Posts tonen met het label Hebdomada I Adventus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hebdomada I Adventus. Alle posts tonen

zaterdag 29 november 2025

Lezingen H. Mis 1e zondag van de advent, jaar A Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt.

Eerste lezing (Jes. 2,1-5)
Visioen van Jesaja, de zoon van Amos, over Juda en Jeruzalem. Op het einde der dagen zal de berg waarop de tempel van de Heer staat, oprijzen boven alle bergen en uitsteken boven alle heuvels. Alle volkeren zullen erheen stromen en talloze naties erheen trekken. Zij zullen zeggen: “Kom, laat ons optrekken naar de berg van de Heer, naar de tempel van Jakobs God. Hij zal ons zijn wegen wijzen en wij zullen zijn paden bewandelen. Want uit Sion komt de Wet, het Woord van de Heer uit Jeruzalem. Oordelen zal Hij de volkeren, rechtspreken over de talloze naties. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers, hun speren tot sikkels. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander, en niemand zal nog leren oorlog voeren. Huis van Jakob, kom, laat ons wandelen in het licht van de Heer.”

Tweede lezing (Rom 13,11-14)
Broeders en zusters, gij weet dat het uur om uit de slaap te ontwaken reeds is aangebroken. Thans is ons heil dichterbij dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht loopt ten einde, de dag breekt aan. Laten wij ons dus ontdoen van de werken der duisternis en ons wapenen met het licht. Laten wij ons behoorlijk gedragen als op klaarlichte dag, en ons onthouden van braspartijen en drinkgelagen, van ontucht en losbandigheid, van twist en nijd. Bekleedt u met de Heer Jezus Christus en koestert geen zondige begeerten meer.

Evangelie (Mt. 24,37-44)
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: “Zoals het ging in de dagen van Noach, zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Zoals de mensen in de dagen vóór de zondvloed doorgingen met eten en drinken, met huwen en ten huwelijk geven, tot op de dag waarop Noach de ark binnenging, en zij niets vermoedden totdat de zondvloed kwam en allen wegrukte: zo zal het gaan bij de komst van de Mensenzoon. Dan zullen er twee op de akker zijn: de een wordt meegenomen, de ander achtergelaten: twee vrouwen zullen met de molen aan het malen zijn: de een wordt meegenomen, de andere achtergelaten. Weest dus waakzaam, want gij weet niet op welke dag uw Heer komt. Begrijpt dit wel: als de eigenaar van het huis wist op welk uur van de nacht de dief zou komen, zou hij blijven waken en in zijn huis niet laten inbreken. Weest ook gij dus bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop gij het niet verwacht.”

Ad Te Levavi - Introitus Zondag I Advent

donderdag 2 december 2021

Lectio divina linqua latina Liturgia Horarum Feria VI Hebdomadæ I Adventus Ad Officium lectionis Desiderium contemplandi Deum. Het verlangen naar de Godsaanschouwing.



Lectio altera
E libro «Proslógion» sancti Ansélmi epíscopi
 (Cap. 1: Opera omnia, Edit. Schmitt, Seccovii, 1938, 1, 97-100)

Tweede lezing
Uit het ‘Proslogion’ van de H. Anselmus, bisschop
Het verlangen naar de Godsaanschouwing
Welaan, klein mensenkind, trek u voor een korte tijd eens uit uw bezigheden terug, neem wat afstand van uw woelige gedachten. Werp uw lastige zorgen eens van u af en laat uw moeizame bezigheden een tijdje staan.
Treed in de binnenkamer van uw geest. Sluit alles buiten, behalve God en wat u kan helpen Hem te vinden. Sluit uw deur en tracht Hem te vinden. Zeg nu, heel mijn hart, zeg nu tot God: Ik zoek uw aangezicht, uw aangezicht, Heer, verlang ik te zien.
Welaan dan, Heer, mijn God, leer mijn hart wáár en hóe het U moet zoeken, wáár en hóe het U kan vinden Heer; als Gij niet hier zijt, waar moet ik U zoeken in uw afwezigheid?  Maar als Gij overal zijt, waarom zie ik U dan niet aanwezig? Ongetwijfeld bewoont Gij een ontoegankelijk licht.  Maar waar is dat ontoegankelijke licht, of hoe kan ik dat benaderen? Of wie voert mij erheen en geeft mij daar toegang, om U in dat licht te zien? En dan, onder welke tekenen, onder welk uiterlijk moet ik U zoeken? Ik heb U nooit gezien, Heer, mijn  God, ik ken uw gelaat niet.
Heer, Gij zijt mijn God en Gij zijt mijn heer, maar ik heb U nooit gezien. Gij hebt mij gemaakt en hervormd en mij alle goeds geschonken en nog ken ik U niet. Tenslotte ben ik geschapen om U te zien, maar ik heb nog niet bereikt waarvoor ik geschapen ben.
Maar, o Heer, hoelang nog? Tot hoelang, Heer, zult Gij ons vergeten, tot hoelang uw gelaat van ons afwenden? Wanneer zult Ge op ons neerzien en ons verhoren? Wanneer zult Ge onze ogen verlichten en ons uw gelaat tonen?  Wanneer zult Ge U weer aan ons terugschenken?
Zie op ons neer, Heer, verhoor ons, verlicht ons, toon U aan ons. Geef U aan ons terug tot ons geluk, want zonder dit is het zo slecht gesteld met ons. Heb medelijden met onze moeiten en inspanningen om tot U te komen, wij, die niets kunnen zonder U.

Leer mij U te zoeken en toon U aan de zoekenden, want noch kan ik U zoeken als Gij mij niet onderricht, noch U vinden als Gij U niet aan mij vertoont. Moge ik U zoeken door naar U te verlangen. Moge ik naar U verlangen door U te zoeken. Moge ik U vinden door U te beminnen. Moge ik U beminnend door U te vinden.

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria V Hebdomadæ I Adventus Gratia verborum tuorum plebem demulceas.


S. Ambrosii, episcopi et ecclesiæ doctoris, memoria
Ad Officium lectionis

S. AMBROSII, EPISCOPI ET ECCLESIÆ DOCTORIS
Memoria
Natus Treviris circa annum 340 e familia romana, studiis Romæ incubuit et Sirmii cursum honorum cœpit. Anno 374, dum Mediolani degebat, extemplo episcopus civitatis electus, die 7 decembris ordinatus est. Munere adamussim fungens, caritatem maxime exercuit in omnes, verus pastor et doctor fidelium factus. Iura Ecclesiæ strenue tutatus est; rectæ fidei doctrinam, scriptis et opere contra Arianos defendit. Mortuus est sabbato sancto die 4 aprilis anni 397.
Lectio altera
Ex Epístolis sancti Ambrósii epíscopi
(Epist. 2, 1-2. 4-5. 7: PL 16 [edit. 1845], 847-881)
Tweede lezing
Gij hebt het ambt van het priesterschap op u genomen, en in de Kerk op de achtersteven zittend, moet ge het schip tegen de golven in besturen. Houd het roer van het geloof goed vast opdat de zware stormen van deze wereld u niet in verwarring kunnen brengen. Want de zee is groot en wijd, maar wil niet vrezen. Immers, Hij heeft haar op de zeeën gegrondvest en op de watervloeden bevestigd.
Temidden van zoveel wereldzeeën, blijft de Kerk van de Heer niet ten onrechte onbeweeglijk staan, omdat zij is gebouwd op de apostolische rots, en op een onbewogen fundament stand blijft houden tegenover de aanvallen van een onstuimige zee. Door de golven wordt ze gereinigd, niet geschokt, en hoewel de elementen van deze wereld, die tegen haar aanbeuken, dikwijls met groot gekraak worden teruggeslagen, heeft zij toch een allerveiligste haven van redding, om hen, die in gevaar verkeren, op te nemen. Maar hoewel ze op de zee dobbert, vaart ze over de stromen, en kijk toch, ze gaat meer over de stromen, waarvan gezegd is: De stromen verheffen hun stem. Want het zijn de stromen, die uit zijn binnenste vloeien, die zijn drank van Christus heeft ontvangen en van de Geest Gods heeft opgenomen. Wanneer deze stromen overlopen van geestelijke genade, verheffen zijn hun stem.
Ook bestaat er een rivier, die in haar heiligen binnendringt als een bergstroom. En het is het geweld van de stroom, dat de vreedzame en rustige ziel verblijdt. Al wie uit de volheid van deze stroom heeft ontvangen, zoals Johannes de Evangelist, zoals Petrus en Paulus verheft zijn stem. En zoals de Apostelen hun stem van de Evangelie-prediking luid lieten weerklinken naar alle streken van de wereld, zo zal ook hij de Heer Jezus beginnen te prediken.
Ontvang dan het water van Christus, opdat ook uw woord moge uitgaan. Vergaar dat water van Christus, dat lof brengt aan God. Vergaar dat water uit al die plaatsen, waar de profetische wolken het hebben doen neerregenen.
Al wie water vergaart van de bergen en tot zich leidt of put uit de bronnen,  kan het zelf ook doen regenen als een wolk. Vul daarom de schoot van uw geest om uw aarde te bevochtigen en te besproeien met uw eigen bronnen.
Dus wie veel leest en begrijpt, wordt vervuld; wie vervuld is, besproeit anderen. En daarom zegt de Schrift: Als de wolken gevuld zijn, storten zij hun regen uit op aarde.
Laten uw preken goed vloeiend zijn, zuiver en helder, opdat ze bij een zedekundige uiteenzetting aangenaam in de oren klinken en ze door de mooie woordkeus het volk aangrijpen opdat het vrijwillig volgt, waarheen gij het voert.

Uw toespraken moeten vol verstandelijk inzicht zijn. Vandaar dat Salomon zegt: De lippen van de wijze zijn wapens van het verstand. En elders: Uw lippen zijn gebonden aan het begrip, dit is: het houden van een preek moet licht geven, het verstandelijk inzicht erin uitstralen; uw toespraak of uw verhandeling moet geen verdere verklaring nodig hebben, maar uw preek moet als door zijn eigen wapen beschermd worden en geen enkel woord mag ijdel blijven en zonder zin.

dinsdag 30 november 2021

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Feria IV Hebdomadæ I Adventus Ad Officium lectionis Veniet in nos Verbum Dei Het Woord Gods zal onder ons komen.

Lectio altera
Ex Sermónibus sancti Bernárdi abbátis
 (Sermo 5 in Adventu Domini, 1-3: Opera omnia, Edit. cisterc. 4 [1966], 188-190)
Tweede lezing

Uit de Preken van de H.Bernardus

Het Woord Gods zal onder ons komen

Wij kennen een drievoudige komst van de Heer. De derde komst nu is de middelste van deze drie. De eerste en de laatste zijn duidelijk waarneembaar, maar niet de tweede. Bij de eerste komst namelijk is Hij op aarde gezien en ging Hij om met de mensen, toen, zoals Hijzelf zegt, zij én zijn werken hebben gezien én Hem hebben gehaat. Bij de laatste komst echter zal alle vlees Gods heil aanschouwen, en zullen zij opzien naar Hem die zij doorstaken. De middelste komst is in verborgenheid, waarbij alleen de uitverkorenen Hem in zichzelf zien en waardoor hun zielen zalig worden. Bij zijn eerste komst dan kwam Hij in het vlees en in zwakheid, bij deze middelste in geest en kracht, bij de laatste komt Hij in glorie en majesteit.
Die middelste komst nu is een bepaalde weg langs welke men van de eerste tot de laatste komt: bij de eerste was Christus onze verlossing, bij de laatste zal Hij als ons leven verschijnen, in deze middelste is Hij onze rust en onze troost.
Maar om te voorkomen, dat iemand het voor een eigen uitvindsel houdt, wat wij over deze middelste komst zeggen, moeten wij Hemzelf horen: Als iemand Mij bemint, zegt Hij,  zal hij mijn woord onderhouden, en mijn Vader zal hem beminnen en Wij zullen tot hem komen. Want elders heb ik gelezen: Die God bemint, zal het goede doen; maar ik denk, dat er nog iets meer wordt gezegd over die bemint, omdat hij de woorden onderhoudt. Waar moeten die dan onderhouden worden? Zonder twijfel in het hart, zoals de Profeet zegt: Ik heb uw uitspraken in mijn hart verborgen, om niet tegen U te zondigen.
Bewaar op deze wijze Gods woord: Want zalig zij, die dat bewaren. Verberg het dus in het binnenste van uw ziel; het moet daar overgaan in uw genegenheden en uw gedrag. Eet het goede en laat uw ziel zich vermeien in die overvloed. Vergeet niet uw brood te eten, laat uw hart niet verdorren, maar moge uw ziel van het vette voedsel worden vervuld.
Als ge zo Gods woord bewaart, wordt ge er zonder twijfel zelf door bewaard. Want tot u zal de Zoon komen met de Vader: komen zal de grote Profeet, die Jeruzalem zal hernieuwen en Hij maakt alles nieuw. Dat zal deze komst bewerken, opdat, zoals wij de gestalte van de aardse (mens) hebben gedragen, wij zo ook de gestalte van de hemelse dragen. Zoals de oude Adam zich in heel de mens uitgestort heeft en hem geheel in bezit nam, zó moet nu Christus hem geheel bezitten, die hem geheel geschapen heeft, geheel verlost en geheel zal verheerlijken.


zondag 28 november 2021

Lectio divina linqua latina Feria II Hebdomadæ I Adventus Liturgia Horarum Ad Officium lectionis De Adventus tempore. De Adventstijd.



Lectio altera
E Lítteris pastorálibus sancti Cároli Borroméo epíscopi
(Acta Ecclesiæ Mediolanensis, t.2, Lugduni, 1683, 916-917)
De Adventus tempore
Ecce, dilectíssimi, tempus illud ádeo celebrátum, et sollémne tempus, ut ait Spíritus Sanctus, acceptábile, dies salútis, pacis et reconciliatiónis, tempus quod, ut tot olim votis et suspíriis eníxius ab antíquis patriárchis et prophétis ardentíssime concupítum, cum effúsa lætítia a iusto Simeóne tandem visum, et semper ab Ecclésia sollémniter ádeo celebrátum, sic a nobis debet pia mente, láudibus, et grátiis ætérno Patri, pro exhíbita in hoc mystério misericórdia, in perpétuum habéndis péragi; hoc nempe Unigéniti sui advéntu ex imménso in nos peccatóres amóre illum misit, qui a dǽmonis tyránnide et império nos vindicáret, ad cælum invitáret, in cæléstia penetrália nos introdúceret, veritátem ipsam nobis exhibéret, in morum rectitúdine nos institúeret, virtútum sémina communicáret, grátiæ suæ thesáuris locupletáret, nos dénique in fílio suos et vitæ ætérnæ herédes ascísceret.
  Hoc équidem mystérium dum ánnuum ab Ecclésia recólitur, monémur ut tantæ caritátis nobis exhíbitæ memória in perpétuum renovétur; nos item édocet Christi advéntum non iis modo qui Salvatóris illíus ævo vivébant profuísse, sed eius virtútem nobis ómnibus adhuc communicándam, si sanctæ fídei et sacramentórum ópera grátiam, quam nobis ille proméruit, excípere et iuxta eam vitæ nostræ mores sub eius obœdiéntia dirígere velímus.
  A nobis adhuc éxpetit Ecclésia, ut intellegámus quod, ut semel in carne venit in mundum, sic subláto ex parte nostra óbice, quálibet hora et moménto ad nos íterum veníre parátus sit, nostris in ánimis cum gratiárum abundántia spiritáliter habitatúrus.
  Hinc Ecclésia, ut mater piíssima salutísque nostræ studiosíssima, ex témporis huius occasióne hymnis, cánticis aliísque Spíritus Sancti vócibus ritibúsque nos édocet, quo pacto tantum benefícium grato ánimo excipiámus, eiúsque fructu ditémur, et ídeo ad Christi Dómini advéntum mens nostra non minóri apparátu, ac si adhuc ventúrus esset in mundum, disponátur; nec divérso ab eo tam verbis quam exémplis véteris Testaménti, patres, eos ut imitémur, nos edocuérunt.

De Adventstijd
Hier is nu, zeer geliefden, die zo gevierde en plechtige tijd aangebroken, zoals de Heilige Geest zegt: die aangename tijd, dag van heil, vrede en verzoening. Zoals naar deze tijd vroeger met aandrang onder zuchten en gebeden door de oude patriarchen en profeten allervurigst werd verlangd, naar welke met een bovenmatige vreugde door de rechtvaardige Simeon werd uitgezien en altijd door de Kerk zo plechtig werd gevierd – zo moet die tijd nu in een vrome geest, met lof en dank aan de eeuwige Vader, voor altijd worden gevierd voor zijn betoonde barmhartigheid in dit mysterie; want gedreven door zijn onmetelijke liefde tot ons, zondaars, heeft Hij door deze komst van zijn Eniggeborene Hèm gezonden die ons zou opeisen uit de tyrannie en de heerschappij van de satan, die ons zou uitnodigen tot de hemel en ons in het hemelheiligdom zou binnenleiden, die ons  de waarheid zélf zou openbaren, ons op de weg van de deugd zou plaatsen, ons het zaad van de deugden zou schenken, ons met de met de schatten van zijn genade zou verrijken en die ons tenslotte als zijn kinderen en erfgenamen zou maken van het eeuwig leven.
Terwijl nu ieder jaar dit mysterie door de Kerk wordt herdacht, worden  wij ertoe aangemaand de gedachtenis  aan een zo grote liefde, ons bewezen,  voor altijd te hernieuwen; het mysterie leert ons ook, dat Christus’ komst niet alleen voor degenen van nut was, die in de tijd van de Verlosser leefden, maar dat de kracht ervan ons allen nú kan worden meegedeeld, als wij door het heilig geloof en de sacramenten de genade, die Hij voor ons heeft verdiend, willen ontvangen en volgens die genade onze levenswijze willen inrichten volgens de gehoorzaamheid aan haar.
Van ons verlangt de Kerk verder: in te zien, dat, zoals Hij eenmaal in het vlees in de wereld is verschenen, Hij ook aldus  elk uur en elk moment bereid is opnieuw tot ons te komen, als wij van onze kant het beletsel daartoe wegnemen, en dat Hij met een overvloed van genaden op geestelijke wijze in onze zielen zal komen wonen.
Vandaar dat de Kerk, als een allerliefdevolste moeder en ten hoogste bedacht op ons heil, bij gelegenheid van deze tijd met hymnen, gezangen en andere woorden van de Heilige Geest en met ceremonieën ons onderricht, hoe wij zulk een weldaad met een dankbaar hart kunnen ontvangen, met de vrucht ervan verrijkt kunnen worden, en onze geest aldus niet minder bereid wordt gemaakt tot de komst van Christus, de Heer, dan wanneer hij nog op aarde moest komen; en niet anders hebben de Vader in het Oude Testament zowel door hun woord als door hun voorbeeld ons geleerd hen na te volgen.


zaterdag 27 november 2021

Reportage Zondag 1 Advent 2020

 




Martyrologium Romanum Dominica I Adventus – Eerste zondag van de Advent


Dominica prima Adventus Domini nostri Iesu Christi, in quo tempore primus Dei Filii adventus inter homines recolitur ac simul secundus eius adventus in fine temporum exspectatur.


Eerste zondag van de advent van onze Heer Jezus Christus, de tijd waarin de eerste komst van Gods Zoon onder de mensen wordt herdacht en tegelijkertijd zijn tweede komst op het einde der tijden wordt verwacht.


Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Eerste zondag van de Advent


Het Laatste Avondmaal. Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)
Maak ons gevoelig voor het geestelijke en bedacht op datgene wat blijft.
I n l e i d i n g
Tegelijk met de decembermaand begint dit jaar de Advent, de opening van een nieuw kerkelijk jaar. Moge het afgelopen jaar U zegen hebben gebracht en dichter bij God.
Na de bespreking in vorige jaren van het Collectegebed en de Oratio super munera (het Gebed over de gaven) bespreek ik nu de tekst van de Oratio post Communionem (het Gebed na de Communie). Om de week wordt een bijdrage geplaatst zodat het project in twee jaar voltooid zou moeten zijn, als het God belieft.
“In het Gebed na de Communie bidt de priester om de vruchten van het mysterie dat gevierd werd. De gelovigen maken zich dit gebed eigen door de acclamatie Amen.  (Inl. Rom. Missaal 1975, 56k)
Het Gebed na de Communie vormt de samenvatting en het besluit van de gehele Eucharistieviering, zoals de Collecta dat was van de openingsriten en het Gebed over de offergaven het samenvattende besluit van de ritus van de bereiding van de gaven.  
Inhoudelijk is het allereerst een dankgebed voor de aanwezigheid van Christus in de ontvangen gaven waarbij het dankelement meestal uitloopt op een smeekbede om voortduring van de genade-effecten in het verdere leven en om deelachtigheid aan het hemelse leven, waarop de Eucharistie anticipeert en deze in een eschatologisch perspectief  plaatst. De gevraagde effecten hebben derhalve betrekking op het persoonlijke leven van de gelovigen (heiliging, genezing, zuivering, kracht, verlangen naar de hemel enz.) alsook op het leven van de Kerk (eenheid, liefde, getuigenis enz.) Afhankelijk van de tijd van het jaar worden deze effecten vanuit verschillende gezichtshoeken belicht.
Een snelle blik op de Postcommunio van deze 1e Adventszondag  roept de pericope Kol 3, 1-2  in herinnering: “Als ge dan met Christus ten leven zijt gewekt, zoekt wat boven is, daar waar Christus zetelt aan de rechterhand van God. Zint op het hemelse, niet op het aardse”. Wanneer de priester  de Postcommunio bidt, is de Eucharistische Christus aanwezig in U. De woontent van de Werkelijke Tegenwoordigheid (Realis Presentia) van Christus (tabernakel) bent U nu evenzeer in eigen persoon als het tabernakel in de kerk.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Prosint nobis, quaesumus, Domine, frequentata mysteria,
quibus nos, inter prætereuntia ambulantes,
iam nunc instituis amare caelestia et inhærere mansuris.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, wij bidden U dat de Eucharistie die wij hebben gevierd ons ten goede mag komen. Maak ons in dit vergankelijk bestaan
gevoelig voor het geestelijke en bedacht op datgene wat blijft.
Werkvertaling
Moge de viering van dit Heilig Sacrament ons tot voordeel strekken,
waardoor U ons, die leven temidden van het voorbijgaande,
reeds nu onderricht het hemelse lief te hebben en ons te hechten aan het blijvende.
L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t en
Het Gebed na de Communie van vandaag is een nieuwe compositie in de Novus Ordo (Missale Romanum [MR] 1970, MR 1975 en MR 2002), en is geworteld in twee oraties in het oude Sacramentarium Leonianum (Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV, 2e helft 6e eeuw, ed. Mohlberg 1956), vgl. Le 1053 en Le 173.
De oratie leent zich uitstekend om te worden gezongen, zoals het ook hoort! Het drievoudig gebruik van de letter – t in frequentata mysteria bewerkt een sterk staccato-effect dat in balans blijft door de assonantie (klinkerrijm) van de a-klanken. De frase inter prætereuntia ambulantes, heeft een prachtige melodische cursus (beloop) , alsook de slotcadens inhærere mansuris, waarin de kenner direct de oratietaal zal herkennen.  
In de Romeinse liturgie heeft de Oratio post Communionem steeds een strakke opbouw en een compactheid van uitdrukking. Met de Collecta en de Oratio super munera behoort de Oratio post Communionem tot de vaste elementen van de Romeinse sacramentaria (Verzamelingen van gebeden bestemd voor de H. Mis).
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Prosint nobis, quaesumus, Domine, frequentata mysteria,
2a.quibus nos, 3. inter prætereuntia ambulantes,
2b.iam nunc instituis amare caelestia et inhærere mansuris.
De oratie bestaat uit één enkele zin, gevormd door de hoofdzin Prosint . . . mysteria (1), een afhankelijke bijzin quibus . . .  mansuris (2a-2b) waarin de tussenzin inter . . . ambulantes (3) is opgesloten.
Ad 1
Prosint: praedicaat in de coniunctivusvorm præsentis indicativi, 3e persoon meervoud  met “frequentata mysteria” als subject.
Nobis, bijwoordelijke bepaling in de dativus commodi (van voordeel)
Quæsumus: tussenzin, bestaande uit een enkel prædicaat
Domine: aanspreekvorm van God in de vocativusvorm.
Ad 2a-2b
Relatieve bijzin met het betrekkelijk voornaamwoord quibus in de ablativusvorm pluralis refererend aan het antecedent frequentata mysteria, te vertalen als “waardoor, waarmee”.
Instítuis . . . amare . . . inhærere, praedicaatsgroep met het koppelwerkwoord instituis, 2e persoon praesentis indicativi van het verbum institúere, 3e conjugatie, gevolgd door twee infinitivusvormen.
Iam, nunc: bijwoordelijke bepalingen van tijd.
Cælestia: lett. de hemelse dingen, het hemelse = object van de infinitivusvorm amare  en staat in de accusativus pluralis van het adiectivum cæleste, - is, n., hier zelfstandig gebruikt.
Mansuris: lett. de dingen die zullen blijven, het blijvende = object van de infinitivusvorm. inhærere in de dativus pluralis van het zelfstandig gebruikte participium futurum activi. Het verbum inhaerere komt zowel voor met het praepositum ad met de accusativus of alleeen met de dativus, zonder voorzetsel.
Ad 3
Inter prætereuntia ambulantes: tussenzin, bijwoordelijke bepaling die het object nos (2a) nader illustreert.
S t i j l f i g u r e n
Frequentata mysteria met alliteratie (-tata) en assonantie (zie hiervoor)
Dominante aanwezigheid van de –i en –a klanken
Ambulantes: metafoor (vergelijking met alleen het beeld)
Antithese van ambulantes en inhærere, prætereuntia en mansuris, prætereuntia en cælestia
V o c a b u l a r i u m
Prosint – De grammatica’s helpen ons te zien dat prosint de 3e person meervoud præsentis activi is in de coniunctivus van het verbum prosum, profui, prodesse, “nuttig -, voordelig zijn, van nut zijn, goed doen, ten geode komen, weldoen, helpen”. In sommige Romeinse sacristieën is het na de H. Mis gebruik dat misdienaars, acolieten en gewijde bedienaren in een rij wachten totdat de celebrant binnenkomt en buigt voor het kruis. Als hij zijn bonnet heeft afgenomen en een buiging maakt naar het kruis zeggen allen “Prosit!” dat betekent, “Moge hetgeen U zojuist hebt gedaan U tot voordeel strekken!” De celebrant antwoordt “Vobis quoque!” (enkelvoud “Tibi quoque!”), “En U ook!”.  
In Nederland en Duitsland wordt een heildronk (of toast) onder andere uitgebracht met de woorden “Proost!” of “Prosit!”

Quæsumus – behoort tot de verba defectiva (onvolledige werkwoorden waarvan slechts enkele vormen voorkomen, zoals aio, ais, ait, aiunt, ik zeg, jij zegt, hij/zij zegt, zij zeggen. Quæsumus heeft grammaticaal nog naast zich quæso, ik smeek / vraag, beide zijn alleenstaande vormen, die dikwijls in de oraties voorkomen, zelden echter aan het begin van de zin. Het tussenwerpsel quæsumus dat in een aantal gevallen het ritmische verloop van de oratie ondersteunt, heeft daarnaast dikwijls een verzachtende functie ten opzichte van de imperativusvorm aan het begin van de Romeinse oraties – zoals de oratio Super Munera Suscipe, quæsumus … van deze zelfde zondag laat zien, maar onderstreept in de oratie van vandaag de coniunctivusvorm prosint die een biddende wens uitdrukt.

Frequento betekent  1. dikwijls bezoeken 2. in grote getale samenkomen 3. bijwonen, vieren 4. Herhalen 5. fequenteren. Frequentare is hier gelijkwaardig aan celebrare en heeft ook betekenissen als dikwijls celebreren/vieren, of eenvoudig celebreren, of ook deelnemen aan een celebratie of een openbaar festival: cf frequentare mysteria (Gelasianum I, 25, 170), dikwijls de mysteries / sacramenten vieren. Zie A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas O.S.B.. Brepols, Turnhout 1966, 119-120, § 4.
Ambulare - 1. wandelen, reizen 2. een levenswandel leiden, leven. Vgl. de “Nederlandse” afleidingen, ambulance, ambulant.
Institúere, instítui, institútus (3e conjugatie), heeft vele betekenissen: 1. plaatsen in of op 2. oprichten, aanleggen, instellen 3. ondernemen, aanvangen 4. aanstellen, invoeren 5. inrichten, regelen 6.onderrichten, onderwijzen, vormen. Het Nederlands kent woorden die van dit werkwoord zijn afgeleid, bijvoorbeeld instituut, institutie, institutionalisering.
Praetereuntia, participium præsens activi in het meervoud van het verbum praeter-eo, -ivi en ii, itum, (præterire) met betekenissen  als voorbijgaan, passeren,overslaan, ontgaan, niet opletten,  overtreffen, ondergaan, overtreden. Het participium passivum præteritum: waar men (aan) voorbij gegaan is, en van de tijd gezegd:  verlopen, verstreken, vervlogen. Vgl. diebus decem præteritis (Cicero), na verloop van tien dagen. Het adiectief gebruikt participium passivum præteritus, a, - um betekent verleden, vervlogen; het substantivum præteritum, - I, het verleden, dat wat voorbij is. Præterire modum: de maat overschrijden (Ovidius).
Mansuris -  een vorm van het participium futurum activi in de dativus meervoud van maneo, mansi, mansus: blijven, verblijven, blijven staan, blijven duren, volharden, volhouden. Hier dus: “de dingen die blijvend zullen zijn”.
C o m m e n t a a r
De oratie begint met de algemene bede dat de Eucharistieviering ons ten goede mag komen. Daar blijft het niet bij want in de relatieve zin die bij het concept ‘mysteria’ hoort wordt gezegd waarin het gevraagde bestaat: het mysterie / het sacrament van de H. Eucharistie zou ons moeten opvoeden/vormen tot de liefde voor het hemelse en om dat wat blijvend is, aan te hangen. Deze gedachte komt veelvuldig voor in de liturgie; vergelijk bijvoorbeeld de Postcommunio van de 2e zondag van de Advent waarin de frase doceas nos terrena sapienter perpendere et cælestestibus inhærere, leer ons het aardse wijs af te wegen en het hemelse aan te hangen, inhoudelijk identiek is aan het idee ‘voorbijgaand en blijvend’. De gedachte  berust op de idee het aardse of vergankelijke gering en het hemelse of onvergankelijke hoog te schatten.
Zo staat dan ook in de onderhavige  oratie  het contrast centraal, wanneer het gebed de situatie van de biddende kenschetst als een wandelen temidden van vergankelijkheid. De oratie richt zich op het “hemelse” en “het onvergankelijke”.
De oorspronkelijke tekst van deze oratie presenteert ons enkele antieke motieven. Het onvergankelijke of onveranderlijke en het verlangen ernaar heeft altijd het denken van de mensen, religieus als zij waren, beheerst. Het onvergankelijke is voor hem de hemel, meer exact het hemelgewelf met de vaste sterren. De religieuze mens lijdt onder de veranderlijkheid van zijn wereld, maar het mysterie  belooft hem een zielereis naar de hemel. De weg is lastig, maar tenslotte arriveert hij daar waar geen verandering of sterfelijkheid meer is.

De biddende gekerstende mens, die Gods majesteit toezingt als de Conditor alme siderum  / milde Schepper van de sterren, kon deze zielereis door de kosmos achter zich laten; het wandelen door de ‘prætereuntia’, het vergankelijke, en het verlangen naar het hemelse en blijvende, gelden niettemin ook hem.

In vroeger tijden was voor veel mensen duidelijk dat het leven na de dood belangrijker is dan dat voor de dood. Bach begreep dat heel goed: “Welt, ich bleibe nicht mehr hier,
Hab ich doch kein Teil an dir, Hier muss ich das Elend bauen, Aber dort, dort werd ich schauen” (vertaling: Wereld, ik blijf niet meer hier, ik heb toch aan jou geen deel.Hier moet ik het met ellende doen, maar daar, daar zal ik aanschouwen, BWV 82).

In de loop der tijden ondergaat ook het levensgevoel veranderingen. De H. Schrift is duidelijk wat de gelovige levenshouding zou moeten zijn: “Zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan”, “We zijn in de wereld maar niet van de wereld”. De verwijzing naar het leven op aarde wordt ook  wel “Diesseits” (hier) genoemd, en die naar het hemelse “Jenseits” (ginder, daar). Diesseits is het leven aan deze zijde van het graf. Het is gericht op het aardse, op de dingen van het hier en nu, op de zorg voor het bestaan. Het hier heeft ook een negatieve, verkeerde kant: opgaan in de dingen van deze wereld. Door zorg en tegenslag in tijdelijke zaken, maar ook door weelde en overvloed, kan een mens het hemelse, de andere kant, de gerichtheid op het eeuwige - al dan niet tijdelijk - vergeten.  Jenseits is het leven aan de andere kant van het graf;  de geestelijke gerichtheid op het toekomende leven waar wij zullen zijn bij Onze Lieve Heer. Jenseits verwijst naar een leven dat verwachtingsvol uitziet naar het nieuwe Jeruzalem, waar alle leed geleden is. 

Een mens kan genieten van de schoonheid van de natuur, muziek, of een goed boek. Ook kunnen we genieten van ons werk, de vakantie en andere ontspanning, tijd, van de contacten met andere mensen (huwelijk, vrienden, ouders, kinderen).  Je mag ook genieten van wat je hebt, als je maar niet denkt dat je bent wat je hebt. Het genot voor de dood is op zichzelf niet verkeerd! Duidelijk moge echter zijn, dat het heden voorbij gaat; niets van het tijdelijke blijft.

De oratie beschrijft dit spanningsveld: de bidder wordt voorgesteld als een mens die verlost wil worden uit het vergankelijke, maar voorlopig nog temidden van het voorbijgaande moet blijven leven. Vervolgens spreekt de oratie over een soort opvoeding tot het eeuwige doel door middel van de H. Eucharistie, een opvoeding/vorming tot de liefde voor het hemelse en het aanhangen van het blijvende. Inderdaad kan men in de viering van het Eucharistische Sacrament, zeker als men het frequentata mysteria als een veelvuldige viering interpeteert, als een richtinggevende vorming tot het eeuwige in de zin van de oratie beschouwen. De oratie zegt derhalve dat de mens die op aarde temidden van een vergankelijke wereld moet leven,  naar het hemelse en blijvende verlangt en ondertussen tot die hoge, eeuwige bestemming wordt gevormd, niet tot het vergankelijke moet vervallen maar het eeuwige moet beminnen en daaraan vasthouden.
Het ligt in het wezen van de H. Eucharistie besloten, dat zij is gericht op de wederkomst van Christus: “Telkens als gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood van de Heer, totdat Hij wederkomt” (1 Kor 11, 26). Daar zij Christus’ kruisoffer en kruisdood tegenwoordig stelt loopt zij uit op de overgave van Christus en zijn rijk aan de Vader (vgl. 1 Kor 15, 24.28) en het bruiloftsmaal van het Lam (Apoc 19, 9).

De adventsliturgie omvat alle wegen waarlangs de Heer naar ons toe komt:  zijn komst in Bethlehem en op het einde der tijden, zijn komst in actuele genade, zijn komst in de woorden van de H. Schrift. Hij komt in de H. Communie. Hij komt tot ons in de persoon van de behoeftige. Hij komt bij de woorden van de priester:  Dit is mijn Lichaam, dit is mijn Bloed, . dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.

L i t u r g i s c h  e r f g o e d

O sacrum convivium!
in quo Christus sumitur:
recolitur memoria passionis eius:
mens impletur gratia:
et futuræ gloriæ nobis pignus datur.
Alleluia.
O heilig gastmaal 
waarin Christus wordt genuttigd; 
de gedachtenis van zijn lijden wordt gevierd;
de ziel met genade wordt gevuld, 
en ons het onderpand voor de toekomstige 
heerlijkheid wordt gegeven.
Alleluia. 


Antifoon bij het Magnificat van de IIe Vespers uit het Officie van Sacramentsdag,
toegeschreven aan de H. Thomas van Aquino.

Voor de inleiding werden enkele passages ontleend aan J. Hermans, De liturgie van de Eucharistie. Inleiding tot het nieuwe Missaal. Studia Rodensia 1.Brugge-Nijmegen 1979, p. 400-401.