Posts tonen met het label Dominica V Quadragesimae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica V Quadragesimae. Alle posts tonen
zondag 6 april 2025
Lezingen H. Mis 5e zondag van de veertigdagentijd, jaar C “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.”
Eerste lezing (Jes. 43, 16-21)
Uit de Profeet Jesaja.
Zo spreekt de Heer,
die door de zee een weg legt,
een baan door de onstuimige golven;
en die wagen en paard daarover laat gaan,
leger en strijdmacht, gesloten aaneen,
maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op,
uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit.
Denk niet meer aan het verleden
en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is:
Ik onderneem iets nieuws,
het begin is er al: ziet ge het niet?
Een weg leg Ik door de steppe,
rivieren laat Ik stromen door de woestijn.
De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben,
de jakhalzen en de struisvogels;
want door de steppe laat Ik beken stromen,
rivieren door de woestijn,
zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven:
en dit volk dat Ik mij gevormd heb
zal mijn lof verkondigen!
Tweede lezing (Fil. 3, 8-14)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters,
Ik beschouw alles als verlies,
want mijn Heer Jezus Christus kennen
gaat alles te boven.
Om Christus heb ik alles prijsgegeven
en houd ik alles voor afval
als het er om gaat Hem te winnen
en één te zijn met Hem.
Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet;
mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus,
ze is een gave van God en steunt op het geloof.
Ik wil Christus kennen,
ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden
en de gemeenschap met zijn lijden,
ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven
om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden.
Niet dat ik het al bereikt heb.
Ik ben nog niet volmaakt.
Maar ik streef er vurig naar het te grijpen,
gegrepen als ik ben door Christus Jezus.
Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn.
Alleen dit:
ik vergeet wat achter me ligt
ik reik naar wat voor me ligt
ik storm af op het doel:
de prijs van Gods heerlijke roeping.
.
Evangelie (Joh. 8, 1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerste een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
” Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.
Uit de Profeet Jesaja.
Zo spreekt de Heer,
die door de zee een weg legt,
een baan door de onstuimige golven;
en die wagen en paard daarover laat gaan,
leger en strijdmacht, gesloten aaneen,
maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op,
uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit.
Denk niet meer aan het verleden
en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is:
Ik onderneem iets nieuws,
het begin is er al: ziet ge het niet?
Een weg leg Ik door de steppe,
rivieren laat Ik stromen door de woestijn.
De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben,
de jakhalzen en de struisvogels;
want door de steppe laat Ik beken stromen,
rivieren door de woestijn,
zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven:
en dit volk dat Ik mij gevormd heb
zal mijn lof verkondigen!
Tweede lezing (Fil. 3, 8-14)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters,
Ik beschouw alles als verlies,
want mijn Heer Jezus Christus kennen
gaat alles te boven.
Om Christus heb ik alles prijsgegeven
en houd ik alles voor afval
als het er om gaat Hem te winnen
en één te zijn met Hem.
Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet;
mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus,
ze is een gave van God en steunt op het geloof.
Ik wil Christus kennen,
ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden
en de gemeenschap met zijn lijden,
ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven
om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden.
Niet dat ik het al bereikt heb.
Ik ben nog niet volmaakt.
Maar ik streef er vurig naar het te grijpen,
gegrepen als ik ben door Christus Jezus.
Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn.
Alleen dit:
ik vergeet wat achter me ligt
ik reik naar wat voor me ligt
ik storm af op het doel:
de prijs van Gods heerlijke roeping.
.
Evangelie (Joh. 8, 1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerste een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
” Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.
zondag 3 april 2022
Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica V Quadragesimæ Festum Domini proximum non verbis sed operibus implemus. Het komende Feest des Heren vieren wij niet met woorden maar met daden.
Ad Officium
lectionis
Lectio altera
Ex Epístolis paschálibus
sancti Athanásii epíscopi
(Ep. 14, 1-2: PG 26, 1419-1420)
Tweede lezing
Uit de Paas-brieven van de
H. Athanasius, bisschop
(Ep. 14, 1-2: PG 26, 1419-1420)
Het komende Feest des Heren vieren wij niet met woorden maar met
daden
Dat Woord is ons nabij, dat
alles voor ons is geworden, ik bedoel: Onze Heer Jezus Christus, die belooft
onafgebroken bij ons te zullen blijven.
Daarom roept Hij uit: Zie, Ik ben met u alle dagen der wereld. Maar
zoals Hij de Herder is, de Hogepriester, de Weg en de Deur, en tegelijk alles
voor ons geworden is, zo is ook dit feest en deze plechtigheid voor ons
zichtbaar geworden, zoals de zalige Apostel zegt: Ons Paaslam Christus is voor ons geslachtofferd, De Christus, die
werd verwacht. Maar het lichtte ook op bij het gebed van de Psalmist, toen hij
sprak: Mijn gejubel, ontrukt mij aan hen
die mij omringen. Dit is het ware
gejubel, dit is de echte plechtigheid, namelijk de uitbanning van alle kwaad.
Opdat eenieder daartoe kome, moet hij onberispelijk zijn en met zijn geest zich
oefenen in de rust, die in de vreze Gods opgesloten ligt.
Dat was ook het geval met de
heiligen: zolang zij leefden verheugden zij zich heel hun leven lang als op een
feest. Een van hen, namelijk de zalige David stond ‘s nachts op, niet eenmaal
maar zeven maal, en stemde God gunstig door zijn gebeden. Een ander, de grote
Mozes, verheerlijkte God in zijn gezangen en zong zijn lof om de overwinning op
de Pharao behaald en op hen, die de Hebreeën met zware arbeid onderdrukt
hadden. Later vervulden anderen met voortdurende vreugde hun heilig dienstwerk,
zoals de grote Samuël en de zalige Elias, die door de verdienste van hun
deugden de vrijheid verkregen en nu feest vieren in de hemel, terwijl zij zich
verblijden over hun vroeger pelgrimeren in schaduw, maar thans de waarheid
kunnen onderscheiden van de voorafbeelding.
Maar nu wij het plechtig
feest vieren, welke wegen zullen wij dan inslaan? En nu wij dit feest naderen,
wie zullen wij dan als leider hebben? Niemand anders voorzeker, mijn geliefden,
dan Hem, die gij zelf met mij onze Heer noemt, Jezus Christus, die zegt: Ik ben de weg. Hij is het zoals de
heilige Johannes zegt: die de zonden van
de wereld wegneemt. Hij zuivert onze zielen, zoals de profeet Jeremias
ergens zegt: Gaat op de wegen staan en
kijkt en ziet welke de goede weg is en op de weg zult gij zuivering vinden voor
uw zielen.
Vroeger was het bloed van
bokken en de besprenkeling met de as van een jonge koe over onreinen geschikt
slechts het lichaam te reinigen; maar nu wordt eenieder overvloedig gereinigd
door de genade van het Woord Gods. Als wij nu bereid zijn Hem te volgen, zal
het ons toegestaan zijn hier als in de voorhoven van het hemels Jeruzalem een
voorsmaak te hebben van het eeuwig feest; zoals ook de zalige Apostelen, die de
Verlosser als hun Leider volgden, en toen onze leermeesters waren van die
genade en die dit nu nog zijn; want zij zeiden: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Wij volgen
namelijk de Heer ook; en vieren het feest des Heren niet alleen met woorden
maar ook met daden.
Reeks “Oratio super munera" Vijfde zondag Veertigdagentijd II Addendum
Reeks “Oratio super munera -
Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd II
Aanvulling Vaderteksten
G e t u i g e n i s v a n
d e V a d e r s
BISSCHOP CYRILLUS, BISSCHOP VAN JERUZALEM
Het Doopsel, het teken van het
Lijden van Christus
Uit
de Catechesen gehouden te Jeruzalem
Deze
catechesen werden gehouden in de pas gereedgekomen H. Grafkerk te Jeruzalem en
traditioneel toegeschreven aan de H. Cyrillus, bisschop van Jeruzalem 348-386
Wij bewaren van hem vierentwintig
beroemde catechesen, die hij als bisschop tegen het jaar 350 gehouden heeft.
Ingeleid door een Pro-catechese
H. Cyrillus van Jeruzalem
Pro-catechese ()
Pro-catechese ()
als verwelkoming, zijn de eerste
achttien daarvan gericht aan de catechumenen, of photizomenoi, dat is: degenen die verlicht moeten worden. De
eerste (1-5) handelen elk respectievelijk over de gesteltenissen die voorafgaan
aan het Doopsel, over de bekering vanuit de heidense gewoonten, over het
sacrament van het Doopsel en over de tien dogmatische waarheden die vervat zijn
in het Credo of Symbolum (samenvatting) van het geloof. De volgende (6-18)
vormen een doorlopende catechese over het Symbolum van Jeruzalem, in
anti-ariaanse toonzetting. Van de laatste vijf (19-23), de
"mystagogische" genaamd, ontwikkelen de eerste twee een commentaar op
de riten van het Doopsel, en gaan de laatste drie over het chrisma, over het
Lichaam en Bloed van Christus en over de eucharistische liturgie. Daarin is de
uitleg opgenomen van het Onze Vader (Oratio
dominica): die vormt de basis van een initiatie in het gebed, die
parallel verloopt aan de initiatie in de drie sacramenten van het Doopsel, het
Vormsel en de Eucharistie.
Onderstaande catechese aan de neofieten
of pasgedoopten vond oplaats na het ontvangen van de bovengenoemde
initiatiesacramenten.
Gij
zijt naar het heilig bad van het goddelijk Doopsel geleid, zoals Christus
openlijk van het kruis naar het graf werd gedragen.
En eenieder van u werd ondervraagd, of hij
geloofde in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Gij hebt uw
heilzame belijdenis gedaan en werd driemaal ondergedompeld en zijt weer uit het
water opgerezen; en hier hebt gij in beeld en symbool de drie dagen van
Christus in het graf aangeduid.
Want zoals onze Verlosser drie dagen en
drie nachten in het binnenste van de aarde verbleef, zo hebt gij met de eerste
oprijzing uit het water de eerste dag en met de eerste onderdompeling de eerste
nacht uitgebeeld, die Christus in de aarde doorbracht. Want zoals hij, die in
de nacht ergens verblijft, niet langer kan zien, maar overdag in het licht
wandelt, zo hebt gij bij de onderdompeling als in de nacht niets gezien, maar
bij de oprijzing uit het water zijt gij als in het daglicht geplaatst; en op
hetzelfde moment waart gij dood en geboren, en dat heilzame water werd voor u
zowel een graf, als een moeder.
En wat Salomon van andere
levensomstandigheden zegt, is uitstekend op u van toepassing. Want hij zei: Er
is een tijd voor het baren en een tijd om te sterven. Voor u is dat juist
omgekeerd: er is een tijd om te sterven en een tijd om geboren te worden; hier
heeft de ene tijd beide bewerkt, en met uw dood viel uw geboorte samen.
O, wat een nieuw en ongehoord soort van
dingen! Wij zijn niet in werkelijkheid gestorven noch echt begraven, noch als
waarlijk gekruisigd verrezen; maar door het beeld werd de nabootsing ervan
uitgedrukt; maar in werkelijkheid is ons heil hieruit geboren.
Christus is waarlijk gekruisigd, waarlijk
begraven en waarlijk verrezen; en door de genade werd ons dit alles gegeven,
opdat wij, die door de uitbeelding deelachtig geworden zijn aan zijn lijden, in
waarheid het heil zouden verwerven.
O, wat een uitbundige liefde tot de mensen!
Christus heeft in zijn onbesmette handen en voeten de spijkers ontvangen en de
pijn doorstaan: en aan mij, onervaren in smart en lasten, schenkt Hij door de
deelname aan zijn smarten het heil.
Laat niemand dus menen, dat de Doop enkel
bestaat in de vergiffenis van de zonden en in de genade van de aanneming, zoals
dit het geval was met het doopsel van Johannes, dat alleen vergiffenis van
zonden schonk. Wij weten integendeel
heel beslist, dat zoals ons Doopsel de kracht bezit om de zonden af te wassen
en ons de gave schenkt van de Heilige Geest, het ook een beeld is en de
uitdrukking van het lijden van Christus. Want daarom roept ook Paulus hier
terecht uit: “Gij weet toch, dat het Doopsel, waardoor wij met Christus Jezus
in gemeenschap zijn getreden, ons heeft doen delen in zijn dood? Door de Doop
in zijn dood zijn wij met Hem begraven”.
Cat. 20, Mystagogica 2, 44: PG 33, 1079-1082
Liturgia Horarum, Officium lectionbis, feria V infra
octavam Paschæ.
BISSCHOP AUGUSTINUS VAN HIPPO:
Een
nieuw schepsel in Christus
De volgende preek werd gehouden door
bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen,
Beloken Pasen. Het juiste jaar is ons
niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes,
die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de
kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden
met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een
geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede
kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde
spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.
Mijn
woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost
van de Kerk, genade van de Vader,vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit,
jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en
mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.
Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud
u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in
het sacrament zijt bekleed. Want zij die
in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet
langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en
vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.
Dat
bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven,
dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat
voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals
Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.
Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog
verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus
zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij
zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams
weggelegd voor die Hem vrezen.
Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor
hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens
in werkelijkheid zullen ontvangen.
Vandaag is het de octaafdag van uw
geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude
vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de
vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de
sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar
door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij
die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag
van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de
achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.
Daarom ook gij, - nu nog wel niet feitelijk
maar reeds met de vaste hoop, omdat gij hiervan een sacrament hebt en gij het
onderpand van de Geest ontvangen hebt, - als
gij verrezen zijt met Christus,
verstaat dan wat boven is, waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods; zoekt
dan wat daarboven is, niet de dingen op aarde. Want gij zijt gestorven en uw
leven is verborgen met Christus in God. Als dan Christus zal verschijnen, uw
leven, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.
Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841
Liturgia Horarum, Officium lectionis, dominica in
octava Paschæ
Collectegebed vijfde zondag van de Veertigdagentijd - “Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”
“Naar zijn voorbeeld,
blijmoedig een leven van liefde te leiden”
I n l e i d i n g
“Ambulate in
dilectione, sicut et Christus dilexit nos et tradidit semetipsum pro nobis
oblationem” - Leid een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus
die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave (Ef
5,2).
Met deze aansporing en
tegelijkertijd vermaning uit de Brief aan de Efeziërs hangt het collectegebed
van deze zondag samen. Het “blijmoedig een leven van liefde leiden” in de
Nederlandse vertaling is niets anders dan waarop de oratie doelt als zij zegt “ut
in illa caritate…..inveniamur ipsi”, dat wij zelf in die liefde worden
bevonden, dat is, dat wij zelf deze liefde beoefenen. “Die liefde” is de liefde
“waarmee Christus ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgegeven”, “die
liefde waarmee de Zoon de wereld heeft bemind en zich aan de dood heeft
overgeleverd”. Het gebed verklaart verder waarin deze liefde zich manifesteert:
“te opitulante, alacriter ambulantes” – om met uw hulp blijmoedig een leven van
liefde te leiden.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Quæsumus, Domine, Deus noster,
ut in
illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur
ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer onze God,
uit liefde tot de wereld heeft uw Zoon
zich aan de dood overgeleverd.
Wij bidden U: geef ons uw hulp om, naar
zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden.
Werkvertaling
Wij bidden U,
Heer onze God,
[op] dat wij
ook zelf met uw hulp in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld
zich aan de dood overleverde, bevonden worden blijmoedig te leven.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van
vandaag kwam niet voor in de vorige edities van het Romeinse Missaal. Het is
afkomstig uit het Liber Mozarabicus Sacramentorum, f.706. (De
Mozarabische liturgie was ook de bron voor het collectegebed van de 2e
zondag van de Veertigdagentijd en voor de Vastenhymne Attende Domine et
miserere). De Mozarabische ritus die teruggaat tot op de 6e
eeuw, is de tweede best gedocumenteerde Latijnse katholieke ritus voor wat
betreft overgeleverde handschriften. In 1085 werd deze ritus afgeschaft behalve
in een zestal parochies in Spanje. In 1500 werd een Mozarabisch Missaal
uitgegeven waarin een aantal elementen uit de Romeinse ritus was opgenomen en
dat vervolgens werd goedgekeurd door paus Julius II (+1513). Franciscus
kardinaal Ximenez de Cisneros (+1517) richtte in Toledo een kapel en een
college van 13 priesters op, wier taak het zou zijn de Mozarabische ritus te
handhaven zelfs na de hervormingen van het Concilie van Trente en het opleggen
van de Romeinse ritus. Een nieuwe editie van het Missale Hispano-Mozarabicum
werd gepubliceerd in 1991; paus Johannes-Paulus II celebreerde de H.Mis volgens
dit Missaal in de jaren 1992 en 2000.
S t r u c t u u r a n a l y s e
1.Quæsumus, Domine, Deus noster,
2.ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens
mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Ad 1
Opvallend
andere opbouw van de eerste regel van het collectegebed. Aan de kop van de
collecta
staat het
praedicaat quæsumus, wij bidden, wij vragen [U], gevolgd door een drievoudige
anaklese
van God: Domine,
Deus noster in de vocativus. In deze aanspreekvorm is een
alliteratie verwerkt, de
op
elkaar volgende hoofdletters D benadrukken op stilistische wijze de grootheid van
God tegenover
de
kleinheid van de smekeling in het verbum quæsumus.
Quæsumus behoort als vorm tot de
groep van de verba defectiva: onvolledige (>defecte=)
werkwoorden waarvan slechts enkele alleenstaande vormen voorkomen, nl. quæso en quæsumus - ik bid, wij bidden. De liturgie van de Kerk
hanteert bij voorkeur de meervoudsvorm die frequent voorkomt in de oraties,
echter bij uitzondering aan de kop van het gebed zoals in onderhavige oratie
van deze zondag. Ook de oratio post
communionem van deze zondag begint opvallend met het verbum quæsumus gevolgd door de anaklese.
Ad 2
ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens
mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Finale/doelaanwijzende
of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut,
opdat, zodat.. die als object van de bede van r. 1 kan worden beschouwd. Deze
bijzin wordt onderbroken door twee volgende bijzinnen: de relatieve bijzin
qua..tradidit en een bijwoordelijke bijzin te opitulante met de constructie van
een ablativus absolutus.
[ut] inveniamur
ipsi […] alacriter ambulantes: opdat/zodat wij zelf worden
bevonden: predicaat in de coniunctivus afhankelijk van het voegwoord ut,
gevolgd door en verbonden met een bijwoordelijke bepaling in de participium
præsentis activi-constructie alacriter ambulantes. Deze
constructie preciseert het in de werkwoordsvorm inveniamur opgesloten subject
nader: opdat/zodat wij blijmoedig levend worden bevonden. Te opitulante:
bijwoordelijke bijzin in de ablativus absolutusvorm. Opitulari (deponens), helpen,
hulp verlenen. De ablativus absolutus kan vertaald worden door een bijzin met
bijwoordelijke betekenis of door een voorzetselbepaling /bijwoordelijke
bepaling, zoals in het geval Te opitulante: met uw hulp [zoals in
de werkvertaling]. Het persoonlijke voornaamwoord Te heeft als antecedent de in
r. 1 genoemde vocativus.
In illa
caritate, in die liefde: bijwoordelijke bepaling in de
ablativusvorm die een gesteltenis aanduidt. Het begrip in illa caritate wordt
nader uitgelegd door de relatieve bijzin qua….se tradidit die in de indicativus
staat omdat het om een reëel feit gaat, waarin de participium
præsensconstructie diligens mundi welke vertaald kan worden met een
redengevende bijzin: omdat Hij de wereld beminde.
B e k n o p t v o c a b u l a r i u
m
Alacriter, bijwoord afgeleid van de adiectiefvorm
alacer,cris, cre, opgewekt, vrolijk,
levendig. Alacritas, vrolijkheid.
Ambulantes, participium præsentis activi in het
meervoud van het verbum ambulare, 1. Wandelen, reizen 2. Een levenswandel
leiden, leven. (Vgl. de “Nederlandse”afleidingen, ambulance, ambulant)
Inveniamur, 1e pers. meervoud
coniunctivus præsentis passivi van invenire, veni, ventum, 1. Vinden, aantreffen 2. Uitvinden, ontdekken 3. Bekomen,
bereiken.
C o m m e n t a a r
De 5e zondag van de
Veertigdagentijd werd traditioneel Passiezondag genoemd maar sinds de Novus
Ordo draagt Palmzondag ook die naam, zodat de aanduiding 1e en 2e
Passiezondag het onderscheid duidelijk moet maken. Met de 5e zondag
begon de “Passietijd”. Deze zondag werd ook Iudica-zondag genoemd naar
het beginwoord van de Introitus (Ps 42,1) en soms – maar niet in onze
traditie – Repus, een afkorting van repositus (analoog
begrip voor absconditus of “verborgen”) omdat vanaf deze liturgische dag
tot het einde van de viering van de Passie van de Heer op Goede Vrijdag de
kruisen en beelden in de kerken met paarse of rode doeken worden bedekt.
Het is als het ware een “reduceren” van de liturgie, de Kerk ondergaat een
liturgische dood vóór het Paasfeest.
Het is een bijzondere gewaarwording,
wanneer men vóór de 1e Vespers van deze zondag het koor betreedt en
de kruisen met paarse doeken ziet bedekt en alle ornamenten uit kapel en
kloostergangen zijn verwijderd nadat eerder bij het begin van de Vasten de
muziek, de bloemen en het Alleluia reeds uit de liturgie waren
verdwenen.
Na de Eucharistieviering in de avond van
Witte Donderdag wordt het H.Sacrament naar een andere plaats overgebracht, het
altaar wordt ontbloot, de klokken zwijgen vanaf het Gloria en de altaarschellen
rinkelen niet langer maar worden vervangen door houten kleppers. Goede Vrijdag
is een a-liturgische dag en bij het begin van de Paaswake zijn we zelfs beroofd
van het licht! Deze liturgische dood van de Kerk geeft aan hoe Christus
zichzelf van zijn heerlijkheid ontledigde om ons te verlossen van onze zonden
en om ons te leren wie wij zijn. Als wij met hart en ziel ons kunnen invoegen
in de liturgie van de Kerk waarin deze sacrale mysteries worden geactualiseerd
en gevierd, delen we door onze actieve ontvankelijkheid in de verlossende
mysteries van het Lijden, de Dood en de Verrijzenis van Christus maar heeft dit
delen ook diep ernstige consequenties voor ons eigen leven en dood. De actieve
ontvankelijkheid steunt op de genade van ons Doopsel en de gewone staat van
genade.
Er zijn parallellen tussen de
collectegebeden van de Veertigdagentijd en die van de Advent. We zien thema’s
van beweging, van een pelgrimstocht. Wij gaan inderdaad op naar een groot feest
van de Kerk, maar belangrijker is dat we ons definitief op weg begeven naar de
mysteries welke de oraties voor ons actueel ontvouwen.
Als we een blik slaan
op de commentaren van de H. Augustinus van Hippo (+430), zijn wij als gedoopten
die het Mystieke Lichaam van Christus vormen, de Kerk, met de Heer, het hoofd
van de Kerk, onderweg naar Jeruzalem: het Jeruzalem van ons eigen
lijden en het nieuwe Jeruzalem van onze verrijzenis. Christus legde deze tocht
zó af dat wij deze ook kunnen maken en kunnen worden verlost. In de liturgie is
de ene en de gehele mystieke Christus onderweg, met name gedurende de
Veertigdagentijd. Elk jaar legt Christus in ons die weg van zijn Lijden af, en
wij leggen in Hem de weg af die in liturgisch kader uitgezet is door onze
heilige Moeder de Kerk en haar gewijde bedienaren. Wij moeten onszelf met hart,
geest en wil verenigen met de mysteries die worden uitgedrukt in de liturgie.
“Toen de dagen van
zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Hij vastbesloten de
reis naar Jeruzalem” (Lc 9,51).
Ons lijden, onze weg naar Jeruzalem ligt
in ons gewetensonderzoek en in een goede biecht, in onze werken van
zelfversterving en van barmhartigheid.
Met het vertalen van het element in het
collectegebed “te opitulante” met “geef ons uw hulp…” kunnen we op het terrein
komen van de Pelagiaanse discussie. De Latijnse collectegebeden vermijden zelfs
alles wat maar kan zwemen naar het Pelagianisme (1) als het gaat om Gods
“hulp”. In het collectegebed van vandaag lezen we (letterlijk): dat wij
zelf in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood
heeft overgeleverd, mogen worden bevonden”. In het Latijn spreken we over
caritas, naastenliefde, offerliefde welke van de kant van God met betrekking
tot ons vrije genadegaven zijn. Caritas is de theologische deugd die ons
in staat stelt God vanwege Hem zelf te beminnen en onze naasten zoals onszelf. De
Nederlandse vertaling van het collectegebed wil dat wij “naar zijn voorbeeld”
een leven van liefde leiden. De “sensus catholicus” gaat echter verder. Zeker,
Christus en zijn liefde zijn ons volmaakt “voorbeeld”. Maar de Latijnse
versie verbindt ons veel intiemer met die liefde, en wel in die mate dat
Gods “hulp” actueel er in voorziet dat wij alles wat we doen in een diepe
eenheid met Christus’ eigen liefde doen. Wij zijn zozeer één met Hem dat
wij in onze liefde als Christus worden. Zijn liefde leeft en werkt in en door
ons. Zij is de onze en wij zijn de zijne. Dat is meer dan een voorbeeld ter
navolging of een steuntje in de rug Christus zelf is in ons werkzaam.
Onze krijgsdienst en discipline als
milites Christi (“strijders van Christus) gaan veel verder dan het goede
voorbeeld. De eerste eigen prefatie voor deze liturgische tijd wijst op het
belang van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot
de naaste en grotere trouw aan de sacramenten om in die gesteldheid met vreugde
en een zuiver hart naar het Paasfeest op te gaan. Vooral heilzaam in dit kader
is de volledige, actieve en bewuste deelname aan het de liturgie met name aan
het mysterie van de H. Mis en de H. Biecht.
(1) Het Pelagianisme,
onder andere bitter bevochten door de H. Augustinus van Hippo in de 4e en 5e
eeuw, was een ketters geloof dat stelde dat de erfzonde de menselijke natuur
niet had verwond en dat onze wil in staat is het goede of kwade te kiezen
zonder de hulp van Gods genade. Daarnaast geloofde hij wel dat Gods genade bij
elke goede daad hielp. Pelagius geloofde niet dat de gehele mensheid schuldig
in de zin van Adam was. Hij vond dat Adam de mensheid door
zijn slechte voorbeeld had veroordeeld, en dat Christus' goede voorbeeld de
mensheid een weg naar de verlossing bood, door het offer en door de opvoeding
van de wil, maar dat de mensheid zelf volledig de verantwoordelijkheid droeg
voor zijn redding.
Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica quinta Quadragesimæ Vijfde zondag van de Veertigdagentijd. Wij smeken gerekend te mogen worden onder de ledematen van Hem, aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo,
Ravenna (vóór 529)
Wij
smeken gerekend te mogen worden onder de ledematen van Hem,
aan
wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben.
I n l e i d i n g
De bede in de
Postcommunio van deze zondag leunt aan tegen een concept uit de Eerste Brief
aan de Korinthiërs. Dat wordt onmiddellijk duidelijk wanneer men de Latijnse
tekst bekijkt die voor de samensteller van deze oratie bepalend was: “Calix
benedictionis, cui benedicimus, nonne communicatio sanguinis Christi est? Et
panis, quem frangimus, nonne participatio corporis Domini est?” (1 Kor 10, 16)
– “Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het Bloed
van Christus? Geef niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam
van Christus?” De H. Paulus trekt uit
het deelhebben aan het Lichaam en Bloed van Christus de conclusie: “Quoniam
unus panis, unum corpus multi sumus, omnes qui de uno pane participamus” (10,
17) –“Omdat het brood één is, vormen wij allen tesamen één lichaam, want allen hebben wij deel
aan het ene Brood.
Het Ene
Lichaam is tegelijkertijd het Lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. De
Eucharistie staat dus in het innigst verband met het corpus Christi mysticum,
het mystieke Lichaam van Christus, daar zij de eenheid bevordert van ons, de
ledematen, onderling, én met het Hoofd,
onze Heer Jezus Christus. Dat bewerkt dit sacrament en de Postcommunio bidt om
deze genade.
De encycliek van Paus Pius
XII (29 juni 1943) ‘Mystici Corporis Christi’, Over het mystieke Lichaam
van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus (Eccclesia
Docens, Hilversum 1957) handelt integraal over dit onderwerp en is vandaag
nog even lezenswaardig als zij bij verschijning was.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Quaesumus, omnipotens Deus,
ut inter eius membra semper numeremur,
cuius Corpori communicamus et Sanguini.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovncie 1979
Almachtige God, wij vragen U:
laat ons ledematen blijven van Hem,
die ons doet delen in zijn Lichaam en Bloed: Christus
onze Heer.
Werkvertaling
Wij smeken U, almachtige God,
dat wij altijd gerekend mogen worden onder de
ledematen van Hem,
aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben.
L i t u r g i s
c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de postcommunio van deze zondag wordt
gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316), 1116,
eerste helft van de achtste eeuw. Deze tekst is vervolgens middels minstens 40
handschriften verspreid over het Europese continent en de Angelsaksische
eilanden.
In het Missale Romanum 1962 was dit onder andere de oratio
post communionem van zaterdag na de 3e zondag van de Vasten.
(E. Mœller, J.M.
Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus
Orationum, VII, P-Q, Brepols, Turnhout 1995, p. 287, nr. 4889) en Pl. Bruylants,
Les Oraisons du Missel Romain, I-II, Leuven,
1962, 942)
In MR 1970 werd semper
in de tekst ingevoegd maar, merkwaardig genoeg,
in de tekst van het Nederlandse Altaarmissaal niet opgenomen.
B i j b e l s
e b r o n n e n
1 Kor 12, 12-27: De eenheid van de kerkgemeenschap in
vergelijking met het lichaam en zijn ledematen
1 Kor 10, 16-17: het deelhebben aan het Lichaam en
Bloed van Christus
G e t u i g e n i s v a n d e V
a d e r s
H. Augustinus (354-430), bisschop van Hippo, grootste van
de Latijnse kerkvaders,
Sermo 57, 7. 7
Het eucharistisch brood zal
ons dagelijks brood zijn, dat nodig is voor dit leven. Wanneer we bij Christus
zelf gekomen zijn, is het niet langer nodig de Eucharistie te ontvangen . . . De
Eucharistie is dus voor ons brood voor elke dag. Maar dan moeten we het ook zó
ontvangen, dat wij daardoor niet alleen lichamelijk weer op krachten komen,
maar ook geestelijk. Want de kracht die door de Eucharistie te verstaan wordt
gegeven, is de eenheid; dat wil zeggen, nadat we in het Lichaam van Christus
opgenomen zijn en zijn ledematen geworden zijn, zijn wij wat we ontvangen.
Slechts dan zal de Eucharistie werkelijk dagelijks brood voor ons zijn. Wat ik
u preek, is ook uw dagelijks brood. En de lezingen die gij elke dag in de kerk
hoort, zijn ook uw dagelijks brood. En de hymnen die gij hoort en zegt, zijn
evenzeer dagelijks brood voor u. Al deze dingen zijn noodzakelijk voor onze
huidige tocht door het leven. Maar wanneer wij het einddoel hebben bereikt,
hoeven we toch niet meer te luisteren naar een boek, dat voorgelezen
wordt? Wij zullen het Woord zelf zien,
en horen, en eten, en drinken. . . de Waarheid zelf.
*
De Civitate Dei 10, 6
Zoals wij in een en
hetzelfde lichaam vele ledematen hebben, hebben deze niet alle dezelfde taak.
Zo vormen wij velen tezamen ook één lichaam in Christus, maar als enkelingen
zijn wij ledematen, op elkander aangewezen, in het bezit van verschillende
gaven, overeenkomstig de genade die ons gegeven is.
Dat is de offerande van de
christenen, velen vormen één lichaam in Christus. Dat brengt de Kerk ook
dikwijls in praktijk bij het altaar-sacrament, dat de christenen bekend is en
waar aan die Kerk wordt voorgehouden, dat in hetgeen zij offert, zij zichzelf
offert.
De heilige Johannes Chrysostomus schreef navolgende aansporing die tevens kan
dienen als zogenaamde vastenspiegel, dat wil zeggen een leidraad om in de
Vastentijd ons extra bewust te zijn waar we op moeten letten om goede
christenen te zijn.
H. Johannes Chrysostomus
(344-407), bisschop van Constantinopel, Griekse kerkvader
Ex Homilia 46 in Ioannem, 7.
Wij moeten
noodzakelijkerwijze, zeer geliefden, het wonderbare mysterie van Christus’
Lichaam en Bloed leren kennen, wat het is, waarom het gegeven is en wat het
voordeel daarvan is. Eén lichaam worden wij,; ledematen zegt Hij, van Zijn
Vlees en Zijn beenderen. Volgen wij die ingewijd zijn, nu wat er gezegd wordt.
Vermengen wij ons dus met Zijn Vlees om niet alleen door de liefde, maar ook in
werkelijkheid één te worden met Hem; dit immers geschiedt door de spijs die Hij
ons geschonken heeft, omdat Hij Zijn groot verlangen naar ons wilde tonen.
Daarom heeft Hij zichzelf met ons vermengd, en Zijn Lichaam in ons doen opgaan,
opdat wij een eenheid zouden zijn als één
lichaam met het Hoofd verbonden; dit is het verlangen van degenen die
vurig beminnen. Keren wij dan van deze tafel terug als leeuwen die vuur
briesen, vreselijk geworden voor de duivel, en laat ons in de geest ons Hoofd
aanbidden en de liefde die Hij ons toont. Ouders geven wel dikwijls hun
kinderen aan anderen ter voeding, Ik echter, zegt Hij, doe niet aldus, doch Ik
voed u met Mijn Vlees en zet Mijzelf aan u voor, verlangende dat gij allen
edelmoedig zoudt zijn, en Ik geef u een goede hoop voor de toekomst: want Ik,
die hier Mijzelf aan u heb overgegeven, zal het in de toekomst nog doen in
hogere mate. Uw broeder wilde ik worden, om uwentwil ben Ik deelachtig geworden
aan uw vlees en bloed; op mijn beurt lever Ik u dat Vlees zelf en dat Bloed
over, waardoor Ik uw broeder geworden ben.
Daar wij nu zo grote goederen
genieten, moeten wij over onszelf waken, en wanneer wij iets schandelijks
willen zeggen, of wanneer wij zien dat wij door toorn of door enige andere
ondeugd van die aard worden meegesleept,
moeten we bedenken, welke voorrechten wij waardig zijn geworden; zulk een
overweging moet de verbetering zijn van onze onredelijke strevingen. Met
hoevelen wij dus deelachtig worden aan dit Lichaam, met hoevelen wij proeven
van dit Bloed, met zovelen moeten wij overwegen dat wij Hém genieten, die daar
boven is gezeten, die door de Engelen wordt aanbeden, die zich bevindt bij de
onbederfelijke kracht. Wat al wegen zijn er tot ons heil. Ons heeft Hij tot
Zijn Lichaam gemaakt; Zijn Lichaam heeft Hij ons meegedeeld, en toch houdt
niets van dit alles ons af van het kwaad . . .
( . . .)
Geven wij acht op onszelf
bij het genieten van deze spijs. Bedenken wij, voordat wij gaan kwaadspreken of
toornig worden, of aan een andere hartstocht toegeven, waartoe wij waardig
geacht worden en welke Geest wij mogen smaken. Deze gedachte zal ons
waarschuwen tegen redeloze hartstochten. Hoelang nog zullen wij ons blijven
vastklampen aan het aardse? Wanneer zullen wij eindelijk ontwaken? Hoelang nog
blijven wij zorgeloos omtrent onze zaligheid? Bedenken we derhalve waartoe God
ons waardig heeft geacht en danken en verheerlijken wij Hem, niet alleen door
ons geloof, maar ook door het stellen van daden, opdat wij deelachtig mogen
worden aan de eeuwige goederen door de genade en menslievendheid van onze Heer
Jezus Christus, aan Wie met de Vader en de Heilige Geest alle glorie toekomt,
nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.
H. Leo de Grote, paus
(440-461)
Sermo 63, 7
Niets anders immers werkt
de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd
worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven,
medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons
vlees dragen, volgens het woord van de Apostel: “Gij zijt immers gestorven
en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw Leven
verschijnen zal, dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met
Hem”(Kol 3, 3 e.v.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst
in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Uit Sermo 15, 3 (De
pasione Domini)
zaterdag 2 april 2022
Reeks Oratio super munera Vijfde zondag Veertigdagentijd Ingewijd in de kennis van het christelijk geloof
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd I
Christus
ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Ingewijd
in de kennis van het christelijk geloof
I
n l e i d i n g
Na
zijn aankomst in Korinte ontmoette de apostel Paulus enkele leerlingen aan wie
hij vroeg of zij de heilige Geest hadden ontvangen toen zij het geloof hadden
aangenomen. Daarop kwam het antwoord: “Wij hebben niet eens gehoord dat er een
heilige Geest bestaat”. Toen Paulus verder vroeg met welk doopsel zij dan wel
waren gedoopt en zij zeiden met dat van Johannes, hernam Paulus: “Johannes
diende een doopsel toe ten teken van bekering, maar zei aan het volk dat zij
moesten geloven in Die na hem kwam, dat is Jezus”. Toen zij dit gehoord hadden,
lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus. (Cf Hand 19, 1-5)
“Ergo
fides ex auditu, auditus autem per verbum Christi: het geloof ontstaat dus door
het horen [van de prediking], het horen echter door het woord van Christus (Rom
10,17).
God heeft de biddende gelovigen
onderricht met “de kennis van het christelijk geloof”. Dat gold gedurende de
eerste eeuwen van het christendom voor het geloofsonderricht aan doopkandidaten in de vastentijd– en thans nog in een aantal Afrikaanse
landen – daar de oorspronkelijke versie van het Gebed over de gaven van
“primitiæ”, over het onderricht aan “eerstelingen”, over de catechumenen,
sprak.
Met
de tekstverandering in het Romeins Missaal 1970 is de oratie niet meer
exclusief bedoeld voor de doopleerlingen, maar mag nog steeds worden gedacht
aan onderricht en vorming zoals door middel van vastenpreken en dergelijke.
Het
Gebed over de gaven doet veronderstellen dat het onderricht betrekking heeft op
het Offer van Christus, in het bijzonder op de reiniging van het kwaad, een van
de effecten die Eucharistisch Offer bewerkt.
T
e k s t
Missale
Romanum – 1970
Exaudi
nos, omnipotens Deus,
et famulos tuos quos fidei christianæ eruditionibus
imbuisti,
huius sacrificii tribuas operatione mundari.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Almachtige
God, verhoor ons gebed
en
laat dit offer ertoe bijdragen dat uw dienaren gereinigd worden,
die
Gij hebt ingewijd in de kennis van het christelijk geloof.
Werkvertaling
Verhoor
ons, almachtige God,
en geef dat uw dienaren, die Gij in de leringen van
het Christelijke geloof hebt onderricht,
gezuiverd worden door de kracht van dit offer.
L i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e n
De brontekst van Latijnse oratie is
afkomstig uit het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 255, 260 (Vat. Reg. lat.
316), eerste helft achtste eeuw. Hier stond de oratie genoteerd als de Secreta
in het misformulier van Feria secunda hebdomadæ quintæ quadragesimæ (maandag
van de 5e week van de Vasten) én in dat van Dominica quinta quadragesimæ,
Passiezondag, de mis die bij het derde scrutinium “bij het openen van de oren”
werd gecelebreerd als oratio super oblata. (E.
Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IV, E-H,
Brepols, Turnhout 1994, p. 75, nr. 2528)
Met slechts één variant, de vervanging van
de term primitiis door eruditionibus, werd de oratie integraal overgenomen door
de samenstellers van het Missale Romanum 1970. De oratie kwam niet voor in het
Missale Romanum 1962.
S t r u c t u u r
a n a l y s e e n s t i j l f i g u r e n
1. Exaudi nos, omnipotens Deus,
2. et famulos tuos quos fidei christianæ eruditionibus
imbuisti,
huius sacrificii tribuas operatione mundari.
Het Gebed over de gaven bestaat uit één
enkele zin, opgebouwd uit twee halfzinnen (nevengeschikte zinnen) verbonden
door de coniunctie et. Daarbij wordt de tweede halfzin onderbroken door een
relatieve bijzin ingeleid door quos. Beide halfzinnen dragen een prædicaatsvorm en een bede:
in de eerste halfzin (r. 1) de imperativusvorm exaudi, in de tweede halfzin de
coniunctivusvorm tribuas als een opwekking en een omschreven imperativusvorm.
In de eerste halfzin wordt een beroep gedaan op de almacht van God ter
verhoring, in de tweede halfzin wordt gevraagd om gezuiverd te worden uit
kracht van de H. Eucharistie.
Ad
1
Openingszin
van de oratie met, krachtig, de imperativusvorm exaudi (enkelvoud) van
het prædicaat aan de spits, gevolgd door het object nos in de
accusativusvorm. Omnipotens Deus, almachtige God, - anaklese in congruerende
vocativusvormen. De orationes super oblata zijn tenslotte theologisch. God Zelf
wordt aangesproken, Hij is de eerste actief handelende en de ontvanger van de
offergaven en de aanbidding van de kant van de Kerk. Het alleen aan God voorbehouden attribuut “omnipotens”
plaatst God buiten alle beperking en begrenzing van tijd en ruimte: Hij is de
Almachtige: Hij overstijgt het mensdom en heel de schepping in Zijn wezenheid
en in Zijn heerlijkheid. Het is een frequent voorkomend epitheton dat gevonden
wordt in de prefaties en de traditionele oraties van de sacramentaria
(Gregorianum en Gelasianum Vetus) maar ook in de psalmen.
Ad
2
In
de tweede halfzin is tribuas (2e pers. coniunctivi præsentis)
het prædicaat: moge Gij geven, geef, gevolgd door de a.c.i. (accusativus cum
infinitiv0) – constructie: famulos tuos […] mundari, dat
uw dienaren gezuiverd worden. Mundari: infinitivus præsentis in het passivum
van mundare.
De
a.c.i.-constructie omklemt de relatieve bijzin quos […] imbuisti die een nadere
omschrijving geven van famulos tuos. Imbuisti: prædicaat met ingesloten
subject dat verwijst naar omnipotens Deus (r. 1), fidei christianæ
eruditionibus, met de onderrichtingen van het christelijke geloof:
bijwoordelijke bepaling waarvan eruditionibus een ablativus instrumentalis is
en fidei christianæ twee congruerende genitivusvormen die het onderricht nader
bepalen: genitivus explicativus.
Huius sacrificii
[…] operatione, uit kracht van/door de werking van dit Offer,
bijwoordelijke bepaling, bestaande uit de ablativusvorm operatione: ablativus
causæ of ablativus instrumentalis en twee congruerende genitivusvormen die de
uitwerking van het Offer nader verklaren: genitivus explicativus.
Famulos
tuos quos: woordentrits die klank-/eindrijm vertoont.
V o c a b u l a r i u m
Famulus,
en de vrouwelijke vorm famula vragen enige attentie, sinds deze
begrippen met een zekere frequentie in de collectes en andere gebeden, zoals in
de Gebedn over de gaven, van de Romeinse liturgie voorkomen. Deze woorden zijn
klaarblijkelijk afkomstig van de oude aan het Latijn verwante Italische taal
het Oskisch, dat behoort tot de Sabellische tak van de Italische taalfamilie.
Deze taal werd gesproken in de zuidelijke centrale regio van het Apennijnse
schiereiland (1).
In het Oskisch betekent faama “huis”. Het concept famulus betekent dus “mensen die in het huis zijn, tot het huis behoren, deel uitmaken van het huis”. De oude huizen van de aristocratische kringen konden zeer ruim zijn met vele bedienden. Een famulus of famula was een bediende, werkzaam in het huishouden, een dienstmeid, een slaaf of een vrijgemaakte persoon. In bepaalde opzichten werden zij beschouwd als leden van de uitgebreide familia = het “geheel van huisgenoten (inclusief de slaven dus)”. Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid. Dit verklaart deels hoe hele families, inclusief slaven en bedienden, in de vroege Kerk zich bekeerden tot het Christendom.
In het Oskisch betekent faama “huis”. Het concept famulus betekent dus “mensen die in het huis zijn, tot het huis behoren, deel uitmaken van het huis”. De oude huizen van de aristocratische kringen konden zeer ruim zijn met vele bedienden. Een famulus of famula was een bediende, werkzaam in het huishouden, een dienstmeid, een slaaf of een vrijgemaakte persoon. In bepaalde opzichten werden zij beschouwd als leden van de uitgebreide familia = het “geheel van huisgenoten (inclusief de slaven dus)”. Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid. Dit verklaart deels hoe hele families, inclusief slaven en bedienden, in de vroege Kerk zich bekeerden tot het Christendom.
Eruditio,
onis vr. f.: 1. onderwijs, onderricht (in deze betekenis het eerst door de
Romeinse redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero, 106-43
voor Christus, gehanteerd) 2. geleerdheid, vorming, beschaving. Verg. de in het
Nederlands gebruikte begrippen: eruditie, erudiet. Het substantivum eruditio
hoort bij het verbum e-rudio, erudivi/erudii, eruditum dat betekent “van
ruwheid ontdoen, polijsten, beschaven” vandaar onderrichten, onderwijzen. Bij
de kerkvaders vinden we het begrip eruditor, onderwijzer, leraar.
Fides, fidei vr.: 1.
vertrouwen 2. trouw 3. geloof, ook de deugd van geloof.
Als
liturgisch begrip wordt fides gebruikt 1.in absolute zin: fidei
augmentumvermeerdering van geloof), fidei confessio (belijdenis van het geloof,
geloofsbelijdenis) enz. 2. vergezeld van een adiectivum: fides vera, fides
nostra, fides christiana, fides catholica en 3. complementair: fides
christianorum, (het geloof van de christenen, genitivus subjectivus),
resurrectionis fide ( het geloof in de
verrijzenis, genitivus objectivus).
Fidelis,
-e: (adiectivum) 1. getrouw 2. onwrikbaar 3. gelovig
Fidelis,
-is m. en vr. gelovige; meerv. fideles.
In
het schietgebed “Fidelium animæ requescant in pace” zijn de fidelium de overleden
gelovigen – Mogen de zielen van de overleden gelovigen in vrede rusten.
Imbuisti,
2e pers. enkelv. perfecti activi van imbuo, bui, butum (causatief
van im-bibo) : denken, besproeien, bevochtigen, indompelen. Uitgebreidere
betekenissen , in negatieve zin: bezoedelen, bevlekken, en in positieve zin:
iemand aan iets gewennen, hem onderrichten, inwijden, met iets vertrouwd maken,
iets als het ware inwijden, het eerst leren kennen.
Operatio,
-onis vr. substantivum bij het verbum operor, operatus sum, deponens, I, : 1.
bezig zijn met 2. arbeiden, werken, werkzaam zijn 3. beschouwen. Het
substantivum betekent dan 1. het werken, het handelen 2. werking, werkzaamheid,
arbeid.
Als
liturgisch thema komen we operatio tegen in de betekenissen van scheppend werk
van God (operatio divina), als sacramentele handeling of sacramenteel effect
(met name in de oratie van vandaag: operatio huius sacrificii, de werkzaamheid
van dit Offer, de werkzaamheid van de H. Eucharistie) naast operatio mysterii,
operatio doni cælestis en operatio tuæ virtutis.
G e t u i g e n i s s e n v a n d e V
a d e r s
Zie hiervoor
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd II
C o m m e n t a a r
De
riten van het katechumenaat, voorafgaand aan de christelijke initiatie van
volwassenen, bevestigd door een zeer oud gebruik in de Kerk, werden op grond
van een besluit van het Tweede Vaticaans Concilie hersteld en herzien
(Congregatie voor de Eredienst, 6 januari 1972). De initiatie van de
geloofsleerlingen omvat een zekere groei te midden van de gemeenschap van de
gelovigen, die samen met de geloofsleerlingen de grote betekenis van het
passmysterie overwegen, hun eigen bekering hernieuwen en hen door hun voorbeeld
er toe brengen om oprecht aan de Heilige Geest gehoor te geven. Op deze tocht
zijn er, behalve perioden van onderzoek (scrutinia) en rijping, trappen of
graden van voortgang, waardoor de geloofsleerling, die zijn weg voortzet, als
het ware een poort doorgaat of een trede omhoog gaat. In het pre-katechumenaat
heeft het onderricht in het Evangelie reeds plaatsgehad: aan de kandidaten werd
de levende God verkondigd en Hem die Hij tot allen zond: Jezus Christus. De
bedoeling van dit onderricht is dat zij, die geen christen zijn, door de
heilige Geest, die hun hart ontvankelijk maakt, gaan geloven en zich uit vrije
wil tot de Heer bekeren en zich oprecht aansluiten bij Hem, die, als de Weg, de
Waarheid en het leven, al hun geestelijke verwachtingen vervult, ja zelfs
oneindig overtreft. Aan dit onderricht in het Evangelie wordt de gehele periode
van het pre-katechumenaat besteed, opdat de oprechte wil om Christus te volgen
en om het Doopsel te vragen, kan rijpen en duren.
Zijn
de eerste grondslagen van het geestelijk leven en van de christelijke leer
gelegd: een eerste geloof, het begin van bekering alsook de wil om van leven te
veranderen en in Christus met God in contact te treden, een gevoel voor
boetvaardigheid en een beginnende gebedspraktijk, alsmede een eerste ervaren
van de gemeenschap en van de christelijke geest, dan volgt de opneming onder de
geloofsleerlingen en begint het katechumenaat. De periode van innerlijke
zuivering en verlichting die daarvan vast onderdeel is, viel en valt naar oude
gewoonte in de Veertigdagentijd, tijd van geestelijke vernieuwing voor de
gelovigen ter voorbereiding op de paasviering. In de Veertigdagentijd die aan
de initiatiesacramenten van Doopsel, Vormsel en H. Eucharistie, voorafgaat
hebben de verschillende riten van onderzoek en overdracht plaats.
Wat
betreft het drievoudig onderzoek (scrutinium): dit vindt plaats op de derde,
vierde en vijfde zondag van de Veertigdagentijd en wordt telkens besloten met
een exorcisme. Het doel van deze onderzoeken is bij de doopleerlingen het
verlangen naar innerlijke zuivering en verlossing door Christus op te wekken.
Daartoe worden zij geleidelijk onderricht over het mysterie van de zonde
waarvan de gehele wereld en elke mens verlangt bevrijd te worden om de gevolgen
daarvan in het heden en in de toekomst niet meer te ondervinden. Voorts worden
de geloofsleerlingen doordrongen van het
besef wat Christus als Verlosser voor hen betekent: levend water (evangelie
over het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw), licht (evangelie van de
blindgeborene), verrijzenis en leven (evangelie van de opwekking van Lazarus),
zodat zij gezuiverd van geest en hart, versterkt tegen de bekoringen en met
uitgezuiverde bedoelingen en wil zich nauwer bij Christus aansluiten en zich
beter toeleggen op de liefde tot God.
Het
Gebed over de gaven van vandaag was de Secreta van het misformulier van de
vijfde zondag van de Vasten in het Gelasiaanse Sacramentarium bij het derde scrutinium “bij het openen
van de oren”. De huidige liturgie heeft
bij dit laatste scrutinium waarbij de geloofsbelijdenis wordt opgezegd ook de
‘Effeta-ritus’ bewaard. De celebrant raakt met zijn duim het rechter- en
linkeroor en de gesloten mond van de ‘uitverkorenen’ of ‘competentes’ (zij die
vragen om het Doopsel) of nog ‘illuminandi’ (zij die verlicht moeten/zullen
worden) aan, en zegt daarbij:
“Effeta, dat betekent: Ga open,
om het geloof dat uw oren hebben vernomen
met de mond te belijden
tot lof en eer van God”.
Samengesteld
uit: Nationale Raad voor Liturgie, “Liturgie van de sacramenten en andere
kerkelijke vieringen. het doopsel van volwassenen”, 1977.
(1) Het Oskisch was een Italische
taal met als kerngebied Samnium en Campanië, het gebied der Bruttii en een deel
van Sicilië. Samen met onder meer het Umbrisch vormt het Oskisch de tak der
Sabellische talen. Het Oskisch is bekend uit inscripties vanaf 400 v.Chr. Van
het totale corpus, dat uit ongeveer 250 inscripties bestaat, zijn de Tabula
Bantina en de Cippus Abellanus de belangrijkste. De taal is al sinds de oudheid
uitgestorven. Dialecten van het Oskisch zijn: het Samnitisch, het Marrucinisch,
het Paelignaans, het Vestiniaans, het Sabijns, het Volscisch en het Marsisch. Het
Oskisch maakte gebruik van het Latijnse, het Griekse en een eigen, Oskisch
alfabet. (Ontleend aan Wikipedia)
Abonneren op:
Posts (Atom)







