Posts tonen met het label H. Franciscus van Sales. Alle posts tonen
Posts tonen met het label H. Franciscus van Sales. Alle posts tonen

zondag 23 januari 2022

Franciscus van Sales - "Wáár we ons ook bevinden, kunnen en moeten we ons op de volmaaktheid toeleggen!”


Sint Franciscus van Sales:

“Ubicumque locorum sumus, ad vitam perfectam aspirare et debemus et possumus!”

"Wáár we ons ook bevinden, kunnen en moeten we ons op de volmaaktheid toeleggen!”

Uit de Inleiding tot het godvruchtig leven van de H.Franciscus van Sales (Dl 1, hfdst. 3)

Zelfbeheersing, zelfoverwinning en versterving. "God heeft de mens goed geschapen".


“God heeft de mens goed geschapen”, zo zegt het oudtestamentische Boek Kohelet, Prediker. De mens was volmaakt toen hij voortkwam uit de handen van de Schepper. Hij was met bovennatuurlijke genaden uitgerust en zijn natuurlijke gesteltenis was verheven door buitennatuurlijke gaven. De oerzonde met de erfzonde in haar gevolg hebben deze heerlijke harmonie te niet gedaan. De heiligmakende genade ging verloren, maar kon echter door berouw en boete weer worden teruggewonnen. De buitengewone gaven echter gingen voor altijd verloren en de natuurlijke gesteltenis van de mens werd verstoord.
Het verstand is verduisterd, de wil beschadigd, de krachten die moeilijkheden het hoofd moesten bieden werden verzwakt, de krachten die de begeerlijkheid regelden richtten zich ongeordend op hetgeen lust bracht. Aldus bespeuren we de gespletenheid in ons die Paulus in het zevende hoofdstuk van de Romeinenbrief aangrijpend schildert: “Ik doe niet wat ik wil, maar ik doe wat ik niet wil. Wie zal mij redden van dit bestaan ten dode?“ (Cf 7,19.24) Het is goed om in deze liturgische tijd van boete en versterving nog eens te kijken naar de strijd die we met onze zinnelijkheid moeten aangaan.
We moeten ons los maken van de boeien waarmee de zinnelijkheid ons gevangen houdt. Want de ongeordende zinnelijkheid ketent de geest, ketent het verstand, ketent de wil. “Biedt uw lichaam als een levend, heilig, aan God welgevallig offer aan“ maant de apostel Paulus in dezelfde Brief (12,1). Het lichaam kan echter slechts een zodanig heilig, levend en aan God welgevallig offer zijn, als het aan de wet van de Geest is onderworpen, en wanneer de zinnelijkheid niet de geest en de bevelen van het verstand en de wil domineert. 
Het lichaam verdient eerbied; het is immers het instrument van de Geest waarmee we op weg naar de hemel zijn. Het lichaam is het vehikel of het voertuig waarvan God zich bedient om zijn genade mee te delen: alle sacramenten zijn immers aan het lichaam gebonden. Het lichaam is bestemd eens te worden opgewekt. Om die reden worden in de heilige Communie als het ware verrijzeniskiemen in ons gelegd, ontvangen we in de heilige Communie het onderpand voor de verheerlijking van het lichaam zoals de ad Magnificat-antifoon op Sacramentsdag het zo het kernachtig uitdrukt: O sacrum convivium, in quo Christus sumitur; recolitur memoria passionis eius, mens impletur gratia et futuræ gloriæ nobis pignus datur – O heilig Gastmaal, waarbij Christus onze spijs en drank is, de gedachtenis aan zijn lijden wordt geëerd, de genade bezit neemt van ons hart en ons het onderpand voor de toekomstige heerlijkheid wordt geschonken.
Onze Heer en Verlosser heeft zelf een lichaam aangenomen om daardoor ook het lichamelijke leven te veredelen en te verheffen. Maar het lichaam moet van de boeien van de zinnelijkheid worden bevrijd. Bij dit streven moet men enkele regels in het oog houden. We mogen het lichaam niet overmatig kastijden. We mogen het niet op een ongeordende manier verzwakken. De verstandige leermeester van het geestelijk leven, de heilige Franciscus van Sales zegt: “Het is beter de krachten van het lichaam te sparen dan deze overdreven te verzwakken“. Daarbij gebruikt heeft hij een mooie vergelijking: “Herten kunnen niet goed lopen als ze ofwel te vet ofwel te mager zijn“. Zo worden wij ook het meest aan de bekoringen blootgesteld wanneer wij ons lichaam te veel of te weinig toestaan. Bij de strijd tegen de verlokkingen van het vlees moet men een gulden middenweg betrachten. De krachten van het lichaam moet men zo in stand houden dat het een deugdelijk instrument van de Geest kan zijn, maar het mag ook niet zo gekoesterd worden dat het opstandig wordt. De mensen hebben altijd geweten dat het lichamelijke leven onder het gezag van de Geest staat. Van de Pythagoreeërs wordt verhaald dat zij heerlijke gerechten lieten aandragen, lekkere spijzen; en na van de aanblik ervan te hebben genoten deze weer lieten wegdragen om hongerig heen te gaan. Deze mannen wisten van zelfbeheersing en van strijd tegen de begeerte, begrepen iets van zelfoverwinning en versterving.

Versterving is geen vijandin van het leven, maar een vriendin. Verstorven wordt niet wat goed is, maar wat slecht is.­ Juist die begeerten die schadelijk zijn voor de mens worden beteugeld. Het christendom is geen duistere religie. Ht christendom is wezenlijk een religie van de vreugde. “Alles is van u“, dat is de eerste zin, “maar gij zijt van Christus“, dat is de tweede zin. Een christen mag ook vrolijk genieten, maar hij moet de grenzen kennen.  Hij  moet beseffen dat het genot hem niet mag domineren. Het lichaam moet tot een geschikt werktuig van de geest  worden gemaakt. Men kan hier ook teveel van het goede doen, en menig heilige heeft teveel van het goede gedaan. De heilige Franciscus van Sales stierf, 44 jaar oud, in de bloei van zijn leven. Waarom? Omdat hij zichzelf te gronde had gericht door bovenmatige inspanningen, vasten, ontberingen, hij was bijna blind. Vele heiligen hebben erkend dat zij in hun jeugd, in hun  grote ijver God te dienen en zichzelf tot een gehoorzaam instrument van de genade te maken, teveel van het goede hebben gedaan, zoals bijvoorbeeld de heilige Bernardus dat openlijk heeft uitgesproken. Ze zijn echter niet heilig geworden omdat zij deze gestrengheid op zich hebben genomen maar ondanks deze overdreven gestrengheid tegenover zichzelf. Dit is echter geen tegenargument ten opzichte van versterving. Versterving is altijd noodzakelijk! We moeten alle ongeregelde neigingen in ons versterven. De heilige Teresa van Avila zegt: “De twee voeten waarmee men op de weg naar de volmaaktheid wandelt zijn versterving en liefde tot God. De ene (versterving) is de linker voet, en de andere  (de liefde tot God) is de rechter voet“. Dus zonder versterving gaat het niet en versterving en liefde horen innig bijeen.    
Er zijn ook regels hoe en welke verstervingen men uitkiest. Opnieuw kan de geniale leraar van het geestelijke leven, de heilige Franciscus van Sales, ons daarbij richting geven. Hij zegt dat men die verstervingen moet kiezen die het meest haaks staan op onze natuurlijke neigingen. We weten wel ongeveer waar onze zwakheden liggen. Dat is ons door gewetensonderzoek en door ons biechten wel bekend. We moeten dus daar beginnen waar onze natuurlijke neigingen ons het meest in gevaar brengen. En nog een belangrijke wenk van de heilige Franciscus: de verstervingen die van buiten op ons af komen, die ons door God of door onze omgeving worden opgelegd, zijn te verkiezen boven die welke wij onszelf willen opleggen. De eerste hebben meer waarde, omdat zij namelijk niet vermijdbaar zijn en de eigen will niet in het geding is. De tweede kunnen worden toegevoegd, maar ze hebben  niet die waarde van de eerste.
Zich versterven is op vele manieren mogelijk. Er zijn inwendige en uitwendige verstervingen. De inwendige betreft de opvoeding van de eigen wil, de beheersing van de drijfveren die vanuit het inwendige opbreken; de uitwendige versterving richt zich op uiterlijke dingen. Met de heilige Vincentius de Paul moet men zeggen: “De versterving van de eetlust is het ABC van het geestelijke leven“. Dat betekent dat iemand die zich niet kan beheersen bij het eten al helemaal niet hoeft te beginnen naar de volmaaktheid te streven. Beheersing van de eetlust is het ABC van het geestelijke leven. We moeten dus in eten en drinken maat houden, we moeten met minder delicate spijzen tevreden zijn. We moeten ook geen commentaar geven op het eten dat ons wordt voorgezet. Vooral moet men het “snoepen“ achterwege laten. “Snoepen“ is niet alleen een kleine overtreding van kinderen, maar “snoepen“ is dat ook bij volwassenen, die immers gemakkelijk kunnen uitzoeken wat zij begeren terwijl kinderen aangewezen zijn op wat hen wordt aangeboden. Om die reden is het “snoepen“ bij volwassenen gevaarlijker. Ook in roken en drinken moet men zich beheersen.
Ook bij het slapen en bij de ontspanning kan men zich versterven. Slaap is noodzakelijk, maar slechts in die mate die voor verkwikking nodig is. Ontspanning is nodig, maar slechts zoveel als voor het behoud van de gezondheid nodig is. Een gemakkelijk, aangenaam en doelloos leven rijmt niet met het christelijke volmaaktheidsstreven. Ook in onze werkzaamheden kunnen we ons versterven, vooral bij die noodzakelijk, maar niet aantrekkelijk zijn. Rusteloos bezig zijn, zich in dienst van God en de mensen tot het uiterste geven is God welgevallige versterving.
Vanzelfsprekend kunnen wij ons ook in het spreken versterven. Veel spreken is een groot gevaar voor onszelf en voor anderen. Niemand die zich niet weet te beheersen met zijn tong, zal zich op andere terreinen weten te beheersen. De tong is een klein orgaan, maar kan onmetelijke schade aanrichten als ze niet wordt beteugeld. De H. Jacobus is op dit punt zeer beslist in zijn Brief.   
Hier is versterving passend. Eigen lof onderdrukken we al helemaal. Een grappige opmerking die in het gesprek past maar de lachers op onze hand brengt laten we vallen. Dat is versterving bij het spreken.
Willen we werkelijk vorderingen maken op de weg van de volmaaktheid, het lagere in ons overwinnen en voor het hogere ons inspannen, dan moeten we de strijd tegen de ongeordende begeerten aangaan.
We moeten met ons lichaam strijden en vechten, om de geest de vrije ruimte te bieden die nodig is om het eeuwige doel te bereiken. We willen alles waartoe we bij machte zijn doen om onszelf krachtig de teugel aan te leggen, onszelf  liever hier en nu te tuchtigen en ook met de boze driften de af te rekenen, dan ons later te laten straffen.
Bew. en vert. van een preek van prof. dr. Georg May, pr.

Over de versterving en de beheersing van de ogen in een volgende bijdrage.

24 januari De H. Franciscus van Sales, bisschop en kerkleraar - enkele citaten

24 januari De H. Franciscus van Sales, bischop en kerkleraar
Citations de Saint François de Sales

 La vraie vertu n'a point de limites, elle va toujours outre.
Saint François de Sales ; Traité de l'amour de Dieu, III, 1 (1616)

La vraie amitié requiert la communication du bien et non pas du mal.
Saint François de Sales ; L'introduction à la vie dévote, III, 22 (1609)

Les petites actions qui procèdent de la charité sont agréables à Dieu.
Saint François de Sales ; Traité de l'amour de Dieu, III, 2 (1616)

Qui ne gagne, perd ; qui ne monte, descend.
Saint François de Sales ; Traité de l'amour de Dieu, III, 1 (1616)

La persévérance est le don le plus désirable que nous puissions espérer en cette vie.
Saint François de Sales ; Traité de l'amour de Dieu, III, 4 (1616)

24 januari - Sint Franciscus van Sales "U wilt dat ik U iets zeg over het gebed"


24 januari H. Franciscus van Sales 1567-1622

Martyrologium Romanum:
De gedachtenis van de heilige Franciscus van Sales, bisschop van Génève en kerkleraar, die als een ware zielenherder talrijke afgescheiden broeders en zusters terugbracht tot de gemeenschap van de katholieke Kerk, in zijn geschriften de christenen onderrichtte in de devotie en de liefde tot God en samen met de heilige Johanna de Chantal de Orde van de Visitatie stichtte. Hij leefde in nederigheid en gaf op 28 december te Lyon zijn ziel terug aan God. Op deze dag werd hij te Annecy bijgezet.
*
“Omnia omnibus factus est” – Alles voor allen geworden: geen groter eerbewijs kan de H. Kerk hem in het gebed op zijn gedachtenis vandaag geven. In woorden, werken en leven heeft hij de “mansuetudo caritatis” – de zachtmoedigheid die het kenmerk is van de liefde van Christus, in totale zelfonthechting en zonder enige pretentie voorgeleefd. De “wapens” van de H. Franciscus waren geen bliksemende excommunicaties en ook geen bekeringen met geweld, maar enkel en alleen die van de liefde. Dat komt ook terug in een van zijn deviezen: “Rien par force, tout par amour”- Niets met geweld, alles met liefde. Op grond van zijn consequent beleven van de hoogste der evangelische deugden werd hij “Docteur de l’amour” genoemd.

Als een vreedzaam veroveraar van de zielen doorkruiste hij stad en land, ging geen vermoeidheid, ontbering of barre weersomstandigheden uit de weg om de vlam van het geloof te ontsteken en de harten voor Christus te winnen. Want het juk van Christus en de lasten omwille van Christus op zich genomen, zijn licht. Ook voor de armen brandde zijn hart.

Franciscus van Sales is bekend om zijn preken en als schrijver van diverse werken op het terrein van de theologie en spiritualiteit waaronder de wijd verspreide “Introduction à la Vie Dévote” (1619) waarin mensen van alle maatschappelijke geledingen begrijpelijke instrumenten krijgen aangereikt om heilig te worden. Naast dit klassieke handboekje heeft zijn “Traité de l’amour de Dieu” – Verhandeling over de liefde Gods – een grote invloed gehad op het geestelijk leven van de Kerk.
Aan de religieuzen van de Visitatie gaf hij conferenties over het geestelijk leven, aan hun oversten wijze adviezen.
*
Uit de “Entretiens spirituels” - conferenties over het geestelijk leven:

U wilt dat ik u iets zeg over het gebed.
Sommigen begaan een grote vergissing, omdat ze menen dat er een methode nodig is om het goed te doen, en zij zich druk maken om een volgens hen noodzakelijke kunst aan te leren. Altijd maar zijn ze doende om hun manier van bidden fijn uit te spinnen en uit te stippelen hoe ze het doen en hoe ze het naar hun smaak kunnen doen: ze denken dat men niet mag hoesten of zich bewegen bij het gebed, opdat de Geest Gods zich maar niet terugtrekt: dit is een heel grote dwaasheid, alsof de Geest Gods zo krachteloos was, dat Hij het niet kon doen zonder methode en houding van hen, die hun gebed verrichten. Ik zeg niet, dat men zich niet moet bedienen van de aangewezen methoden, maar wel dat men er zich niet aan moet binden, zoals sommigen doen, die menen hun gebed niet goed verricht te hebben, als zij haar overdenkingen niet gehouden hebben vóór de gevoelens, die onze Heer hun geeft, terwijl toch de gevoelens het doel zijn waarom de beschouwingen worden gehouden. Zulke mensen hebben iets weg van degenen, die aangekomen ter plaatse, waar zij moeten zijn, terugkeren, omdat zij er niet zijn aangeland langs de weg die men hun gewezen heeft.
Toch moet men zich gewennen aan een grote eerbied bij het spreken met Gods Majesteit, daar zelfs de zo reine Engelen sidderen in Zijn tegenwoordigheid. Maar, zullen sommigen zeggen, bij God kan ik dat gevoel van Zijn tegenwoordigheid en van die grote nederigheid, die eruit voortvloeit niet steeds hebben, ook mis ik die gevoelige eerbied die mij voor God zo zoet en behaaglijk in het niet doet zinken. Maar dit is ook niet wat ik bedoel, ik heb het over de gevoelens in het hogere deel van de ziel, in de top van onze geest; daar moeten wij klein en nietig zijn voor God, welbewust van zijn onmetelijke grootheid en van onze mateloze kleinheid en onwaardigheid.
Ook moeten we een krachtig besluit maken om het gebed nooit na te laten, hoeveel moeilijkheden we er ook bij ondervinden, en er ook niet toe overgaan met bekommerde verlangens naar troost en voldoening. Zo maken we onze wil immers niet gelijkvormig en gelijkgericht met de wil van Onze Heer, daar het toch Zijn wil is, dat wij het gebed beginnen met het vaste besluit om er de last te ondergaan van de telkens terugkerende verstrooiingen, dorheden en gevoelens van afkeer, die ons overvallen, terwijl wij er even volhardend in zijn als wanneer wij er veel troost en rust in vonden. Het is toch volstrekt zeker, dat de grotere moeite, die het ons kost, ons gebed niet minder welgevallig doet zijn aan God, en het minder vruchten doet afwerpen voor onze ziel. Als we dus slechts onze wil geheel voegen naar de wil van Gods Majesteit, en blijven in een gesteltenis van zuivere bereidwilligheid om òf bij het gebed òf bij andere gelegenheden de uitwerkingen van Zijn welbehagen met liefde te aanvaarden, maakt Hij, dat alles voor ons heilzaam en voor het oog der goddelijke goedheid welgevallig is. U doet uw gebed dus goed, mijn dierbare dochters, als u zich vredig en rustig houdt bij Onze Heer of voor Zijn oog, zonder enige andere wens of een ander doel dan bij Hem te zijn en Hem voldoening te geven.
Het enige wat men bij het bidden te doen heeft is dus, dat men een of ander punt neemt uit het Leven, Lijden of Sterven van Onze Heer, want deze onderwerpen zijn het nuttigst en het komt uiterst zelden voor dat men niet vooruit kan met de overdenking van hetgeen Onze Heer heeft gedaan. Hij is de allerhoogste Leermeester, die door de eeuwige Vader in de wereld werd gezonden om ons te leren, wat wij te doen hebben. Daarom hebben wij niet slechts de verplichting ons te vormen naar dit goddelijk model, maar moeten wij ook bijgevolg nauwgezet Zijn daden bezien en ze navolgen, omdat  een van de meest verheven bedoelingen, die wij kunnen hebben bij al wat wij doen is, het te doen omdat Onze Heer het geeft gedaan d.w.z. de deugden heeft beoefend. Om dit goed te begrijpen moeten wij Zijn daden getrouw in onze gebeden wikken, bezien en overdenken, want als een kind zijn vader echt bemint, is het ook zeer genegen  om zich naar zijn gewoonten te schikken en hem na te volgen in alles wat hij doet.
Wat u zegt dat er zielen zijn die hun geest niet kunnen zetten op één mysterie afzonderlijk is waar. Zij worden aangetrokken tot een heel kalme enkelvoudigheid en blijven zo voor God in een grote rust, terwijl zij niets in hun gedachten hebben dan dat zij bij God zijn en dat het zo goed is. Deze zielen kunnen zo nuttig bezig zijn en dit is goed: maar, in het algemeen gesproken moet men het daarheen leiden dat alle zusters beginnen met die wijze van bidden, die het meest veilig is en leidt tot de levenshervorming en verandering van zeden, en dit is de door ons genoemde methode van het overwegen van de mysteries van het Leven en de Dood van onze Heer: men gaat daar veilig voort. Men moet zich dus zeer ter goeder trouw met onze Meester bezighouden om te achterhalen wat Hij wil, dat we doen. Degenen, die zich van hun verbeelding kunnen bedienen, moeten dit ook doen, maar met mate, heel eenvoudig en kort. De heilige Vaders hebben ons meerdere godvruchtige en devote beschouwingen nagelaten, waarvan men zich met dit doel bedienen kan; want hebben deze heilige en grote mannen het met vrucht gedaan, dan mogen wij het ook aandurven. Zulke mensen van groot gezag kan men veilig volgen.
Wij moeten onze besluiten maken in de gloed van ons gebed, als de Zon der gerechtigheid (Mal 4,2) ons verlicht en ons stuwt door zijn ingeving. Ik zeg niet dat wij hiervoor grote gevoelens en vertroostingen behoeven, hoewel wij verplicht zijn er ons voordeel mee te doen en eraan te beantwoorden, als Hij ze ons geeft. Maar doet Hij dit niet, dan mag onze trouw niet wijken, maar moeten wij volgens het verstand en Gods wil leven door onze besluiten te maken in de top van onze geest en met het hoger deel van onze ziel, en de verwezenlijking en doorvoering ervan niet achterwege laten als dorheid of tegenzin zich zouden voordoen. Zie hier dus de eerste wijze van mediteren, die door verschillende grote heiligen werd beoefend en zeer goed is, als zij gedaan wordt zoals het behoort.
De tweede wijze van mediteren is om geen voorstellingen te maken, doch zich stipt aan de letter te houden d.w.z. enkel en alleen het Evangelie en de geheimen van ons geloof te overwegen en zich zonder voorstellingen heel intiem en eenvoudig met Onze Heer te onderhouden over hetgeen Hij voor ons heeft gedaan en geleden. Deze manier is hoger en beter dan de eerste, zij is ook ongetwijfeld heiliger en veiliger. Daarom moet men zich er gemakkelijk toe laten bewegen, zodra men zich ertoe voelt aangetrokken door hoe men ook bidt zijn geest steeds in een heilige vrijheid te bewaren, teneinde de verlichtingen en stuwingen die God ons dan schenkt, te kunnen volgen.
Verder zou ik ten aanzien van hogere graden van gebed liefst hebben dat u er niet uit u zelf mee begint, maar er het oordeel van uw leidsman over vraagt, tenzij God ze u onweerstaanbaar schenkt.


Deze en andere conferenties in “Saint Franciscus van Sales, Conferenties over het geestelijk leven”. Uit het Frans vertaald door prof. J. H. Niekel. Voorhout, 1941.

24 januari H. Franciscus van Sales 1567-1622



Martyrologium Romanum:

De gedachtenis van de heilige Franciscus van Sales, bisschop van Génève en kerkleraar, die als een ware zielenherder talrijke afgescheiden broeders en zusters terugbracht tot de gemeenschap van de katholieke Kerk, in zijn geschriften de christenen onderrichtte in de devotie en de liefde tot God en samen met de heilige Johanna de Chantal de Orde van de Visitatie stichtte. Hij leefde in nederigheid en gaf op 28 december te Lyon zijn ziel terug aan God. Op deze dag werd hij te Annecy bijgezet.
*
“Omnia omnibus factus est” – Alles voor allen geworden: geen groter eerbewijs kan de H. Kerk hem in het gebed op zijn gedachtenis vandaag geven. In woorden, werken en leven heeft hij de “mansuetudo caritatis” – de zachtmoedigheid die het kenmerk is van de liefde van Christus, in totale zelfonthechting en zonder enige pretentie voorgeleefd. De “wapens” van de H. Franciscus waren geen bliksemende excommunicaties en ook geen bekeringen met geweld, maar enkel en alleen die van de liefde. Dat komt ook terug in een van zijn deviezen: “Rien par force, tout par amour”- Niets met geweld, alles met liefde. Op grond van zijn consequent beleven van de hoogste der evangelische deugden werd hij “Docteur de l’amour” genoemd.

Als een vreedzaam veroveraar van de zielen doorkruiste hij stad en land, ging geen vermoeidheid, ontbering of barre weersomstandigheden uit de weg om de vlam van het geloof te ontsteken en de harten voor Christus te winnen. Want het juk van Christus en de lasten omwille van Christus op zich genomen, zijn licht. Ook voor de armen brandde zijn hart.
Franciscus van Sales is bekend om zijn preken en als schrijver van diverse werken op het terrein van de theologie en spiritualiteit waaronder de wijd verspreide “Introduction à la Vie Dévote” (1619) waarin mensen van alle maatschappelijke geledingen begrijpelijke instrumenten krijgen aangereikt om heilig te worden. Naast dit klassieke handboekje heeft zijn “Traité de l’amour de Dieu” – Verhandeling over de liefde Gods – een grote invloed gehad op het geestelijk leven van de Kerk.
Aan de religieuzen van de Visitatie gaf hij conferenties over het geestelijk leven, aan hun oversten wijze adviezen.
*

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Die 24 ianuarii S. Francisci de Sales


Die 24 januarii S. Francisci de Sales Episcopi et Ecclesiæ Doctoris
Memoria
Ad Officium lectionis

In Sabaudia anno 1567 natus est. Sacerdotio initiatus multa operatus est pro restauratione catholica in patria sua. Episcopus Genevensis electus, verum pastorem se præbuit erga clericos et fideles, ad fidem eos informans scriptis et operibus, exemplar omnibus factus. Mortuus est Lugduni, die 28 decembris anni 1622, sed hac die Annesii depositus
Lectio altera
Ex Introductióne ad vitam devótam sancti Francísci de Sales epíscopi
(Pars 1, cap. 3)


Tweede lezing
Ter inleiding
In 1567 in Savoie geboren, gaf Franciscus na zijn priesterwijding al zijn krachten aan het herstel van het katholieke geloof in zijn vaderland. Als bisschop van Genève toonde hij zich een ware herder, die door daad en geschrift geestelijkheid en gelovigen tot een diepere geloofsbeleving bracht en voor allen een voorbeeld was. Hij stierf op 28 december 1622 te Lyon en werd op 24 januari 1623 te Annecy begraven.


Uit de ‘Inleiding tot het devote leven’ van de heilige Franciscus van Sales, bisschop van Genève ( † 1622)
Op verschillende manieren moeten wij de devotie beoefenen.
Bij de schepping beval God aan de planten vrucht te dragen, ‘ieder naar zijn soort’ (Gen. 1, 11). Zo beval Hij ook aan de christenen, de levende planten van zijn kerk, vruchten van devotie voort te brengen, ieder naar zijn eigen aard en beroep.

Deze devotie moet op telkens andere manier worden beoefend door de edelman, de ambachtsman, de dienstknecht, de vorst, de weduwe, het jonge meisje en de gehuwde vrouw. Maar dat niet alleen: ook de praktijk van de devotie moet aangepast zijn aan de vermogens, de zakelijke situatie en de taak van ieder afzonderlijk. Ik bid u, Philothea, zeg mij of het gepast zou zijn dat een bisschop als een kartuizer in eenzaamheid zou willen leven? Zouden gehuwden net zo min als kapucijnen bezit willen verwerven? Zou een ambachtsman als een kloosterling de hele dag in de kerk willen zitten? Zou een kloosterling zich net als een bisschop de hele tijd moeten bezighouden met allerlei vergaderingen ten dienste van de evenmens? Toch komt deze fout vrij vaak voor!

Neen, Philothea, als de devotie echt is, doet ze aan niets afbreuk, maar maakt ze juist alles volmaakt. Als ze echter in tegenspraak komt met het rechtmatige beroep van iemand, is ze ongetwijfeld vals.

‘De bij’, zegt Aristoteles, ‘haalt haar honing uit de bloemen zonder ze aan te tasten.’ Zij laat ze intact en ongedeerd, zoals zij ze gevonden heeft. Maar de echte devotie doet het nog beter: niet alleen doet ze geen afbreuk aan enig beroep of enige zakelijke situatie, maar ze siert en verfraait ze. Alle soorten edelstenen krijgen, als men ze in honing dompelt, nog meer glans, iedere steen naar zijn eigen kleur. Zo wordt iedereen prettiger in zijn beroep als hij dit met devotie gepaard doet gaan: de zorg voor het gezin wordt rustiger, de liefde tussen man en vrouw oprechter, de trouw aan de dienst van de vorst groter. Alles waar men zich mee bezighoudt, wordt met grotere mildheid en liefde gedaan.

Het is een dwaling, ja zelfs een ketterij, het devote leven te willen verbannen uit een compagnie soldaten, uit de werkplaats van ambachtslieden, uit de hoven van vorsten, uit het huishouden van gehuwden. Weliswaar, Philothea, kan men een devotie die louter contemplatief is, of kloosterlijk, of religieus, niet in deze beroepen beoefenen; maar behalve deze drie soorten devotie zijn er nog diverse andere, die geëigend zijn om hen die in een wereldlijke staat leven, tot de volmaaktheid te brengen.

Waar wij ons ook bevinden, wij kunnen en moeten naar een leven van volmaaktheid streven.