Posts tonen met het label H. Maximiliaan Kolbe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Maximiliaan Kolbe. Alle posts tonen
vrijdag 13 augustus 2021
14 augustus H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en martelaar
Lezing
uit Liturgia Horarum – Getijdengebed
14
augustus H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en
martelaar
Inleiding
Maximiliaan
Maria Kolbe werd op 8 januari 1894 in Polen geboren. Hij trad op jeugdige
leeftijd in bij de minderbroeders-conventuelen en werd in 1918 te Rome priester
gewijd. In zijn vurige liefde tot de Moeder Gods stichtte hij een vereniging
onder de naam van ‘Ridderschap van de Onbevlekte’. Voor de opbouw van zijn orde
vervulde hij verschillende bedieningen
en was een bezield en begaafd novicenmeester. Als missionaris in Japan zette
hij zich in voor de uitbreiding van het christelijk geloof. Na zijn terugkeer
in Polen heeft hij tijdens de tweede wereldoorlog veel leed en ellende
doorstaan in het concentratiekamp Auschwitz. Daar kwam op 14 augustus 1941 een
einde aan zijn werkzaam leven, dat hij opofferde om het leven van een
medegevangene te redden.
Uit
de brieven van de H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en martelaar.
Apostolische ijver voor de
redding en de heiliging der zielen
Ik
ben vol vreugde, geliefde broeder, over uw brandende ijver voor Gods eer. In
onze tijd zien wij met verdriet een epidemische ziekte, die men indifferentisme
heeft genoemd, zich onder verschillende gedaanten voortplanten, niet alleen
onder de mensen in de wereld maar ook onder de leden van religieuze
gemeenschappen. Daar nu God oneindige eer waardig is, is het onze dringendste
taak, Hem de hoogste eer te brengen waartoe onze zwakke kracht in staat is,
want wij zullen immers nooit in staat zijn God passend te eren zolang wij
schepselen in ballingschap zijn.
Daar
Gods eer het heerlijkst straalt in het heil der zielen, die Christus met Zijn Bloed
heeft verlost, moet dit verhevenste en voornaamste streven van het apostolische
leven zijn: voor zoveel mogelijk zielen het heil en een voortgaande heiliging
te bevorderen. Welke de beste weg is naar dit doel, de heiliging van een
menigte van zielen, zal ik nu kort uiteenzetten. God, die oneindig is in kennis
en wijsheid, weet volkomen hoe wij kunnen bijdragen tot de vermeerdering van
Zijn eer; Hij maakte ons Zijn wil bekend en wel door middel van degenen die ons
namens Hem op aarde besturen.
Derhalve
leren wij de wil van God alleen in en door gehoorzaamheid kennen, maar wanneer
een superieur dwaalt kan het natuurlijk niet zo zijn dat ook wij in dwaling
vallen. Dan alleen behoeven wij niet te gehoorzamen, wanneer een superieur iets
leert, dat tegen de Wet van God ingaat; in zo’n geval is hij geen trouwe
verklaarder van Gods wil.
Deze
God, die alleen is, een oneindige, wijze, heilige en barmhartige Heer, is
Schepper en Vader, begin en einde, macht en liefde; dit alles is deze God. En
wat buiten God bestaat is alleen van waarde voor zover het op Hem betrokken
wordt, die de Schepper aller dingen en de Verlosser der mensen is; Hij is de
laatste bestemming der gehele schepping. Hij is het die ons Zijn aanbiddelijke
wil bekend maakt door Zijn plaatsvervangers en ons tot Zich trekt en door ons
andere zielen tot Zich wil trekken en in een volmaaktere liefde met Zich wil
verenigen.
Zie toch, broeder, hoe groot door Gods
barmhartigheid de waardigheid van ons mensen is. Door gehoorzaam te zijn reiken
wij tot buiten onze beperkingen en kunnen wij werkelijk de wil volbrengen van
God, die in Zijn oneindige wijsheid en voorzienigheid ons zó bestuurt dat wij
het goede doen. Door trouw te zijn aan de wil van God - welke geen schepsel kan
weerstaan – worden wij sterker dan alles om ons heen.
Dit is het pad der wijsheid, dit is de
enige weg om God de hoogste eer te bewijzen. Indien er een andere en betere weg
was, zou Jezus Christus die zeker in woord en voorbeeld aan ons hebben gewezen.
Maar de H. Schrift heeft ons de wijze waarop Hij in Nazareth leefde, met deze
woorden op het hart gebonden: “Hij was hun onderdanig” en beschrijft daarmee
tevens hoe Hij de rest van Zijn leven in gehoorzaamheid zou volbrengen, door op
allerlei plaatsen te tonen dat Hij op aarde was gekomen om de wil van Zijn
Vader te doen.
Laten wij daarom die
allerbeminnelijkste Vader liefhebben; moge onze gehoorzaamheid het teken zijn
van de volmaakte liefde, die van ons wordt gevergd als offerande van onze eigen
wil. Wij hebben immers geen heerlijker (leer)boek, dat ons in de liefde van God
kan doen vorderen, dan de gekruisigde Christus.
Dit alles kunnen wij verkrijgen door de
bemiddeling van de Onbevlekte Maagd, aan wie God in Zijn grote welwillendheid
de beschikking over Zijn barmhartigheid heeft toevertrouwd. Er is geen enkele
twijfel, dat de wil van Maria voor ons de wil van God Zelf is. Wanneer wij ons
aan Haar opdragen worden we in haar handen werktuigen van Gods liefde, zoals
Zij dat ook in Zijn handen is. Laten wij ons door Haar besturen, door Haar
leiden; onder Haar geleide zijn wij gerust en veilig; Zij beschermt ons immers
altijd, zorgt voor alles, Zij staat ons zonder dralen bij met alles wat wij
naar lichaam en ziel behoeven, zij zal alle moeilijkheden en benauwenissen van
ons wegnemen.
(O. Joachim Roman
Bar, O.F.M. Conv., ed. Wybór Pism, Warszawa 1973, 41-42; 226)
14 August St Maximilian Kolbe (1894 - 1941)
He was born on 8 January 1894 in occupied Poland: he joined the Franciscans in Lwów in 1910, and was ordained eight years later, as his country became free and independent for the first time in over 120 years.
He believed that the world was passing through a time of intense spiritual crisis, and that Christians must fight for the world’s salvation with all the means of modern communication. He founded a newspaper, and a sodality called the Knights of Mary Immaculate, which spread widely both in Poland and abroad.
In 1927 he founded a community, a “city of Mary,” at Teresin: centred round the Franciscan friary, it attracted many lay people, and became self-supporting, publishing many periodicals and running its own radio station.
In 1930 he went to Japan, studied Buddhism and Shintoism, and through the Japanese edition of his newspaper spread the Christian message in a way that was in harmony with Japanese culture. In Nagasaki, he set up a “Garden of the Immaculate,” which survived the atomic bomb.
He also travelled to Malabar and to Moscow, but was recalled to Poland in 1936 for reasons of health.
When the Germans invaded in 1939, the community at Teresin sheltered thousands of refugees, most of them Jews.
In 1941 he was arrested and sent to the concentration camp at Auschwitz, where he helped and succoured the inmates. In August of that year a prisoner escaped, and in reprisal the authorities were choosing ten people to die by starvation. One of the men had a family, and Maximilian Kolbe offered to take his place. The offer was accepted, and he spent his last days comforting his fellow prisoners.
The man he saved was present at his canonization.
Maximilian Kolbe’s martyrdom is the least important thing about him. We are none of us likely to find ourselves in a position to emulate his sacrifice, and speculation as to the heroic way in which we would have behaved in his place is a pernicious waste of time. What is important is that he acted the way he did because of who he was – or, rather, because of who he had become. It is because of who he had become that we revere him as a saint: he would have been a saint (though perhaps not canonized) even if he had not been martyred. And that process of becoming is something we can all emulate. We can all become people for whom doing the right thing is obvious, natural, and easy. It requires no heroism, no special gifts: just perseverance, and prayer
Quotes Saint Maximilian Kolbe
Prayer is powerful beyond limits when we turn to the Immaculata who is queen even of God's heart.
My aim is to institute perpetual adoration," he said, for this is the "the most important activity.
Let us give ourselves to the Immaculata [Mary]. Let her prepare us, let her receive Him [Jesus] in Holy Communion. This is the manner most perfect and pleasing to the Lord Jesus and brings great fruit to us." Because "the Immaculata knows the secret, how to unite ourselves totally with the heart of the Lord Jesus... We do not limit ourselves in love. We want to love the Lord Jesus with her heart, or rather that she would love the Lord with our heart.
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Die 14 augusti S. Maximiliani Mariæ Kolbe, presbyteri et martyris
Memoria
Introductio
Maximilianus Maria Kolbe die 8 ianuarii in Polonia
natus, Ordinem Fratrum Minorum Conventualium adolescens ingressus est, et anno
1918 sacerdos in Urbe ordinatus. Filiali flagrans in Deiparam Virginem pietate,
pium sodalicium, cui nomen «Militiæ Mariæ Immaculatæ», excitavit, quod tum in
patria tum in aliis regionibus late propagavit. Missionarius in Iaponiam
adveniens, christianam fidem sub eiusdem Virginis Immaculatæ auspiciis ac
patrociniis dilatare studuit. Tandem in Poloniam reversus, plurimasque in campo
de Oświęcim Cracoviensis districtus perpessus ærumnas, immani sæviente populorum
conflictu, actuosam vitam in holocaustum caritatis die 14 augusti 1941
consummavit.
Lectio altera
Ex Epístolis
sancti Maximiliáni Maríæ Kolbe
(O. Joachim Roman Bar, O.F.M. Conv., ed., Wybór Pism,
Warszawa 1973, 41-42; 226)
Cum autem Dei
glória in animárum salúte, quas Christus próprio sánguine redémit, quam máxime
respléndeat, áltius ac præcípuum apostólicæ vitæ stúdium illud esto,
quamplúrium animárum salútem immo et altiórem sanctificatiónem procuráre. Quæ vero in hunc
finem áptior præsto sit via, scílicet ad divínam comparándam glóriam necnon
plurimárum animárum sanctificatiónem, paucis dicam. Deus, qui infiníta sciéntia
ac sapiéntia est, adeóque quid a nobis contínuo præstándum sit ut eius adaugeátur
glória óptime novit, voluntátem suam nobis per suos in terris vices geréntes,
ut plúrimum, maniféstat.
Quæ ómnia expedítius
per Vírginem Immaculátam obtinébimus, cui Deus benigníssimus suæ dispensatiónem
misericórdiæ commísit. Nullum équidem
dúbium, quin Maríæ volúntas ipsíssima Dei volúntas nobis sit. Cumque
nosmetípsos eídem dedicámus, instruménta in eius mánibus, quemádmodum et ipsa
in Dei mánibus, divínæ misericórdiæ effícimur. Sinámus ítaque nos ab ea dírigi,
sinámus ab ea manudúci, simúsque sub eius ductu quiéti ac secúri: cuncta enim
nobis ipsa prospíciet, cuncta providébit, córporis animíque necessitátibus
prompta succúrret, difficultátes et angústias ipsa removébit.
H.
Maximiliaan Maria Kolbe, priester en martelaar
Inleiding
Maximiliaan
Maria Kolbe werd op 8 januari 1894 in Polen geboren. Hij trad op jeugdige
leeftijd in bij de minderbroeders-conventuelen en werd in 1918 te Rome priester
gewijd. In zijn vurige liefde tot de Moeder Gods stichtte hij een vereniging
onder de naam van ‘Ridderschap van de Onbevlekte’. Voor de opbouw van zijn orde
vervulde hij verschillende bedieningen
en was een bezield en begaafd novicenmeester. Als missionaris in Japan zette
hij zich in voor de uitbreiding van het christelijk geloof. Na zijn terugkeer
in Polen heeft hij tijdens de tweede wereldoorlog veel leed en ellende
doorstaan in het concentratiekamp Auschwitz. Daar kwam op 14 augustus 1941 een
einde aan zijn werkzaam leven, dat hij opofferde om het leven van een
medegevangene te redden.
Tweede lezing
Uit de brieven van de H. Maximiliaan Maria
Kolbe, priester en martelaar.
(O. Joachim Roman Bar, O.F.M. Conv., ed.
Wybór Pism, Warszawa 1973, 41-42; 226)
Apostolische ijver voor de
redding en de heiliging der zielen
Ik
ben vol vreugde, geliefde broeder, over uw brandende ijver voor Gods eer. In
onze tijd zien wij met verdriet een epidemische ziekte, die men indifferentisme
heeft genoemd, zich onder verschillende gedaanten voortplanten, niet alleen
onder de mensen in de wereld maar ook onder de leden van religieuze
gemeenschappen. Daar nu God oneindige eer waardig is, is het onze dringendste
taak, Hem de hoogste eer te brengen waartoe onze zwakke kracht in staat is,
want wij zullen immers nooit in staat zijn God passend te eren zolang wij
schepselen in ballingschap zijn.
Daar
Gods eer het heerlijkst straalt in het heil der zielen, die Christus met Zijn Bloed
heeft verlost, moet dit verhevenste en voornaamste streven van het apostolische
leven zijn: voor zoveel mogelijk zielen het heil en een voortgaande heiliging
te bevorderen. Welke de beste weg is naar dit doel, de heiliging van een
menigte van zielen, zal ik nu kort uiteenzetten. God, die oneindig is in kennis
en wijsheid, weet volkomen hoe wij kunnen bijdragen tot de vermeerdering van
Zijn eer; Hij maakte ons Zijn wil bekend en wel door middel van degenen die ons
namens Hem op aarde besturen.
Derhalve
leren wij de wil van God alleen in en door gehoorzaamheid kennen, maar wanneer
een superieur dwaalt kan het natuurlijk niet zo zijn dat ook wij in dwaling
vallen. Dan alleen behoeven wij niet te gehoorzamen, wanneer een superieur iets
leert, dat tegen de Wet van God ingaat; in zo’n geval is hij geen trouwe
verklaarder van Gods wil.
Deze
God, die alleen is, een oneindige, wijze, heilige en barmhartige Heer, is
Schepper en Vader, begin en einde, macht en liefde; dit alles is deze God. En
wat buiten God bestaat is alleen van waarde voor zover het op Hem betrokken
wordt, die de Schepper aller dingen en de Verlosser der mensen is; Hij is de
laatste bestemming der gehele schepping. Hij is het die ons Zijn aanbiddelijke
wil bekend maakt door Zijn plaatsvervangers en ons tot Zich trekt en door ons
andere zielen tot Zich wil trekken en in een volmaaktere liefde met Zich wil
verenigen.
Zie
toch, broeder, hoe groot door Gods barmhartigheid de waardigheid van ons mensen
is. Door gehoorzaam te zijn reiken wij tot buiten onze beperkingen en kunnen
wij werkelijk de wil volbrengen van God, die in Zijn oneindige wijsheid en
voorzienigheid ons zó bestuurt dat wij het goede doen. Door trouw te zijn aan
de wil van God - welke geen schepsel kan weerstaan – worden wij sterker dan
alles om ons heen.
Dit
is het pad der wijsheid, dit is de enige weg om God de hoogste eer te bewijzen.
Indien er een andere en betere weg was, zou Jezus Christus die zeker in woord
en voorbeeld aan ons hebben gewezen. Maar de H. Schrift heeft ons de wijze
waarop Hij in Nazareth leefde, met deze woorden op het hart gebonden: “Hij was
hun onderdanig” en beschrijft daarmee tevens hoe Hij de rest van Zijn leven in
gehoorzaamheid zou volbrengen, door op allerlei plaatsen te tonen dat Hij op
aarde was gekomen om de wil van Zijn Vader te doen.
Laten
wij daarom die allerbeminnelijkste Vader liefhebben; moge onze gehoorzaamheid
het teken zijn van de volmaakte liefde, die van ons wordt gevergd als offerande
van onze eigen wil. Wij hebben immers geen heerlijker (leer)boek, dat ons in de
liefde van God kan doen vorderen, dan de gekruisigde Christus.
Dit
alles kunnen wij verkrijgen door de bemiddeling van de Onbevlekte Maagd, aan
wie God in Zijn grote welwillendheid de beschikking over Zijn barmhartigheid
heeft toevertrouwd. Er is geen enkele twijfel, dat de wil van Maria voor ons de
wil van God Zelf is. Wanneer wij ons aan Haar opdragen worden we in haar handen
werktuigen van Gods liefde, zoals Zij dat ook in Zijn handen is. Laten wij ons
door Haar besturen, door Haar leiden; onder Haar geleide zijn wij gerust en
veilig; Zij beschermt ons immers altijd, zorgt voor alles, Zij staat ons zonder
dralen bij met alles wat wij naar lichaam en ziel behoeven, zij zal alle
moeilijkheden en benauwenissen van ons wegnemen.
14 augustus H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en martelaar "Hij offerde zijn leven"
14 augustus H. Maximiliaan Maria Kolbe, priester en
martelaar
Pater Maximiliaan offert zijn leven
“Wij hebben immers geen
heerlijker (leer)boek, dat ons in de liefde van God kan doen vorderen, dan de
gekruisigde Christus” (Pater Kolbe)
De
tien veroordeelden staan daar, afgescheiden van de anderen, ze kunnen geen
woord meer zeggen. Plotseling verstoort een ongewone beweging en een onderdrukt
gefluister de dodelijke stilte, die als een nachtmerrie drukt op de gevangenen
van blok 14. Een man, of beter een nummer, stapt kordaat uit de rijen van de
andere nummers en gaat regelrecht op de kommandant van het kamp af. Het is
pater Maximiliaan Maria Kolbe. Waardig, rechtop, met op zijn gelaat een diepe
rust, gaat hij recht tegenover de kommandant staan.
Dr. N. Wlodarski, die op
korte afstand van pater Maximiliaan stond, heeft de woorden neergelegd in zijn
getuigenverklaring: “Na de keuze van de tien gevangenen verliet pater
Maximiliaan de rij en na zijn muts te hebben afgenomen, ging hij in de houding
staan voor de kommandant. Deze, verbaasd, richtte zich tot pater Maximiliaan en
zei: “Wat wil dit Poolse zwijn?”
Pater Maximiliaan wees
naar Frans Gajowniczek, die al uitgekozen was om te sterven, en antwoordde: “Ik
ben een Poolse katholiek priester. Ik ben al oud. Ik wil zijn plaats innemen,
want hij heeft vrouw en kinderen”. De kommandant was zó verwonderd, dat het
leek alsof hij de kracht niet meer kon opbrengen nog een woord te zeggen. Even
later sprak hij dit ene woord: “Raus” en met een wenk van zijn hand gaf hij
Gajowniczek opdracht zijn plaats in de rij weer in te nemen”.
De algemene indruk die
deze daad van heldenmoed bij de aanwezigen wekte wordt in een verklaring
weergegeven door dr. Stemler: “Zijn
invloed voelde ik nog veel krachtiger na deze gebeurtenis die het kamp
in hevige beroering had gebracht. Pater Kolbe offerde toen zijn leven voor een
ander. Dezelfde avond was het nieuws in heel het kamp bekend. Het offer van
pater Kolbe maakte diepe indruk op de gevangenen, want in het kamp kende men
praktisch geen naastenliefde”.
De autoriteiten van het
kamp waren verbijsterd. In de geschiedenis van het kamp is dit het enige geval
geweest dat een gevangene vrijwillig zijn leven gaf voor een ander.
Na
het appèl werden de veroordeelden onder geleide naar de bunker gebracht om er
van honger om te komen. Hier kwam geen mens levend uit. Er was geen enkele
verbinding met de buitenwereld; alleen de bewakers kwamen er binnen voor de
dagelijkse controle, nooit om te helpen, wel om te vernederen en met vulgaire,
godslasterlijke woorden te ontmoedigen en zelfs, om geweld te plegen en te
vermoorden.
Een Poolse veroordeelde,
die in de kelder de laagste maar dringende werkzaamheden had te doen zou nog
berichten door kunnen geven. De bunker werd echter zo streng bewaakt dat men er
zelfs niet in de buurt kon komen. De Voorzienigheid beschikte het echter zó dat
die Pool er was in de persoon van Bruno Borgowiec, die tolk en secretaris was
in de hongerbunker. Hier volgt de beknopte weergave van zijn verklaring in het
canonieke proces te Warschau: (…) “Nadenkend over het heldhaftige gedrag van
deze man, die zelfs de bewakers van de Gestapo in bewondering bracht, herinner
ik mij heel nauwkeurig de laatste dagen van zijn leven.
Blok
13, gelegen in het rechtergedeelte van het kamp, was omgeven door een muur van
zes meter hoogte. In de kelders waren cellen. Gelijkvloers was het verblijf van
het tuchtcommando. Enkele cellen hadden britsen en venstertjes, anderen hadden
het een noch het ander en waren donker.
In
juli 1941, na het avondappèl werden de tien gevangenen van blok 14 naar een van
deze cellen gebracht. Na het commando zich vóór het blok helemaal uit te
kleden, werden zij in de kelder geduwd, waarin zich reeds ongeveer twintig
anderen slachtoffers van het laatste proces bevonden. De nieuwelingen werden in
een aparte cel gebracht onder hoongelach van de bewakers en de opmerking: “Ihr
werdet eingehen wie die Tülpen!” (Jullie zullen verwelken als de tulpen). Vanaf
die dag kregen de ongelukkigen niet meer het minste voedsel.
Iedere
dag, wanneer de bewakers de ronde deden en opdracht gaven de lijken te
verwijderen was ik bij de controle aanwezig om de dodenlijst bij te houden en
de gesprekken met de gevangenen uit het Pools te vertalen.
Uit
de cel waar de ongelukkigen zaten, hoorde men iedere dag de gebeden, die hardop
werden gebeden, de rozenkrans en godsdienstige liederen, terwijl de gevangenen
van de andere cellen meededen. Na het vertrek van de bewakers ging ik de kelder
in om met mijn makkers te praten en hen te troosten. De vurige gebeden en
gezangen ter ere van de allerheiligste Maagd waren in heel de kelder te horen.
Het was voor mij alsof ik in een kerk was. Pater Maximiliaan begon en alle
anderen antwoordden. De bewakers brulden.
Bij het openen van de
cellen, huilden de arme ongelukkigen en smeekten om een stuk brood en een
beetje water. Dit werd steevast geweigerd. Iemand die zich bij de deur waagde
kreeg onmiddellijk trappen in zijn buik, zodat hij achterover viel op het
cement en dood bleef liggen of hij werd doodgeschoten.
Welke
marteling deze gevangenen moesten ondergaan getuigen de emmers… zij waren
altijd leeg en droog…
Pater
Maximiliaan, zaliger gedachtenis, gedroeg zich heldhaftig. Hij vroeg niets en
beklaagde zich nergens over. Hij bemoedigde de anderen, bleef de gevangenen hoop
geven dat de vluchteling alsnog gevonden zou kunnen worden en zij bevrijd.
Steeds
zwakker wordend, begonnen zij zwakker te bidden. Bij ieder bezoek, toen ze
bijna allemaal op de grond lagen uitgestrekt, zag men pater Maximiliaan Kolbe
rechtop staan of midden tussen zijn lotgenoten knielen, terwijl hij rustig en
kalm naar de bezoekers keek. De bewakers kenden zijn offer en wisten ook dat
allen die met hem waren, onschuldig stierven. Daarom hadden ze respect voor
pater Kolbe en zeiden onder elkaar: “Der Pfarrer dort is doch ein ganz
anständiger Mensch. So einen haben wir hier noch nicht gehabt” (Die priester
daar is toch wel een heel nette man. Zo iemand hebben we hier nog niet gehad).
Dr.
N. Wlodarski, die het hoofd van de bunker, een Duitser, moest verzorgen,
getuigt van deze te hebben gehoord dat pater Kolbe in de bunker langer leefde
dan de anderen, dat hij de gevangenen opbeurde en met hen bad. Het hoofd noemde
pater Kolbe een uitzonderlijk moedig man, een bovenmenselijke held, zonder
meer. Hij benadrukte ook dat de persoon van pater Kolbe en zijn rust grote
indruk maakten op de SSers, die een vluchtige blik in de bunker wierpen. Hij
zei dat het voor de SSers gewoonweg een psychische schok betekende.
De Poolse Bruno Borgowiec
vervolgt: “Zo gingen er twee weken voorbij. Intussen stierven de gevangenen de
een na de ander, zodat er op het einde van de derde week slechts vier
gevangenen overbleven, onder wie pater Kolbe. De autoriteiten vonden dit te
lang duren: de cel was nodig voor andere slachtoffers.
Op zekere dag (14
augustus) brachten zij daarom het hoofd van de ziekenzaal, de misdadige Duitser
Boch, mee, die aan ieder een injectie phenolzuur gaf in de linkerarm. Terwijl
hij bleef bidden bood pater Kolbe uit eigen beweging zijn arm aan aan de beul.
Omdat ik het niet meer kon aanzien, ging ik onder voorwendsel op het kantoor te
moeten werken, naar buiten.
Toen
de bewakers met de beul waren vertrokken, keerde ik weer terug naar de cel en
zag ik pater Kolbe tegen de muur zitten, de ogen open en het hoofd naar links
gebogen (zijn gewone houding). Zijn helder en mooi gelaat straalde.
Met de barbier van het
blok, de heer Chlebik uit Karwina, droeg ik het lichaam van de held naar het
bad. Hier werd hij in een kist gelegd en naar de dodencel gebracht van de
gevangenis.
Zo stierf de priester, de
held van het kamp van Auschwitz, die spontaan zijn leven gaf voor een
huisvader, kalm en rustig, biddend tot het laatste ogenblik.
In het kamp werd nog
maandenlang gesproken over de heldhaftige daad van de priester. Bij iedere
terechtstelling dacht men aan de naam van pater Maximiliaan Kolbe.
De
indruk die dit alles op mij maakte, zal diep in mijn geheugen gebeiteld
blijven”.
In
een korte verklaring vulde de heer Bruno Borgowiec nog aan:
“Zijn
lichaam was smetteloos schoon en glanzend wit. Door zijn houding zou iedereen
getroffen zijn en zich gewaand hebben voor een heilige te staan. Zijn gelaat
straalde rust uit, in tegenstelling tot de anderen die bevuild op de grond
lagen met de tekenen van het lijden op hun gelaat”. (Proces Warschau, fol. 179)
De
eerwaarde heer Szweda, die als ziekenverpleger dienst deed, getuigde:
“Toen
ik de ijzeren deur opende, leefde hij niet meer; maar het leek mij alsof hij
levend was. Het gelaat straalde op een buitengewone wijze. Zijn ogen stonden
wijd open en geconcentreerd naar één punt. Heel zijn figuur was als in extase.
Dit schouwspel zal ik nooit vergeten”.
Pater
Maximiliaan Maria Kolbe stierf op 14 augustus 1941, de vigiliedag van het
Hoogfeest van Maria Ten Hemelopneming. In zijn leven en lijden was hij op een
bijzondere wijze met de Onbevlekte Maagd en Moeder Gods verbonden. Op de dag
zelf van Maria Ten Hemelopneming (vrijdag 15 augustus) werd het stoffelijk
overschot naar het crematorium gebracht en verbrand.
Dit verslag en een uitvoerig
overzicht van het leven van pater Kolbe zijn te vinden in: Willibrord M.
Lendemeijer O.F.M. Conv., Maximiliaan
Kolbe stierf uit liefde. Uitg. Ridderschap der Onbevlekte, Neeritter (L), 2e
druk, 1974.
vrijdag 14 augustus 2020
Abonneren op:
Posts (Atom)




