Posts tonen met het label Dominica V Quadragesimae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica V Quadragesimae. Alle posts tonen

zondag 6 april 2025

Introitus 5e Zondag Veertigdagentijd "Iudica me Deus"


Lezingen H. Mis 5e zondag van de veertigdagentijd, jaar C “Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.”

Eerste lezing (Jes. 43, 16-21)
Uit de Profeet Jesaja.
Zo spreekt de Heer,
die door de zee een weg legt,
een baan door de onstuimige golven;
en die wagen en paard daarover laat gaan,
leger en strijdmacht, gesloten aaneen,
maar dan gaan ze rusten, staan niet meer op,
uitgeblust zijn ze, uitgedoofd als een vlaspit.
Denk niet meer aan het verleden
en sla geen acht op wat reeds lang voorbij is:
Ik onderneem iets nieuws,
het begin is er al: ziet ge het niet?
Een weg leg Ik door de steppe,
rivieren laat Ik stromen door de woestijn.
De wilde dieren zullen ontzag voor Mij hebben,
de jakhalzen en de struisvogels;
want door de steppe laat Ik beken stromen,
rivieren door de woestijn,
zodat mijn uitverkoren volk zich kan laven:
en dit volk dat Ik mij gevormd heb
zal mijn lof verkondigen!

Tweede lezing (Fil. 3, 8-14)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi.
Broeders en zusters,
Ik beschouw alles als verlies,
want mijn Heer Jezus Christus kennen
gaat alles te boven.
Om Christus heb ik alles prijsgegeven
en houd ik alles voor afval
als het er om gaat Hem te winnen
en één te zijn met Hem.
Ik heb geen eigen gerechtigheid op grond van de wet;
mijn gerechtigheid komt door het geloof in Christus,
ze is een gave van God en steunt op het geloof.
Ik wil Christus kennen,
ik wil de kracht van zijn opstanding gewaarworden
en de gemeenschap met zijn lijden,
ik wil steeds meer op Hem lijken in zijn sterven
om eens te mogen komen tot de wederopstanding uit de doden.
Niet dat ik het al bereikt heb.
Ik ben nog niet volmaakt.
Maar ik streef er vurig naar het te grijpen,
gegrepen als ik ben door Christus Jezus.
Nee, vrienden, ik beeld mij niet in er al te zijn.
Alleen dit:
ik vergeet wat achter me ligt
ik reik naar wat voor me ligt
ik storm af op het doel:
de prijs van Gods heerlijke roeping.
.
Evangelie (Joh. 8, 1-11)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens
In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg.
’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel
en al het volk kwam naar Hem toe.
Hij ging zitten en onderrichtte hen.
Toen brachten de schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw
die op overspel was betrapt.
Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem:
“Meester,
deze vrouw is op heterdaad betrapt terwijl ze overspel bedreef.
Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen
zulke vrouwen te stenigen.
Maar Gij,
wat zegt Gij ervan?”
Dit bedoelden ze als een strikvraag
in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen.
Jezus echter boog zich voorover
en schreef met zijn vinger op de grond.
Toen zij bij Hem aanhielden met vragen
richtte Hij zich op en zei tot hen:
“Laat degene onder u die zonder zonden is,
het eerste een steen op haar werpen.”
Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond.
Toen zij dit hoorden
dropen zij een voor een af,
de oudsten het eerst,
tot dat Jezus alleen achterbleef met de vrouw
die daar was blijven staan.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar:
“Vrouw, waar zijn ze gebleven?
Heeft niemand u veroordeeld?”
Zij antwoordde:
” Niemand, Heer.”
Toen zei Jezus tot haar:
“Ook Ik veroordeel u niet;
ga heen en zondig van nu af niet meer.”
Woord van de Heer.
Wij danken God.

The Conversion of Saint Paul - Bishop Barron Sunday Sermon Q5C

zondag 3 april 2022

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Dominica V Quadragesimæ Festum Domini proximum non verbis sed operibus implemus. Het komende Feest des Heren vieren wij niet met woorden maar met daden.


Ad Officium lectionis


Lectio altera
Ex Epístolis paschálibus sancti Athanásii epíscopi
(Ep. 14, 1-2: PG 26, 1419-1420)

Tweede lezing

Uit de Paas-brieven van de H. Athanasius, bisschop
(Ep. 14, 1-2: PG 26, 1419-1420)

Het komende Feest des Heren vieren wij niet met woorden maar met daden

Dat Woord is ons nabij, dat alles voor ons is geworden, ik bedoel: Onze Heer Jezus Christus, die belooft onafgebroken bij ons te zullen blijven.
Daarom roept Hij uit: Zie, Ik ben met u alle dagen der wereld. Maar zoals Hij de Herder is, de Hogepriester, de Weg en de Deur, en tegelijk alles voor ons geworden is, zo is ook dit feest en deze plechtigheid voor ons zichtbaar geworden, zoals de zalige Apostel zegt: Ons Paaslam Christus is voor ons geslachtofferd, De Christus, die werd verwacht. Maar het lichtte ook op bij het gebed van de Psalmist, toen hij sprak: Mijn gejubel, ontrukt mij aan hen die mij omringen.  Dit is het ware gejubel, dit is de echte plechtigheid, namelijk de uitbanning van alle kwaad. Opdat eenieder daartoe kome, moet hij onberispelijk zijn en met zijn geest zich oefenen in de rust, die in de vreze Gods opgesloten ligt.

Dat was ook het geval met de heiligen: zolang zij leefden verheugden zij zich heel hun leven lang als op een feest. Een van hen, namelijk de zalige David stond ‘s nachts op, niet eenmaal maar zeven maal, en stemde God gunstig door zijn gebeden. Een ander, de grote Mozes, verheerlijkte God in zijn gezangen en zong zijn lof om de overwinning op de Pharao behaald en op hen, die de Hebreeën met zware arbeid onderdrukt hadden. Later vervulden anderen met voortdurende vreugde hun heilig dienstwerk, zoals de grote Samuël en de zalige Elias, die door de verdienste van hun deugden de vrijheid verkregen en nu feest vieren in de hemel, terwijl zij zich verblijden over hun vroeger pelgrimeren in schaduw, maar thans de waarheid kunnen onderscheiden van de voorafbeelding.

Maar nu wij het plechtig feest vieren, welke wegen zullen wij dan inslaan? En nu wij dit feest naderen, wie zullen wij dan als leider hebben? Niemand anders voorzeker, mijn geliefden, dan Hem, die gij zelf met mij onze Heer noemt, Jezus Christus, die zegt: Ik ben de weg. Hij is het zoals de heilige Johannes zegt: die de zonden van de wereld wegneemt. Hij zuivert onze zielen, zoals de profeet Jeremias ergens zegt: Gaat op de wegen staan en kijkt en ziet welke de goede weg is en op de weg zult gij zuivering vinden voor uw zielen.

Vroeger was het bloed van bokken en de besprenkeling met de as van een jonge koe over onreinen geschikt slechts het lichaam te reinigen; maar nu wordt eenieder overvloedig gereinigd door de genade van het Woord Gods. Als wij nu bereid zijn Hem te volgen, zal het ons toegestaan zijn hier als in de voorhoven van het hemels Jeruzalem een voorsmaak te hebben van het eeuwig feest; zoals ook de zalige Apostelen, die de Verlosser als hun Leider volgden, en toen onze leermeesters waren van die genade en die dit nu nog zijn; want zij zeiden: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd. Wij volgen namelijk de Heer ook; en vieren het feest des Heren niet alleen met woorden maar ook met daden.



Reeks “Oratio super munera" Vijfde zondag Veertigdagentijd II Addendum

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd II 

Aanvulling Vaderteksten
G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
BISSCHOP CYRILLUS, BISSCHOP VAN JERUZALEM
Het Doopsel, het teken van het Lijden van Christus
Uit de Catechesen gehouden te Jeruzalem

Deze catechesen werden gehouden in de pas gereedgekomen H. Grafkerk te Jeruzalem en traditioneel toegeschreven aan de H. Cyrillus, bisschop van Jeruzalem 348-386
Wij bewaren van hem vierentwintig beroemde catechesen, die hij als bisschop tegen het jaar 350 gehouden heeft. Ingeleid door een Pro-catechese H. Cyrillus van Jeruzalem
Pro-catechese ()
als verwelkoming, zijn de eerste achttien daarvan gericht aan de catechumenen, of photizomenoi, dat is: degenen die verlicht moeten worden. De eerste (1-5) handelen elk respectievelijk over de gesteltenissen die voorafgaan aan het Doopsel, over de bekering vanuit de heidense gewoonten, over het sacrament van het Doopsel en over de tien dogmatische waarheden die vervat zijn in het Credo of Symbolum (samenvatting) van het geloof. De volgende (6-18) vormen een doorlopende catechese over het Symbolum van Jeruzalem, in anti-ariaanse toonzetting. Van de laatste vijf (19-23), de "mystagogische" genaamd, ontwikkelen de eerste twee een commentaar op de riten van het Doopsel, en gaan de laatste drie over het chrisma, over het Lichaam en Bloed van Christus en over de eucharistische liturgie. Daarin is de uitleg opgenomen van het Onze Vader (Oratio dominica): die vormt de basis van een initiatie in het gebed, die parallel verloopt aan de initiatie in de drie sacramenten van het Doopsel, het Vormsel en de Eucharistie.
Onderstaande catechese aan de neofieten of pasgedoopten vond oplaats na het ontvangen van de bovengenoemde initiatiesacramenten.
Gij zijt naar het heilig bad van het goddelijk Doopsel geleid, zoals Christus openlijk van het kruis naar het graf werd gedragen.
En eenieder van u werd ondervraagd, of hij geloofde in de Naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest. Gij hebt uw heilzame belijdenis gedaan en werd driemaal ondergedompeld en zijt weer uit het water opgerezen; en hier hebt gij in beeld en symbool de drie dagen van Christus in het graf aangeduid.
Want zoals onze Verlosser drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verbleef, zo hebt gij met de eerste oprijzing uit het water de eerste dag en met de eerste onderdompeling de eerste nacht uitgebeeld, die Christus in de aarde doorbracht. Want zoals hij, die in de nacht ergens verblijft, niet langer kan zien, maar overdag in het licht wandelt, zo hebt gij bij de onderdompeling als in de nacht niets gezien, maar bij de oprijzing uit het water zijt gij als in het daglicht geplaatst; en op hetzelfde moment waart gij dood en geboren, en dat heilzame water werd voor u zowel een graf, als een moeder.
En wat Salomon van andere levensomstandigheden zegt, is uitstekend op u van toepassing. Want hij zei: Er is een tijd voor het baren en een tijd om te sterven. Voor u is dat juist omgekeerd: er is een tijd om te sterven en een tijd om geboren te worden; hier heeft de ene tijd beide bewerkt, en met uw dood viel uw geboorte samen.
O, wat een nieuw en ongehoord soort van dingen! Wij zijn niet in werkelijkheid gestorven noch echt begraven, noch als waarlijk gekruisigd verrezen; maar door het beeld werd de nabootsing ervan uitgedrukt; maar in werkelijkheid is ons heil hieruit geboren.
Christus is waarlijk gekruisigd, waarlijk begraven en waarlijk verrezen; en door de genade werd ons dit alles gegeven, opdat wij, die door de uitbeelding deelachtig geworden zijn aan zijn lijden, in waarheid het heil zouden verwerven.

O, wat een uitbundige liefde tot de mensen! Christus heeft in zijn onbesmette handen en voeten de spijkers ontvangen en de pijn doorstaan: en aan mij, onervaren in smart en lasten, schenkt Hij door de deelname aan zijn smarten het heil.
Laat niemand dus menen, dat de Doop enkel bestaat in de vergiffenis van de zonden en in de genade van de aanneming, zoals dit het geval was met het doopsel van Johannes, dat alleen vergiffenis van zonden schonk.  Wij weten integendeel heel beslist, dat zoals ons Doopsel de kracht bezit om de zonden af te wassen en ons de gave schenkt van de Heilige Geest, het ook een beeld is en de uitdrukking van het lijden van Christus. Want daarom roept ook Paulus hier terecht uit: “Gij weet toch, dat het Doopsel, waardoor wij met Christus Jezus in gemeenschap zijn getreden, ons heeft doen delen in zijn dood? Door de Doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven”.

Cat. 20, Mystagogica 2, 44: PG 33, 1079-1082
Liturgia Horarum, Officium lectionbis, feria V infra octavam Paschæ.

BISSCHOP AUGUSTINUS VAN HIPPO:
Een nieuw schepsel in Christus

De volgende preek werd gehouden door bisschop Augustinus in zijn bisschopskerk te Hippo op de octaafdag van Pasen, Beloken Pasen.  Het juiste jaar is ons niet bekend. Hij richt zich uitdrukkelijk tot de pas-gedoopten, de neofytes, die deze zondag hun witte klederen aflegden en in hun eigen kleding naar de kerk kwamen. Moederlijk worden ze door de Kerk ontvangen. Deze zal ze voeden met de spijs van de kinderen Gods, de H. Eucharistie. Heel hun leven zal een geestelijke verrijzenis moeten zijn. Als gedoopten en door de Kerk gevoede kinderen zullen zij overwinnen door het geloof. Met gepaste fierheid en vreugde spreekt de H. Augustinus hen toe in de volgende homilie.
Mijn woord richt zich tot u, pas-geboren kinderen, kleinen in Christus, nieuw kroost van de Kerk, genade van de Vader,vruchtbaarheid van de Moeder, vrome spruit, jeugdige schare, bloem van onze eer en vrucht van onze arbeid, mijn vreugde en mijn kroon, gij allen die gegrondvest zijt in de Heer.
Met apostolische woorden spreek ik u toe: Doet aan de Heer Jezus Christus, en onthoud u van vleselijke lusten, opdat ge in het leven Hem aandoet met Wie gij in het sacrament zijt bekleed. Want zij die in Christus gedoopt zijn, hebben zich met Christus bekleed. Er bestaat niet langer onderscheid tussen Jood en Griek, tussen slaaf en vrije, tussen men en vrouw; want allen zijt gij één in Christus Jezus.

Dat bewerkt de kracht van het Sacrament. Het is het sacrament van het nieuwe leven, dat in dit leven begint bij de vergiffenis van aller vroegere zonden, maar dat voltooid zal worden bij de verrijzenis van de doden. Door de Doop in Christus’ dood zijt gij met Hem begraven, opdat, zoals Christus uit de doden is verrezen, zo ook gij een nieuw leven zoudt leiden.
Zolang gij in dit sterfelijk lichaam nog verwijderd leeft van de Heer, wandelt gij nog in het geloof. Christus Jezus zelf als mens is voor u de zekere weg geworden, die naar Hem leidt, wat Hij zich verwaardigd heeft voor ons te worden. Want Hij heeft veel aangenaams weggelegd voor die Hem vrezen.
Hij zal dit openstellen en vervolmaken voor hen, die op Hem hopen, daar wij datgene, war wij nu in hoop ontvangen, ook eens in werkelijkheid zullen ontvangen.

Vandaag is het de octaafdag van uw geboorte, vandaag wordt het zegel van het geloof in u voltooid, dat bij de oude vaders door de besnijdenis in het vlees geschiedde op de achtste dag na de vleselijke geboorte. Vandaar dat de Heer zelf zich bevrijdde van de sterfelijkheid van het vlees, niet door met een ander lichaam te verrijzen maar door zijn eigen Lichaam op te wekken, dat niet meer sterven kon, en zo heeft Hij die dag als de ‘Dag des Heren’ getekend door zijn verrijzenis, die na de dag van zijn lijden de derde dag was, maar in het getal dagen na de sabbath de achtste, en tegelijk ook de eerste van de week.

Daarom ook gij, - nu nog wel niet feitelijk maar reeds met de vaste hoop, omdat gij hiervan een sacrament hebt en gij het onderpand van de Geest ontvangen hebt, - als gij verrezen zijt met Christus, verstaat dan wat boven is, waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods; zoekt dan wat daarboven is, niet de dingen op aarde. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Als dan Christus zal verschijnen, uw leven, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.

Sermo 8, in octava Paschæ I, 4: PL 46, 838. 841
Liturgia Horarum, Officium lectionis, dominica in octava Paschæ



Collectegebed vijfde zondag van de Veertigdagentijd - “Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”


“Naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden”

I n l e i d i n g
“Ambulate in dilectione, sicut et Christus dilexit nos et tradidit semetipsum pro nobis oblationem” -  Leid een leven van liefde naar het voorbeeld van Christus die ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgeleverd als offergave (Ef 5,2).
Met deze aansporing en tegelijkertijd vermaning uit de Brief aan de Efeziërs hangt het collectegebed van deze zondag samen. Het “blijmoedig een leven van liefde leiden” in de Nederlandse vertaling is niets anders dan waarop de oratie doelt als zij zegt “ut in illa caritate…..inveniamur ipsi”, dat wij zelf in die liefde worden bevonden, dat is, dat wij zelf deze liefde beoefenen. “Die liefde” is de liefde “waarmee Christus ons heeft bemind en zich voor ons heeft overgegeven”, “die liefde waarmee de Zoon de wereld heeft bemind en zich aan de dood heeft overgeleverd”. Het gebed verklaart verder waarin deze liefde zich manifesteert: “te opitulante, alacriter ambulantes” – om met uw hulp blijmoedig een leven van liefde te leiden.

T e k s t
Missale Romanum 1970
Quæsumus, Domine, Deus noster,
 ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer onze God,
uit liefde tot de wereld heeft uw Zoon zich aan de dood overgeleverd.
Wij bidden U: geef ons uw hulp om, naar zijn voorbeeld, blijmoedig een leven van liefde te leiden.

Werkvertaling
Wij bidden U, Heer onze God,
[op] dat wij ook zelf met uw hulp in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood overleverde, bevonden worden blijmoedig te leven.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n

Het collectegebed van vandaag kwam niet voor in de vorige edities van het Romeinse Missaal. Het is afkomstig uit het Liber Mozarabicus Sacramentorum, f.706. (De Mozarabische liturgie was ook de bron voor het collectegebed van de 2e zondag van de Veertigdagentijd en voor de Vastenhymne Attende Domine et miserere). De Mozarabische ritus die teruggaat tot op de 6e eeuw, is de tweede best gedocumenteerde Latijnse katholieke ritus voor wat betreft overgeleverde handschriften. In 1085 werd deze ritus afgeschaft behalve in een zestal parochies in Spanje. In 1500 werd een Mozarabisch Missaal uitgegeven waarin een aantal elementen uit de Romeinse ritus was opgenomen en dat vervolgens werd goedgekeurd door paus Julius II (+1513). Franciscus kardinaal Ximenez de Cisneros (+1517) richtte in Toledo een kapel en een college van 13 priesters op, wier taak het zou zijn de Mozarabische ritus te handhaven zelfs na de hervormingen van het Concilie van Trente en het opleggen van de Romeinse ritus. Een nieuwe editie van het Missale Hispano-Mozarabicum werd gepubliceerd in 1991; paus Johannes-Paulus II celebreerde de H.Mis volgens dit Missaal in de jaren 1992 en 2000.

S t r u c t u u r a n a l y s e

1.Quæsumus, Domine, Deus noster,
2.ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Ad 1
Opvallend andere opbouw van de eerste regel van het collectegebed. Aan de kop van de collecta
staat het praedicaat quæsumus, wij bidden, wij vragen [U], gevolgd door een drievoudige anaklese
van God: Domine, Deus noster in de vocativus. In deze aanspreekvorm is een alliteratie verwerkt, de
op elkaar volgende hoofdletters D benadrukken op stilistische wijze de grootheid van God tegenover
de kleinheid van de smekeling in het verbum quæsumus.
Quæsumus behoort als vorm tot de groep van de verba defectiva: onvolledige (>defecte=) werkwoorden waarvan slechts enkele alleenstaande vormen voorkomen, nl. quæso en quæsumus - ik bid, wij bidden. De liturgie van de Kerk hanteert bij voorkeur de meervoudsvorm die frequent voorkomt in de oraties, echter bij uitzondering aan de kop van het gebed zoals in onderhavige oratie van deze zondag. Ook de oratio post communionem van deze zondag begint opvallend met het verbum quæsumus gevolgd door de anaklese.
Ad 2
ut in illa caritate, qua Fílius tuus diligens mundum morti se tradidit, inveniamur ipsi, te opitulante, alacriter ambulantes.
Finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin, klassiek ingeleid door het voegwoord ut, opdat, zodat.. die als object van de bede van r. 1 kan worden beschouwd. Deze bijzin wordt onderbroken door twee volgende bijzinnen: de relatieve bijzin qua..tradidit en een bijwoordelijke bijzin te opitulante met de constructie van een ablativus absolutus.
[ut] inveniamur ipsi […] alacriter ambulantes: opdat/zodat wij zelf worden bevonden: predicaat in de coniunctivus afhankelijk van het voegwoord ut, gevolgd door en verbonden met een bijwoordelijke bepaling in de participium præsentis activi-constructie alacriter ambulantes. Deze constructie preciseert het in de werkwoordsvorm inveniamur opgesloten subject nader: opdat/zodat wij blijmoedig levend worden bevonden. Te opitulante: bijwoordelijke bijzin in de ablativus absolutusvorm. Opitulari (deponens), helpen, hulp verlenen. De ablativus absolutus kan vertaald worden door een bijzin met bijwoordelijke betekenis of door een voorzetselbepaling /bijwoordelijke bepaling, zoals in het geval Te opitulante: met uw hulp [zoals in de werkvertaling]. Het persoonlijke voornaamwoord Te heeft als antecedent de in r. 1 genoemde vocativus.
In illa caritate, in die liefde: bijwoordelijke bepaling in de ablativusvorm die een gesteltenis aanduidt. Het begrip in illa caritate wordt nader uitgelegd door de relatieve bijzin qua….se tradidit die in de indicativus staat omdat het om een reëel feit gaat, waarin de participium præsensconstructie diligens mundi welke vertaald kan worden met een redengevende bijzin: omdat Hij de wereld beminde.

B e k n o p t  v o c a b u l a r i u m

Alacriter, bijwoord afgeleid van de adiectiefvorm alacer,cris, cre, opgewekt, vrolijk, levendig. Alacritas, vrolijkheid.
Ambulantes, participium præsentis activi in het meervoud van het verbum ambulare, 1. Wandelen, reizen 2. Een levenswandel leiden, leven. (Vgl. de “Nederlandse”afleidingen, ambulance, ambulant)
Inveniamur, 1e pers. meervoud coniunctivus præsentis passivi van invenire, veni, ventum, 1. Vinden, aantreffen 2. Uitvinden, ontdekken 3. Bekomen, bereiken.

C o m m e n t a a r

De 5e zondag van de Veertigdagentijd werd traditioneel Passiezondag genoemd maar sinds de Novus Ordo draagt Palmzondag ook die naam, zodat de aanduiding 1e en 2e Passiezondag het onderscheid duidelijk moet maken. Met de 5e zondag begon de “Passietijd”. Deze zondag werd ook Iudica-zondag genoemd naar het beginwoord van de Introitus (Ps 42,1) en soms – maar niet in onze traditie – Repus, een afkorting van repositus (analoog begrip voor absconditus of “verborgen”) omdat vanaf deze liturgische dag tot het einde van de viering van de Passie van de Heer op Goede Vrijdag de kruisen en beelden in de kerken met paarse of rode doeken worden bedekt.  Het is als het ware een “reduceren” van de liturgie, de Kerk ondergaat een liturgische dood vóór het Paasfeest.
Het is een bijzondere gewaarwording, wanneer men vóór de 1e Vespers van deze zondag het koor betreedt en de kruisen met paarse doeken ziet bedekt en alle ornamenten uit kapel en kloostergangen zijn verwijderd nadat eerder bij het begin van de Vasten de muziek, de bloemen en het Alleluia reeds uit de liturgie waren verdwenen.
Na de Eucharistieviering in de avond van Witte Donderdag wordt het H.Sacrament naar een andere plaats overgebracht, het altaar wordt ontbloot, de klokken zwijgen vanaf het Gloria en de altaarschellen rinkelen niet langer maar worden vervangen door houten kleppers. Goede Vrijdag is een a-liturgische dag en bij het begin van de Paaswake zijn we zelfs beroofd van het licht! Deze liturgische dood van de Kerk geeft aan hoe Christus zichzelf van zijn heerlijkheid ontledigde om ons te verlossen van onze zonden en om ons te leren wie wij zijn. Als wij met hart en ziel ons kunnen invoegen in de liturgie van de Kerk waarin deze sacrale mysteries worden geactualiseerd en gevierd, delen we door onze actieve ontvankelijkheid in de verlossende mysteries van het Lijden, de Dood en de Verrijzenis van Christus maar heeft dit delen ook diep ernstige consequenties voor ons eigen leven en dood. De actieve ontvankelijkheid steunt op de genade van ons Doopsel en de gewone staat van genade.

Er zijn parallellen tussen de collectegebeden van de Veertigdagentijd en die van de Advent. We zien thema’s van beweging, van een pelgrimstocht. Wij gaan inderdaad op naar een groot feest van de Kerk, maar belangrijker is dat we ons definitief op weg begeven naar de mysteries welke de oraties voor ons actueel ontvouwen.
Als we een blik slaan op de commentaren van de H. Augustinus van Hippo (+430), zijn wij als gedoopten die het Mystieke Lichaam van Christus vormen, de Kerk, met de Heer, het hoofd van de Kerk,  onderweg  naar Jeruzalem: het Jeruzalem van ons eigen lijden en het nieuwe Jeruzalem van onze verrijzenis. Christus legde deze tocht zó af dat wij deze ook kunnen maken en kunnen worden verlost. In de liturgie is de ene en de gehele mystieke Christus onderweg, met name gedurende de Veertigdagentijd. Elk jaar legt Christus in ons die weg van zijn Lijden af, en wij leggen in Hem de weg af die in liturgisch kader uitgezet is door onze heilige Moeder de Kerk en haar gewijde bedienaren. Wij moeten onszelf met hart, geest en wil verenigen met de mysteries die worden uitgedrukt in de liturgie.
“Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling tegemoet gingen, aanvaardde Hij vastbesloten de reis naar Jeruzalem” (Lc 9,51).
Ons lijden, onze weg naar Jeruzalem ligt in ons gewetensonderzoek en in een goede biecht, in onze werken van zelfversterving en van barmhartigheid.
Met het vertalen van het element in het collectegebed “te opitulante” met “geef ons uw hulp…” kunnen we op het terrein komen van de Pelagiaanse discussie. De Latijnse collectegebeden vermijden zelfs alles wat maar kan zwemen naar het Pelagianisme (1) als het gaat om Gods “hulp”. In het collectegebed van vandaag lezen we  (letterlijk): dat wij zelf in die liefde waarmee uw Zoon uit liefde tot de wereld zich aan de dood heeft overgeleverd, mogen worden bevonden”. In het Latijn spreken we over caritas, naastenliefde, offerliefde welke van de kant van God met betrekking tot ons vrije genadegaven zijn. Caritas is de theologische deugd die ons in staat stelt God vanwege Hem zelf te beminnen en onze naasten zoals onszelf. De Nederlandse vertaling van het collectegebed wil dat wij “naar zijn voorbeeld” een leven van liefde leiden. De “sensus catholicus” gaat echter verder. Zeker, Christus en zijn liefde zijn ons volmaakt “voorbeeld”. Maar de Latijnse versie  verbindt ons veel intiemer met die liefde, en wel in die mate dat Gods “hulp” actueel er in voorziet dat wij alles wat we doen in een diepe eenheid met Christus’ eigen liefde doen. Wij zijn zozeer één met Hem dat wij in onze liefde als Christus worden. Zijn liefde leeft en werkt in en door ons. Zij is de onze en wij zijn de zijne. Dat is meer dan een voorbeeld ter navolging of een steuntje in de rug Christus zelf is in ons werkzaam.
Onze krijgsdienst en discipline als milites Christi (“strijders van Christus) gaan veel verder dan het goede voorbeeld. De eerste eigen prefatie voor deze liturgische tijd wijst op het belang van meer toeleg op het bidden, van grotere aandacht voor de liefde tot de naaste en grotere trouw aan de sacramenten om in die gesteldheid met vreugde en een zuiver hart naar het Paasfeest op te gaan. Vooral heilzaam in dit kader is de volledige, actieve en bewuste deelname aan het de liturgie met name aan het mysterie van de H. Mis en de H. Biecht.
(1)    Het Pelagianisme, onder andere bitter bevochten door de H. Augustinus van Hippo in de 4e en 5e eeuw, was een ketters geloof dat stelde dat de erfzonde de menselijke natuur niet had verwond en dat onze wil in staat is het goede of kwade te kiezen zonder de hulp van Gods genade. Daarnaast geloofde hij wel dat Gods genade bij elke goede daad hielp. Pelagius geloofde niet dat de gehele mensheid schuldig in de zin van Adam was. Hij vond dat Adam de mensheid door zijn slechte voorbeeld had veroordeeld, en dat Christus' goede voorbeeld de mensheid een weg naar de verlossing bood, door het offer en door de opvoeding van de wil, maar dat de mensheid zelf volledig de verantwoordelijkheid droeg voor zijn redding.

(Tekst voor een deel onder dank ontleend aan  Father Zuhlsdorf,WDTPRS)

Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica quinta Quadragesimæ Vijfde zondag van de Veertigdagentijd. Wij smeken gerekend te mogen worden onder de ledematen van Hem, aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben.



 Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Wij smeken gerekend te mogen worden onder de ledematen van Hem,
aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben.

I n l e i d i n g
De bede in de Postcommunio van deze zondag leunt aan tegen een concept uit de Eerste Brief aan de Korinthiërs. Dat wordt onmiddellijk duidelijk wanneer men de Latijnse tekst bekijkt die voor de samensteller van deze oratie bepalend was: “Calix benedictionis, cui benedicimus, nonne communicatio sanguinis Christi est? Et panis, quem frangimus, nonne participatio corporis Domini est?” (1 Kor 10, 16) – “Geeft niet de beker der zegening die wij zegenen, gemeenschap met het Bloed van Christus? Geef niet het brood dat wij breken, gemeenschap met het Lichaam van Christus?” De H. Paulus  trekt uit het deelhebben aan het Lichaam en Bloed van Christus de conclusie: “Quoniam unus panis, unum corpus multi sumus, omnes qui de uno pane participamus” (10, 17)  –“Omdat het brood één is, vormen wij allen tesamen één lichaam, want allen hebben wij deel aan het ene Brood.
Het Ene Lichaam is tegelijkertijd het Lichaam, waarvan Christus het Hoofd is. De Eucharistie staat dus in het innigst verband met het corpus Christi mysticum, het mystieke Lichaam van Christus, daar zij de eenheid bevordert van ons, de ledematen,  onderling, én met het Hoofd, onze Heer Jezus Christus. Dat bewerkt dit sacrament en de Postcommunio bidt om deze genade.
De encycliek van Paus Pius XII (29 juni 1943) ‘Mystici Corporis Christi’, Over het mystieke Lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus (Eccclesia Docens, Hilversum 1957) handelt integraal over dit onderwerp en is vandaag nog even lezenswaardig als zij bij verschijning was.

T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Quaesumus, omnipotens Deus,
ut inter eius membra semper numeremur,
cuius Corpori communicamus et Sanguini.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Almachtige God, wij vragen U:
laat ons ledematen blijven van Hem,
die ons doet delen in zijn Lichaam en Bloed: Christus onze Heer.

Werkvertaling
Wij smeken U, almachtige God,
dat wij altijd gerekend mogen worden onder de ledematen van Hem,
aan wiens Lichaam en Bloed wij deelhebben.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De brontekst van de postcommunio van deze zondag wordt gevonden in het Sacramentarium Gelasianum Vetus (Vat. Reg. lat. 316), 1116, eerste helft van de achtste eeuw. Deze tekst is vervolgens middels minstens 40 handschriften verspreid over het Europese continent en de Angelsaksische eilanden.
In het Missale Romanum 1962 was dit onder andere de oratio post communionem van zaterdag na de 3e zondag van de Vasten.
(E. Mœller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, VII, P-Q, Brepols, Turnhout 1995, p. 287, nr. 4889) en Pl. Bruylants, Les Oraisons du Missel Romain, I-II, Leuven, 1962, 942)
In MR 1970 werd semper in de tekst ingevoegd maar, merkwaardig genoeg,  in de tekst van het Nederlandse Altaarmissaal niet opgenomen.

B i j b e l s e  b r o n n e n 
1 Kor 12, 12-27: De eenheid van de kerkgemeenschap in vergelijking met het lichaam en zijn ledematen
1 Kor 10, 16-17: het deelhebben aan het Lichaam en Bloed van Christus

G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
H. Augustinus   (354-430), bisschop van Hippo, grootste van de Latijnse kerkvaders,
Sermo 57, 7. 7
Het eucharistisch brood zal ons dagelijks brood zijn, dat nodig is voor dit leven. Wanneer we bij Christus zelf gekomen zijn, is het niet langer nodig de Eucharistie te ontvangen . . . De Eucharistie is dus voor ons brood voor elke dag. Maar dan moeten we het ook zó ontvangen, dat wij daardoor niet alleen lichamelijk weer op krachten komen, maar ook geestelijk. Want de kracht die door de Eucharistie te verstaan wordt gegeven, is de eenheid; dat wil zeggen, nadat we in het Lichaam van Christus opgenomen zijn en zijn ledematen geworden zijn, zijn wij wat we ontvangen. Slechts dan zal de Eucharistie werkelijk dagelijks brood voor ons zijn. Wat ik u preek, is ook uw dagelijks brood. En de lezingen die gij elke dag in de kerk hoort, zijn ook uw dagelijks brood. En de hymnen die gij hoort en zegt, zijn evenzeer dagelijks brood voor u. Al deze dingen zijn noodzakelijk voor onze huidige tocht door het leven. Maar wanneer wij het einddoel hebben bereikt, hoeven we toch niet meer te luisteren naar een boek, dat voorgelezen wordt?  Wij zullen het Woord zelf zien, en horen, en eten, en drinken. . . de Waarheid zelf.
*
De Civitate Dei 10, 6
Zoals wij in een en hetzelfde lichaam vele ledematen hebben, hebben deze niet alle dezelfde taak. Zo vormen wij velen tezamen ook één lichaam in Christus, maar als enkelingen zijn wij ledematen, op elkander aangewezen, in het bezit van verschillende gaven, overeenkomstig de genade die ons gegeven is.
Dat is de offerande van de christenen, velen vormen één lichaam in Christus. Dat brengt de Kerk ook dikwijls in praktijk bij het altaar-sacrament, dat de christenen bekend is en waar aan die Kerk wordt voorgehouden, dat in hetgeen zij offert, zij zichzelf offert.

De heilige Johannes Chrysostomus  schreef navolgende aansporing die tevens kan dienen als zogenaamde vastenspiegel, dat wil zeggen een leidraad om in de Vastentijd ons extra bewust te zijn waar we op moeten letten om goede christenen te zijn.

H. Johannes Chrysostomus (344-407), bisschop van Constantinopel, Griekse kerkvader
Ex Homilia 46 in Ioannem, 7.
Wij moeten noodzakelijkerwijze, zeer geliefden, het wonderbare mysterie van Christus’ Lichaam en Bloed leren kennen, wat het is, waarom het gegeven is en wat het voordeel daarvan is. Eén lichaam worden wij,; ledematen zegt Hij, van Zijn Vlees en Zijn beenderen. Volgen wij die ingewijd zijn, nu wat er gezegd wordt. Vermengen wij ons dus met Zijn Vlees om niet alleen door de liefde, maar ook in werkelijkheid één te worden met Hem; dit immers geschiedt door de spijs die Hij ons geschonken heeft, omdat Hij Zijn groot verlangen naar ons wilde tonen. Daarom heeft Hij zichzelf met ons vermengd, en Zijn Lichaam in ons doen opgaan, opdat wij een eenheid zouden zijn als één  lichaam met het Hoofd verbonden; dit is het verlangen van degenen die vurig beminnen. Keren wij dan van deze tafel terug als leeuwen die vuur briesen, vreselijk geworden voor de duivel, en laat ons in de geest ons Hoofd aanbidden en de liefde die Hij ons toont. Ouders geven wel dikwijls hun kinderen aan anderen ter voeding, Ik echter, zegt Hij, doe niet aldus, doch Ik voed u met Mijn Vlees en zet Mijzelf aan u voor, verlangende dat gij allen edelmoedig zoudt zijn, en Ik geef u een goede hoop voor de toekomst: want Ik, die hier Mijzelf aan u heb overgegeven, zal het in de toekomst nog doen in hogere mate. Uw broeder wilde ik worden, om uwentwil ben Ik deelachtig geworden aan uw vlees en bloed; op mijn beurt lever Ik u dat Vlees zelf en dat Bloed over, waardoor Ik uw broeder geworden ben.
Daar wij nu zo grote goederen genieten, moeten wij over onszelf waken, en wanneer wij iets schandelijks willen zeggen, of wanneer wij zien dat wij door toorn of door enige andere ondeugd  van die aard worden meegesleept, moeten we bedenken, welke voorrechten wij waardig zijn geworden; zulk een overweging moet de verbetering zijn van onze onredelijke strevingen. Met hoevelen wij dus deelachtig worden aan dit Lichaam, met hoevelen wij proeven van dit Bloed, met zovelen moeten wij overwegen dat wij Hém genieten, die daar boven is gezeten, die door de Engelen wordt aanbeden, die zich bevindt bij de onbederfelijke kracht. Wat al wegen zijn er tot ons heil. Ons heeft Hij tot Zijn Lichaam gemaakt; Zijn Lichaam heeft Hij ons meegedeeld, en toch houdt niets van dit alles ons af van het kwaad . . .
( . . .)
Geven wij acht op onszelf bij het genieten van deze spijs. Bedenken wij, voordat wij gaan kwaadspreken of toornig worden, of aan een andere hartstocht toegeven, waartoe wij waardig geacht worden en welke Geest wij mogen smaken. Deze gedachte zal ons waarschuwen tegen redeloze hartstochten. Hoelang nog zullen wij ons blijven vastklampen aan het aardse? Wanneer zullen wij eindelijk ontwaken? Hoelang nog blijven wij zorgeloos omtrent onze zaligheid? Bedenken we derhalve waartoe God ons waardig heeft geacht en danken en verheerlijken wij Hem, niet alleen door ons geloof, maar ook door het stellen van daden, opdat wij deelachtig mogen worden aan de eeuwige goederen door de genade en menslievendheid van onze Heer Jezus Christus, aan Wie met de Vader en de Heilige Geest alle glorie toekomt, nu en altijd en in de eeuwen der eeuwen. Amen.

H. Leo de Grote, paus (440-461)
Sermo 63, 7
Niets anders immers werkt de deelname aan het Lichaam en Bloed van Christus uit, dan dat wij veranderd worden in datgene, wat wij nuttigen; en dat wij Hem, in Wie wij medegestorven, medebegraven en medeverrezen zijn, in alle opzichten in onze geest en in ons vlees dragen, volgens het woord van de Apostel: “Gij zijt immers gestorven en uw leven is met Christus verborgen in God. Maar wanneer Christus, uw Leven verschijnen zal, dan zult gij ook verschijnen in de heerlijkheid te samen met Hem”(Kol 3, 3 e.v.), die met de Vader en de Heilige Geest leeft en heerst in de eeuwen der eeuwen. Amen.

Uit Sermo 15, 3 (De pasione Domini)


Vanaf zaterdag zijn alle kruisbeelden afgedekt in ons klooster - Wij gedenken het Lijden en Sterven van Christus




zaterdag 2 april 2022

Reeks Oratio super munera Vijfde zondag Veertigdagentijd Ingewijd in de kennis van het christelijk geloof

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd I

 Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Ingewijd in de kennis van het christelijk geloof

I n l e i d i n g
Na zijn aankomst in Korinte ontmoette de apostel Paulus enkele leerlingen aan wie hij vroeg of zij de heilige Geest hadden ontvangen toen zij het geloof hadden aangenomen. Daarop kwam het antwoord: “Wij hebben niet eens gehoord dat er een heilige Geest bestaat”. Toen Paulus verder vroeg met welk doopsel zij dan wel waren gedoopt en zij zeiden met dat van Johannes, hernam Paulus: “Johannes diende een doopsel toe ten teken van bekering, maar zei aan het volk dat zij moesten geloven in Die na hem kwam, dat is Jezus”. Toen zij dit gehoord hadden, lieten zij zich dopen in de naam van de Heer Jezus.  (Cf Hand 19, 1-5)
“Ergo fides ex auditu, auditus autem per verbum Christi: het geloof ontstaat dus door het horen [van de prediking], het horen echter door het woord van Christus (Rom 10,17).

God heeft de biddende gelovigen onderricht met “de kennis van het christelijk geloof”. Dat gold gedurende de eerste eeuwen van het christendom voor het geloofsonderricht aan doopkandidaten in de vastentijd– en thans nog in een aantal Afrikaanse landen – daar de oorspronkelijke versie van het Gebed over de gaven van “primitiæ”, over het onderricht aan “eerstelingen”, over de catechumenen, sprak.
Met de tekstverandering in het Romeins Missaal 1970 is de oratie niet meer exclusief bedoeld voor de doopleerlingen, maar mag nog steeds worden gedacht aan onderricht en vorming zoals door middel van vastenpreken en dergelijke.
Het Gebed over de gaven doet veronderstellen dat het onderricht betrekking heeft op het Offer van Christus, in het bijzonder op de reiniging van het kwaad, een van de effecten die Eucharistisch Offer bewerkt.

T e k s t

Missale Romanum – 1970
Exaudi nos, omnipotens Deus,
et famulos tuos quos fidei christianæ eruditionibus imbuisti,
huius sacrificii tribuas operatione mundari.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Almachtige God, verhoor ons gebed
en laat dit offer ertoe bijdragen dat uw dienaren gereinigd worden,
die Gij hebt ingewijd in de kennis van het christelijk geloof.

Werkvertaling 
Verhoor ons, almachtige God,
en geef dat uw dienaren, die Gij in de leringen van het Christelijke geloof hebt onderricht,
gezuiverd worden door de kracht van dit offer.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van Latijnse oratie is afkomstig uit het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 255, 260 (Vat. Reg. lat. 316), eerste helft achtste eeuw. Hier stond de oratie genoteerd als de Secreta in het misformulier van Feria secunda hebdomadæ quintæ quadragesimæ (maandag van de 5e week van de Vasten) én in dat van Dominica quinta quadragesimæ, Passiezondag, de mis die bij het derde scrutinium “bij het openen van de oren” werd gecelebreerd als oratio super oblata. (E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, IV, E-H, Brepols, Turnhout 1994, p. 75, nr. 2528)
Met slechts één variant, de vervanging van de term primitiis door eruditionibus, werd de oratie integraal overgenomen door de samenstellers van het Missale Romanum 1970. De oratie kwam niet voor in het Missale Romanum 1962.

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n

1. Exaudi nos, omnipotens Deus,
2. et famulos tuos quos fidei christianæ eruditionibus imbuisti,
huius sacrificii tribuas operatione mundari.

Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin, opgebouwd uit twee halfzinnen (nevengeschikte zinnen) verbonden door de coniunctie et. Daarbij wordt de tweede halfzin onderbroken door een relatieve bijzin ingeleid door quos. Beide halfzinnen dragen een prædicaatsvorm en een bede: in de eerste halfzin (r. 1) de imperativusvorm exaudi, in de tweede halfzin de coniunctivusvorm tribuas als een opwekking en een omschreven imperativusvorm. In de eerste halfzin wordt een beroep gedaan op de almacht van God ter verhoring, in de tweede halfzin wordt gevraagd om gezuiverd te worden uit kracht van de H. Eucharistie.

Ad 1
Openingszin van de oratie met, krachtig, de imperativusvorm exaudi (enkelvoud) van het prædicaat aan de spits, gevolgd door het object nos in de accusativusvorm. Omnipotens Deus, almachtige God, - anaklese in congruerende vocativusvormen. De orationes super oblata zijn tenslotte theologisch. God Zelf wordt aangesproken, Hij is de eerste actief handelende en de ontvanger van de offergaven en de aanbidding van de kant van de Kerk.  Het alleen aan God voorbehouden attribuut “omnipotens” plaatst God buiten alle beperking en begrenzing van tijd en ruimte: Hij is de Almachtige: Hij overstijgt het mensdom en heel de schepping in Zijn wezenheid en in Zijn heerlijkheid. Het is een frequent voorkomend epitheton dat gevonden wordt in de prefaties en de traditionele oraties van de sacramentaria (Gregorianum en Gelasianum Vetus) maar ook in de psalmen.
Ad 2
In de tweede halfzin is tribuas (2e pers. coniunctivi præsentis) het prædicaat: moge Gij geven, geef, gevolgd door de a.c.i. (accusativus cum infinitiv0) – constructie: famulos tuos […] mundari, dat uw dienaren gezuiverd worden. Mundari: infinitivus præsentis in het passivum van mundare.
De a.c.i.-constructie omklemt de relatieve bijzin quos […] imbuisti die een nadere omschrijving geven van famulos tuos. Imbuisti: prædicaat met ingesloten subject dat verwijst naar omnipotens Deus (r. 1), fidei christianæ eruditionibus, met de onderrichtingen van het christelijke geloof: bijwoordelijke bepaling waarvan eruditionibus een ablativus instrumentalis is en fidei christianæ twee congruerende genitivusvormen die het onderricht nader bepalen: genitivus explicativus.
Huius sacrificii […] operatione, uit kracht van/door de werking van dit Offer, bijwoordelijke bepaling, bestaande uit de ablativusvorm operatione: ablativus causæ of ablativus instrumentalis en twee congruerende genitivusvormen die de uitwerking van het Offer nader verklaren: genitivus explicativus.
Famulos tuos quos: woordentrits die klank-/eindrijm vertoont.

V o c a b u l a r i u m
Famulus, en de vrouwelijke vorm famula vragen enige attentie, sinds deze begrippen met een zekere frequentie in de collectes en andere gebeden, zoals in de Gebedn over de gaven, van de Romeinse liturgie voorkomen. Deze woorden zijn klaarblijkelijk afkomstig van de oude aan het Latijn verwante Italische taal het Oskisch, dat behoort tot de Sabellische tak van de Italische taalfamilie. Deze taal werd gesproken in de zuidelijke centrale regio van het Apennijnse schiereiland (1).
In het Oskisch betekent faama “huis”. Het concept famulus betekent dus “mensen die in het huis zijn, tot het huis behoren, deel uitmaken van het huis”. De oude huizen van de aristocratische kringen konden zeer ruim zijn met vele bedienden. Een famulus of famula was een bediende, werkzaam in het huishouden, een dienstmeid, een slaaf of een vrijgemaakte persoon. In bepaalde opzichten werden zij beschouwd als leden van de uitgebreide familia = het “geheel van huisgenoten (inclusief de slaven dus)”. Bij de Romeinen werden dus alle gezinsleden én het personeel hiermee aangeduid. Dit verklaart deels hoe hele families, inclusief slaven en bedienden, in de vroege Kerk zich bekeerden tot het Christendom.
Eruditio, onis vr. f.: 1. onderwijs, onderricht (in deze betekenis het eerst door de Romeinse redenaar, politicus, advocaat en filosoof Marcus Tullius Cicero, 106-43 voor Christus, gehanteerd) 2. geleerdheid, vorming, beschaving. Verg. de in het Nederlands gebruikte begrippen: eruditie, erudiet. Het substantivum eruditio hoort bij het verbum e-rudio, erudivi/erudii, eruditum dat betekent “van ruwheid ontdoen, polijsten, beschaven” vandaar onderrichten, onderwijzen. Bij de kerkvaders vinden we het begrip eruditor, onderwijzer, leraar.
Fides, fidei vr.: 1. vertrouwen 2. trouw 3. geloof, ook de deugd van geloof.
Als liturgisch begrip wordt fides gebruikt 1.in absolute zin: fidei augmentumvermeerdering van geloof), fidei confessio (belijdenis van het geloof, geloofsbelijdenis) enz. 2. vergezeld van een adiectivum: fides vera, fides nostra, fides christiana, fides catholica en 3. complementair: fides christianorum, (het geloof van de christenen, genitivus subjectivus), resurrectionis fide (  het geloof in de verrijzenis, genitivus objectivus).
Fidelis, -e: (adiectivum) 1. getrouw 2. onwrikbaar 3. gelovig
Fidelis, -is m. en vr. gelovige; meerv. fideles.
In het schietgebed “Fidelium animæ requescant in pace” zijn de fidelium de overleden gelovigen – Mogen de zielen van de overleden gelovigen in vrede rusten.

Imbuisti, 2e pers. enkelv. perfecti activi van imbuo, bui, butum (causatief van im-bibo) : denken, besproeien, bevochtigen, indompelen. Uitgebreidere betekenissen , in negatieve zin: bezoedelen, bevlekken, en in positieve zin: iemand aan iets gewennen, hem onderrichten, inwijden, met iets vertrouwd maken, iets als het ware inwijden, het eerst leren kennen.

Operatio, -onis vr. substantivum bij het verbum operor, operatus sum, deponens, I, : 1. bezig zijn met 2. arbeiden, werken, werkzaam zijn 3. beschouwen. Het substantivum betekent dan 1. het werken, het handelen 2. werking, werkzaamheid, arbeid.
Als liturgisch thema komen we operatio tegen in de betekenissen van scheppend werk van God (operatio divina), als sacramentele handeling of sacramenteel effect (met name in de oratie van vandaag: operatio huius sacrificii, de werkzaamheid van dit Offer, de werkzaamheid van de H. Eucharistie) naast operatio mysterii, operatio doni cælestis en operatio tuæ virtutis.
G e t u i g e n i s s e n  v a n  d e  V a d e r s
Zie hiervoor
Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Vijfde zondag Veertigdagentijd II

C o m m e n t a a r
De riten van het katechumenaat, voorafgaand aan de christelijke initiatie van volwassenen, bevestigd door een zeer oud gebruik in de Kerk, werden op grond van een besluit van het Tweede Vaticaans Concilie hersteld en herzien (Congregatie voor de Eredienst, 6 januari 1972). De initiatie van de geloofsleerlingen omvat een zekere groei te midden van de gemeenschap van de gelovigen, die samen met de geloofsleerlingen de grote betekenis van het passmysterie overwegen, hun eigen bekering hernieuwen en hen door hun voorbeeld er toe brengen om oprecht aan de Heilige Geest gehoor te geven. Op deze tocht zijn er, behalve perioden van onderzoek (scrutinia) en rijping, trappen of graden van voortgang, waardoor de geloofsleerling, die zijn weg voortzet, als het ware een poort doorgaat of een trede omhoog gaat. In het pre-katechumenaat heeft het onderricht in het Evangelie reeds plaatsgehad: aan de kandidaten werd de levende God verkondigd en Hem die Hij tot allen zond: Jezus Christus. De bedoeling van dit onderricht is dat zij, die geen christen zijn, door de heilige Geest, die hun hart ontvankelijk maakt, gaan geloven en zich uit vrije wil tot de Heer bekeren en zich oprecht aansluiten bij Hem, die, als de Weg, de Waarheid en het leven, al hun geestelijke verwachtingen vervult, ja zelfs oneindig overtreft. Aan dit onderricht in het Evangelie wordt de gehele periode van het pre-katechumenaat besteed, opdat de oprechte wil om Christus te volgen en om het Doopsel te vragen, kan rijpen en duren.
Zijn de eerste grondslagen van het geestelijk leven en van de christelijke leer gelegd: een eerste geloof, het begin van bekering alsook de wil om van leven te veranderen en in Christus met God in contact te treden, een gevoel voor boetvaardigheid en een beginnende gebedspraktijk, alsmede een eerste ervaren van de gemeenschap en van de christelijke geest, dan volgt de opneming onder de geloofsleerlingen en begint het katechumenaat. De periode van innerlijke zuivering en verlichting die daarvan vast onderdeel is, viel en valt naar oude gewoonte in de Veertigdagentijd, tijd van geestelijke vernieuwing voor de gelovigen ter voorbereiding op de paasviering. In de Veertigdagentijd die aan de initiatiesacramenten van Doopsel, Vormsel en H. Eucharistie, voorafgaat hebben de verschillende riten van onderzoek en overdracht plaats.
Wat betreft het drievoudig onderzoek (scrutinium): dit vindt plaats op de derde, vierde en vijfde zondag van de Veertigdagentijd en wordt telkens besloten met een exorcisme. Het doel van deze onderzoeken is bij de doopleerlingen het verlangen naar innerlijke zuivering en verlossing door Christus op te wekken. Daartoe worden zij geleidelijk onderricht over het mysterie van de zonde waarvan de gehele wereld en elke mens verlangt bevrijd te worden om de gevolgen daarvan in het heden en in de toekomst niet meer te ondervinden. Voorts worden de geloofsleerlingen  doordrongen van het besef wat Christus als Verlosser voor hen betekent: levend water (evangelie over het gesprek van Jezus met de Samaritaanse vrouw), licht (evangelie van de blindgeborene), verrijzenis en leven (evangelie van de opwekking van Lazarus), zodat zij gezuiverd van geest en hart, versterkt tegen de bekoringen en met uitgezuiverde bedoelingen en wil zich nauwer bij Christus aansluiten en zich beter toeleggen op de liefde tot God.

Het Gebed over de gaven van vandaag was de Secreta van het misformulier van de vijfde zondag van de Vasten in het Gelasiaanse Sacramentarium bij het derde scrutinium “bij het openen van de oren”. De huidige  liturgie heeft bij dit laatste scrutinium waarbij de geloofsbelijdenis wordt opgezegd ook de ‘Effeta-ritus’ bewaard. De celebrant raakt met zijn duim het rechter- en linkeroor en de gesloten mond van de ‘uitverkorenen’ of ‘competentes’ (zij die vragen om het Doopsel) of nog ‘illuminandi’ (zij die verlicht moeten/zullen worden) aan, en zegt daarbij:
 “Effeta, dat betekent: Ga open,
om het geloof dat uw oren hebben vernomen
met de mond te belijden
tot lof en eer van God”.

Samengesteld uit: Nationale Raad voor Liturgie, “Liturgie van de sacramenten en andere kerkelijke vieringen. het doopsel van volwassenen”, 1977.

(1) Het Oskisch was een Italische taal met als kerngebied Samnium en Campanië, het gebied der Bruttii en een deel van Sicilië. Samen met onder meer het Umbrisch vormt het Oskisch de tak der Sabellische talen. Het Oskisch is bekend uit inscripties vanaf 400 v.Chr. Van het totale corpus, dat uit ongeveer 250 inscripties bestaat, zijn de Tabula Bantina en de Cippus Abellanus de belangrijkste. De taal is al sinds de oudheid uitgestorven. Dialecten van het Oskisch zijn: het Samnitisch, het Marrucinisch, het Paelignaans, het Vestiniaans, het Sabijns, het Volscisch en het Marsisch. Het Oskisch maakte gebruik van het Latijnse, het Griekse en een eigen, Oskisch alfabet. (Ontleend aan Wikipedia)