútem nobis ómnibus adhuc communicándam, si sanctæ fídei
et sacramentórum ópera grátiam, quam nobis ille proméruit, excípere et iuxta
eam vitæ nostræ mores sub eius obœdiéntia dirígere velímus.
A
nobis adhuc éxpetit Ecclésia, ut intellegámus quod, ut semel in carne venit in
mundum, sic subláto ex parte nostra óbice, quálibet hora et moménto ad nos
íterum veníre parátus sit, nostris in ánimis cum gratiárum abundántia
spiritáliter habitatúrus.
Hinc
Ecclésia, ut mater piíssima salutísque nostræ studiosíssima, ex témporis huius
occasióne hymnis, cánticis aliísque Spíritus Sancti vócibus ritibúsque nos
édocet, quo pacto tantum benefícium grato ánimo excipiámus, eiúsque fructu
ditémur, et ídeo ad Christi Dómini advéntum mens nostra non minóri apparátu, ac
si adhuc ventúrus esset in mundum, disponátur; nec divérso ab eo tam verbis
quam exémplis véteris Testaménti, patres, eos ut imitémur, nos edocuérunt.
De Adventstijd
Hier is nu, zeer geliefden, die zo gevierde
en plechtige tijd aangebroken, zoals de Heilige Geest zegt: die aangename tijd,
dag van heil, vrede en verzoening. Zoals naar deze tijd vroeger met aandrang
onder zuchten en gebeden door de oude patriarchen en profeten allervurigst werd
verlangd, naar welke met een bovenmatige vreugde door de rechtvaardige Simeon werd
uitgezien en altijd door de Kerk zo plechtig werd gevierd – zo moet die tijd nu
in een vrome geest, met lof en dank aan de eeuwige Vader, voor altijd worden
gevierd voor zijn betoonde barmhartigheid in dit mysterie; want gedreven door
zijn onmetelijke liefde tot ons, zondaars, heeft Hij door deze komst van zijn Eniggeborene
Hèm gezonden die ons zou opeisen uit de tyrannie en de heerschappij van de
satan, die ons zou uitnodigen tot de hemel en ons in het hemelheiligdom zou
binnenleiden, die ons de waarheid zélf
zou openbaren, ons op de weg van de deugd zou plaatsen, ons het zaad van de
deugden zou schenken, ons met de met de schatten van zijn genade zou verrijken
en die ons tenslotte als zijn kinderen en erfgenamen zou maken van het eeuwig
leven.
Terwijl nu ieder jaar dit mysterie door de
Kerk wordt herdacht, worden wij ertoe
aangemaand de gedachtenis aan een zo
grote liefde, ons bewezen, voor altijd
te hernieuwen; het mysterie leert ons ook, dat Christus’ komst niet alleen voor
degenen van nut was, die in de tijd van de Verlosser leefden, maar dat de
kracht ervan ons allen nú kan worden meegedeeld, als wij door het heilig geloof
en de sacramenten de genade, die Hij voor ons heeft verdiend, willen ontvangen
en volgens die genade onze levenswijze willen inrichten volgens de gehoorzaamheid
aan haar.
Van ons verlangt de Kerk verder: in te
zien, dat, zoals Hij eenmaal in het vlees in de wereld is verschenen, Hij ook
aldus elk uur en elk moment bereid is
opnieuw tot ons te komen, als wij van onze kant het beletsel daartoe wegnemen,
en dat Hij met een overvloed van genaden op geestelijke wijze in onze zielen
zal komen wonen.
Vandaar dat de
Kerk, als een allerliefdevolste moeder en ten hoogste bedacht op ons heil, bij
gelegenheid van deze tijd met hymnen, gezangen en andere woorden van de Heilige
Geest en met ceremonieën ons onderricht, hoe wij zulk een weldaad met een
dankbaar hart kunnen ontvangen, met de vrucht ervan verrijkt kunnen worden, en
onze geest aldus niet minder bereid wordt gemaakt tot de komst van Christus, de
Heer, dan wanneer hij nog op aarde moest komen; en niet anders hebben de Vader
in het Oude Testament zowel door hun woord als door hun voorbeeld ons geleerd
hen na te volgen.
zaterdag 27 november 2021
Martyrologium Romanum Dominica I Adventus – Eerste zondag van de Advent
Dominica
prima Adventus Domini nostri Iesu Christi, in quo tempore primus Dei Filii
adventus inter homines recolitur ac simul secundus eius adventus in fine
temporum exspectatur.
Eerste zondag van de advent van
onze Heer Jezus Christus, de tijd waarin de eerste komst van Gods Zoon onder de
mensen wordt herdacht en tegelijkertijd zijn tweede komst op het einde der
tijden wordt verwacht.
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Eerste zondag van de Advent
Het Laatste Avondmaal. Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór
529)
I n l e i d i n
g
Tegelijk met de decembermaand begint dit jaar de
Advent, de opening van een nieuw kerkelijk jaar. Moge het afgelopen jaar U
zegen hebben gebracht en dichter bij God.
Na de bespreking in vorige jaren van het Collectegebed en de Oratio super
munera (het Gebed over de gaven) bespreek ik nu de tekst van de Oratio post
Communionem (het Gebed na de Communie). Om de week wordt een bijdrage geplaatst
zodat het project in twee jaar voltooid zou moeten zijn, als het God belieft.
“In het Gebed na de Communie bidt de priester om de vruchten van het
mysterie dat gevierd werd. De gelovigen maken zich dit gebed eigen door de
acclamatie Amen.” (Inl. Rom. Missaal 1975, 56k)
Het Gebed na de Communie vormt de samenvatting en het besluit van de gehele
Eucharistieviering, zoals de Collecta dat was van de openingsriten en het Gebed
over de offergaven het samenvattende besluit van de ritus van de bereiding van
de gaven.
Inhoudelijk is het allereerst een dankgebed voor de aanwezigheid van
Christus in de ontvangen gaven waarbij het dankelement meestal uitloopt op een
smeekbede om voortduring van de genade-effecten in het verdere leven en om
deelachtigheid aan het hemelse leven, waarop de Eucharistie anticipeert en deze
in een eschatologisch perspectief plaatst.
De gevraagde effecten hebben derhalve betrekking op het persoonlijke leven van
de gelovigen (heiliging, genezing, zuivering, kracht, verlangen naar de hemel
enz.) alsook op het leven van de Kerk (eenheid, liefde, getuigenis enz.)
Afhankelijk van de tijd van het jaar worden deze effecten vanuit verschillende
gezichtshoeken belicht.
Een snelle blik op de Postcommunio van deze 1e Adventszondag roept de pericope Kol 3, 1-2 in herinnering: “Als ge dan met Christus ten
leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de
rechterhand van God. Zint op het hemelse, niet op het aardse”. Wanneer de
priester de Postcommunio bidt, is de
Eucharistische Christus aanwezig in U. De woontent van de Werkelijke
Tegenwoordigheid (Realis Presentia) van
Christus (tabernakel) bent U nu evenzeer in eigen persoon als het tabernakel in
de kerk.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Prosint nobis, quaesumus, Domine, frequentata mysteria,
quibus nos, inter prætereuntia ambulantes,
iam nunc instituis amare caelestia et inhærere mansuris.
quibus nos, inter prætereuntia ambulantes,
iam nunc instituis amare caelestia et inhærere mansuris.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wij bidden
U dat de Eucharistie die wij hebben gevierd ons ten goede mag komen. Maak ons
in dit vergankelijk bestaan
gevoelig voor
het geestelijke en bedacht op datgene wat blijft.
Werkvertaling
Moge de viering
van dit Heilig Sacrament ons tot voordeel strekken,
waardoor U ons,
die leven temidden van het voorbijgaande,
reeds nu onderricht
het hemelse lief te hebben en ons te hechten aan het blijvende.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d
e n t en
Het Gebed na de
Communie van vandaag is een nieuwe compositie in de Novus Ordo (Missale Romanum [MR] 1970, MR 1975 en MR 2002), en is
geworteld in twee oraties in het oude Sacramentarium
Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV, 2e helft 6e eeuw, ed. Mohlberg
1956), vgl. Le 1053 en Le 173.
De oratie leent
zich uitstekend om te worden gezongen, zoals het ook hoort! Het drievoudig gebruik
van de letter – t in frequentata mysteria
bewerkt een sterk staccato-effect dat in balans blijft door de assonantie
(klinkerrijm) van de a-klanken. De frase inter
prætereuntia ambulantes, heeft een prachtige melodische cursus (beloop) ,
alsook de slotcadens inhærere mansuris, waarin
de kenner direct de oratietaal zal herkennen.
In de Romeinse
liturgie heeft de Oratio post Communionem steeds een strakke opbouw en een compactheid
van uitdrukking. Met de Collecta en de Oratio super munera behoort de Oratio
post Communionem tot de vaste elementen van de Romeinse sacramentaria
(Verzamelingen van gebeden bestemd voor de H. Mis).
S t r u c t u u r a n a l y s e e
n s t i j l f i g u r e n
1.Prosint nobis, quaesumus, Domine, frequentata mysteria,
2a.quibus nos, 3. inter prætereuntia ambulantes,
2b.iam nunc instituis amare caelestia et inhærere mansuris.
2a.quibus nos, 3. inter prætereuntia ambulantes,
2b.iam nunc instituis amare caelestia et inhærere mansuris.
De oratie bestaat uit één enkele zin,
gevormd door de hoofdzin Prosint . . . mysteria (1), een afhankelijke bijzin
quibus . . . mansuris (2a-2b) waarin de
tussenzin inter . . . ambulantes (3) is opgesloten.
Ad 1
Prosint: praedicaat in de coniunctivusvorm præsentis
indicativi, 3e persoon meervoud
met “frequentata mysteria” als subject.
Nobis, bijwoordelijke bepaling in de dativus commodi
(van voordeel)
Quæsumus: tussenzin, bestaande uit een enkel prædicaat
Domine: aanspreekvorm van God in de vocativusvorm.
Ad 2a-2b
Relatieve bijzin met het betrekkelijk voornaamwoord
quibus in de ablativusvorm pluralis refererend aan het antecedent frequentata
mysteria, te vertalen als “waardoor, waarmee”.
Instítuis . . . amare . . . inhærere, praedicaatsgroep
met het koppelwerkwoord instituis, 2e persoon praesentis indicativi
van het verbum institúere, 3e conjugatie, gevolgd door twee
infinitivusvormen.
Iam, nunc: bijwoordelijke bepalingen van tijd.
Cælestia: lett. de hemelse dingen, het hemelse =
object van de infinitivusvorm amare en
staat in de accusativus pluralis van het adiectivum cæleste, - is, n., hier
zelfstandig gebruikt.
Mansuris: lett. de dingen die zullen blijven, het
blijvende = object van de infinitivusvorm. inhærere in de dativus pluralis van het
zelfstandig gebruikte participium
futurum activi. Het verbum inhaerere komt zowel voor met het praepositum ad met
de accusativus of alleeen met de dativus, zonder voorzetsel.
Ad 3
Inter prætereuntia ambulantes: tussenzin, bijwoordelijke bepaling die
het object nos (2a) nader illustreert.
S t i j l f i g u r e n
Frequentata mysteria met alliteratie (-tata) en
assonantie (zie hiervoor)
Dominante aanwezigheid van de –i en –a klanken
Ambulantes: metafoor (vergelijking met alleen het
beeld)
Antithese van ambulantes en inhærere, prætereuntia en
mansuris, prætereuntia en cælestia
V o c a b u l a
r i u m
Prosint – De grammatica’s helpen ons te zien dat prosint de 3e person meervoud
præsentis activi is in de coniunctivus van het verbum prosum, profui,
prodesse, “nuttig -, voordelig zijn, van nut zijn, goed doen, ten geode
komen, weldoen, helpen”. In sommige Romeinse sacristieën is het na de H. Mis gebruik
dat misdienaars, acolieten en gewijde bedienaren in een rij wachten totdat de
celebrant binnenkomt en buigt voor het kruis. Als hij zijn bonnet heeft
afgenomen en een buiging maakt naar het kruis zeggen allen “Prosit!” dat
betekent, “Moge hetgeen U zojuist hebt gedaan U tot voordeel strekken!” De
celebrant antwoordt “Vobis quoque!” (enkelvoud “Tibi quoque!”), “En
U ook!”.
In Nederland en
Duitsland wordt een heildronk (of toast) onder andere uitgebracht met de
woorden “Proost!” of “Prosit!”
Quæsumus – behoort tot
de verba defectiva (onvolledige werkwoorden waarvan slechts enkele vormen
voorkomen, zoals aio, ais, ait, aiunt, ik zeg, jij zegt, hij/zij zegt, zij
zeggen. Quæsumus heeft grammaticaal nog naast zich quæso, ik smeek / vraag, beide
zijn alleenstaande vormen, die dikwijls in de oraties voorkomen, zelden echter
aan het begin van de zin. Het tussenwerpsel quæsumus dat in een aantal gevallen
het ritmische verloop van de oratie ondersteunt, heeft daarnaast dikwijls een verzachtende
functie ten opzichte van de imperativusvorm aan het begin van de Romeinse
oraties – zoals de oratio Super Munera Suscipe,
quæsumus … van deze zelfde zondag laat zien, maar onderstreept in de oratie
van vandaag de coniunctivusvorm prosint
die een biddende wens uitdrukt.
Frequento betekent 1. dikwijls bezoeken 2. in grote getale samenkomen
3. bijwonen, vieren 4. Herhalen 5. fequenteren. Frequentare is hier
gelijkwaardig aan celebrare en heeft
ook betekenissen als dikwijls celebreren/vieren, of eenvoudig celebreren, of
ook deelnemen aan een celebratie of een openbaar festival: cf frequentare
mysteria (Gelasianum I, 25, 170), dikwijls de mysteries / sacramenten
vieren. Zie A. Blaise, Le Vocabulaire
Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas
O.S.B.. Brepols, Turnhout 1966, 119-120, § 4.
Ambulare -
1. wandelen, reizen 2. een levenswandel leiden, leven. Vgl. de “Nederlandse” afleidingen,
ambulance, ambulant.
Institúere, instítui, institútus (3e conjugatie), heeft vele betekenissen: 1.
plaatsen in of op 2. oprichten, aanleggen, instellen 3. ondernemen, aanvangen
4. aanstellen, invoeren 5. inrichten, regelen 6.onderrichten, onderwijzen,
vormen. Het Nederlands kent woorden die van dit werkwoord zijn afgeleid,
bijvoorbeeld instituut, institutie, institutionalisering.
Praetereuntia, participium
præsens activi in het meervoud van het verbum praeter-eo, -ivi en ii, itum, (præterire) met betekenissen als voorbijgaan, passeren,overslaan, ontgaan,
niet opletten, overtreffen, ondergaan,
overtreden. Het participium passivum præteritum: waar men (aan) voorbij gegaan
is, en van de tijd gezegd: verlopen,
verstreken, vervlogen. Vgl. diebus decem præteritis (Cicero), na verloop van
tien dagen. Het adiectief gebruikt participium passivum præteritus, a, - um
betekent verleden, vervlogen; het substantivum præteritum, - I, het verleden,
dat wat voorbij is. Præterire modum: de maat overschrijden (Ovidius).
Mansuris - een vorm van het participium futurum activi in
de dativus meervoud van maneo, mansi,
mansus: blijven, verblijven, blijven staan, blijven duren, volharden,
volhouden. Hier dus: “de dingen die blijvend zullen zijn”.
C o m m e n t a
a r
De oratie begint
met de algemene bede dat de Eucharistieviering ons ten goede mag komen. Daar
blijft het niet bij want in de relatieve zin die bij het concept ‘mysteria’
hoort wordt gezegd waarin het gevraagde bestaat: het mysterie / het sacrament
van de H. Eucharistie zou ons moeten opvoeden/vormen tot de liefde voor het
hemelse en om dat wat blijvend is, aan te hangen. Deze gedachte komt veelvuldig
voor in de liturgie; vergelijk bijvoorbeeld de Postcommunio van de 2e zondag
van de Advent waarin de frase doceas nos
terrena sapienter perpendere et
cælestestibus inhærere, leer ons het aardse wijs af te wegen en het hemelse
aan te hangen, inhoudelijk identiek is aan het idee ‘voorbijgaand en blijvend’.
De gedachte berust op de idee het aardse
of vergankelijke gering en het hemelse of onvergankelijke hoog te schatten.
Zo staat dan ook
in de onderhavige oratie het contrast centraal, wanneer het gebed de
situatie van de biddende kenschetst als een wandelen temidden van vergankelijkheid.
De oratie richt zich op het “hemelse” en “het onvergankelijke”.
De
oorspronkelijke tekst van deze oratie presenteert ons enkele antieke motieven.
Het onvergankelijke of onveranderlijke en het verlangen ernaar heeft altijd het
denken van de mensen, religieus als zij waren, beheerst. Het onvergankelijke is
voor hem de hemel, meer exact het hemelgewelf met de vaste sterren. De religieuze
mens lijdt onder de veranderlijkheid van zijn wereld, maar het mysterie belooft hem een zielereis naar de hemel. De weg
is lastig, maar tenslotte arriveert hij daar waar geen verandering of
sterfelijkheid meer is.
De biddende
gekerstende mens, die Gods majesteit toezingt als de Conditor alme siderum /
milde Schepper van de sterren, kon deze zielereis door de kosmos achter zich
laten; het wandelen door de ‘prætereuntia’, het vergankelijke, en het verlangen
naar het hemelse en blijvende, gelden niettemin ook hem.
In vroeger
tijden was voor veel mensen duidelijk dat het leven na de dood belangrijker is
dan dat voor de dood. Bach begreep dat heel goed: “Welt, ich bleibe nicht mehr
hier,
Hab ich doch
kein Teil an dir, Hier muss ich das Elend bauen, Aber dort, dort werd ich
schauen” (vertaling: Wereld, ik blijf niet meer hier, ik heb toch aan jou geen
deel.Hier moet ik het met ellende doen, maar daar, daar zal ik aanschouwen, BWV
82).
In de loop der
tijden ondergaat ook het levensgevoel veranderingen. De H. Schrift is duidelijk
wat de gelovige levenshouding zou moeten zijn: “Zij die met het aardse omgaan,
moeten er niet in opgaan”, “We zijn in de wereld maar niet van de wereld”. De
verwijzing naar het leven op aarde wordt ook
wel “Diesseits” (hier) genoemd, en die naar het hemelse “Jenseits”
(ginder, daar). Diesseits is het leven aan deze zijde van het graf. Het is
gericht op het aardse, op de dingen van het hier en nu, op de zorg voor het
bestaan. Het hier heeft ook een negatieve, verkeerde kant: opgaan in de dingen
van deze wereld. Door zorg en tegenslag in tijdelijke zaken, maar ook door
weelde en overvloed, kan een mens het hemelse, de andere kant, de gerichtheid
op het eeuwige - al dan niet tijdelijk - vergeten. Jenseits is het leven aan de andere kant van
het graf; de geestelijke gerichtheid op
het toekomende leven waar wij zullen zijn bij Onze Lieve Heer. Jenseits verwijst
naar een leven dat verwachtingsvol uitziet naar het nieuwe Jeruzalem, waar alle
leed geleden is.
Een mens kan
genieten van de schoonheid van de natuur, muziek, of een goed boek. Ook kunnen
we genieten van ons werk, de vakantie en andere ontspanning, tijd, van de
contacten met andere mensen (huwelijk, vrienden, ouders, kinderen). Je mag ook genieten van wat je hebt, als je
maar niet denkt dat je bent wat je hebt. Het genot voor de dood is op zichzelf
niet verkeerd! Duidelijk moge echter zijn, dat het heden voorbij gaat; niets
van het tijdelijke blijft.
De oratie beschrijft
dit spanningsveld: de bidder wordt voorgesteld als een mens die verlost wil
worden uit het vergankelijke, maar voorlopig nog temidden van het voorbijgaande
moet blijven leven. Vervolgens spreekt de oratie over een soort opvoeding tot
het eeuwige doel door middel van de H. Eucharistie, een opvoeding/vorming tot
de liefde voor het hemelse en het aanhangen van het blijvende. Inderdaad kan
men in de viering van het Eucharistische Sacrament, zeker als men het frequentata mysteria als een veelvuldige
viering interpeteert, als een richtinggevende vorming tot het eeuwige in de zin
van de oratie beschouwen. De oratie zegt derhalve dat de mens die op aarde
temidden van een vergankelijke wereld moet leven, naar het hemelse en blijvende verlangt en
ondertussen tot die hoge, eeuwige bestemming wordt gevormd, niet tot het
vergankelijke moet vervallen maar het eeuwige moet beminnen en daaraan vasthouden.
Het ligt in het
wezen van de H. Eucharistie besloten, dat zij is gericht op de wederkomst van
Christus: “Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de
dood van de Heer, totdat Hij wederkomt” (1 Kor 11, 26). Daar zij Christus’
kruisoffer en kruisdood tegenwoordig stelt loopt zij uit op de overgave van
Christus en zijn rijk aan de Vader (vgl. 1 Kor 15, 24.28) en het bruiloftsmaal
van het Lam (Apoc 19, 9).
De adventsliturgie
omvat alle wegen waarlangs de Heer naar ons toe komt: zijn komst in Bethlehem en op het einde der
tijden, zijn komst in actuele genade, zijn komst in de woorden van de H.
Schrift. Hij komt in de H. Communie. Hij komt tot ons in de persoon van de behoeftige.
Hij komt bij de woorden van de priester:
Dit is mijn Lichaam, dit is mijn
Bloed, . dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.
L i t u r g i s
c h e r f g o e d
O sacrum convivium!
in quo Christus sumitur:
recolitur memoria passionis eius:
mens impletur gratia:
et futuræ gloriæ nobis pignus datur.
Alleluia.
O heilig gastmaal
waarin Christus wordt genuttigd;
de gedachtenis van zijn lijden wordt gevierd;
de ziel met genade wordt gevuld,
en ons het onderpand voor de toekomstige
heerlijkheid wordt gegeven.
waarin Christus wordt genuttigd;
de gedachtenis van zijn lijden wordt gevierd;
de ziel met genade wordt gevuld,
en ons het onderpand voor de toekomstige
heerlijkheid wordt gegeven.
Alleluia.
Antifoon bij het Magnificat van de IIe Vespers uit het Officie van
Sacramentsdag,
toegeschreven aan de H. Thomas van Aquino.
Voor de inleiding werden enkele passages ontleend aan J. Hermans, De liturgie van de Eucharistie. Inleiding
tot het nieuwe Missaal. Studia Rodensia 1.Brugge-Nijmegen 1979, p. 400-401.
Abonneren op:
Posts (Atom)










