Posts tonen met het label Dominica IV Quadragesimae. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dominica IV Quadragesimae. Alle posts tonen
zondag 30 maart 2025
Overweging God is anders - 4QC
Vooral in het verleden zagen zeer veel mensen God nooit zonder angst. In hun verbeelding ziet God somber neer op de aarde en zoekt met scherpe blik naar fouten. Hij controleert en haalt je zakken leeg als een douanier of Hij steekt zijn hand omhoog als een agent: ‘Meneer, u bent in overtreding!’ In hum ogen is God nooit tevreden. Ook als Hij van je houdt, ziet Hij je toch maar staan in je kleinheid , in je alsmaar overtreden van de wet. Zo’n kijk op God stoot af want van zo’n God mag niks. Dan is de God van het evangelie, die Jezus een vader noemde, heel anders. Hij is een God van leven en liefde en al het andere mag je vergeten, toorn, afstand, wraak, … Stel u God voor als een vader die door zijn zoon in de steek is gelaten en geen moment denkt aan wraak maar aan terugzien; die dagelijks met de hand boven de ogen de weg afzoekt en in de verte tuurt. En áls hij dan in de verte zijn kind ziet aankomen hem tegemoet snelt, kust en omhelst en een feest geeft. Waar is hier de zonde? Het verwijt? Waar vraagt de vader om verantwoording? De jongen nam wel het initiatief en ging terug naar zijn vader in het besef dat hij de plank had misgeslagen. Zijn vader heeft hem omhelsd. Afgelopen! Vergeven en vergeten. Het is jammer dat sommige christenen soms zo somber kijken. Ze kijken blijkbaar niet dat gevoel van innerlijke vrijheid dat hun geloof toch kan geven. Misschien beelden zij zich in dat God hun geen echte levensvreugde gunt. Dit, terwijl de Bijbel zegt: ‘Leef in vrijheid’. Natuurlijk spoort de Bijbel niet aan tot ongebondenheid: leef maar raak, doe maar aan, laat je maar gaan bij alles waarheen je gedreven wordt door bepaalde krachten. Maar het leven kan wél van een nieuwe, van een andere vrijheid worden doortrokken. Je bent je ervan bewust dat je door God gedragen wordt, dat je bij Hem geborgen bent. God schenkt ons een nieuw leven, stort Zijn kracht in ons uit. Tenslotte neemt Hij ons van het sterfbed mee naar een ander en gelukkiger leven. Dit leidt tot vertrouwen. Heeft Hij niet gezegd: ‘Wie gelooft in Mij, wie vertrouwt op Mij, die heeft eeuwig leven?’ Wanneer je iets wilt zeggen, heb je niet altijd woorden nodig. Je kunt de deur hard achter je dichtsmijten, op je voorhoofd tikken…. Iedereen begrijpt het. In het levensverhaal van Jezus spelen tekens een belangrijke rol. Mensen drukken hun geloof uit in een teken. Een zieke vrouw raakt de kleren van Jezus aan. Een andere kust de voeten van Jezus. Jezus begrijpt die tekens en zegt: ‘Uw geloof heeft u gered, ga in vrede.’ Jezus zelf gebruikte zelf ook tekens. Hij omhelsde kinderen om hen te zegenen. Hij legde zieken de handen op. In de tekens van brood en wijn geeft God zichzelf. Na de dood van Jezus begonnen tekenen een belangrijke plaats in te nemen in de gemeenschap van zijn volgelingen. Degenen die in God geloofden, maakten dit kenbaar door zich te laten dopen. Hun geloof maakten zij zichtbaar door tekens. Dit doen christenen nog steeds: denk maar eens aan de mis en aan de ziekenzalving. Waar deze tekens gesteld worden, is God aanwezig met zijn hulp, zijn goedheid, vrede en liefde.
Lezingen H. Mis 4e zondag van de veertigdagentijd, jaar C Er moet feest en vrolijkheid zijn, omdat die broer van je dood was en levend is geworden.
Eerste lezing (Joz. 5, 9a.10-12)
Uit het boek Jozua.
In die dagen sprak de Heer tot Jozua:
“Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.”
Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren,
vierden zij het Paasfeest op de veertiende dag van de maand,
in de avond in de vlakte van Jericho.
En daags na Pasen, juist op die dag,
aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan
dat van het land zelf afkomstig was.
De volgende dag hield het manna op;
ze konden nu eten wat het land voortbracht.
Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer;
zij aten gedurende heel het jaar wat Kanaän voortbracht.
Tweede lezing (2 Kor. 5, 17-21)
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters,
wie in Christus is, is een nieuwe schepping:
het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.
En dit alles komt van God.
Hij heeft ons door Christus met zich verzoend
en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd.
Ja God was het
die in Christus de wereld met zich verzoende:
Hij telde de fouten van de mensen niet
en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee.
Wij zijn dus gezanten van Christus,
God roept u op door ons woord.
Wij smeken u in Christus’ Naam:
laat u met God verzoenen!
Hem die geen zonde heeft gekend
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt,
opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.
Evangelie (Lc. 15, 1-3.11-32)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd
kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van het land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en teruggevonden.”
Uit het boek Jozua.
In die dagen sprak de Heer tot Jozua:
“Vandaag heb Ik de smaad van Egypte van u afgewenteld.”
Terwijl de Israëlieten in Gilgal gelegerd waren,
vierden zij het Paasfeest op de veertiende dag van de maand,
in de avond in de vlakte van Jericho.
En daags na Pasen, juist op die dag,
aten zij ongezuurd brood en geroosterd graan
dat van het land zelf afkomstig was.
De volgende dag hield het manna op;
ze konden nu eten wat het land voortbracht.
Voortaan kregen de Israëlieten geen manna meer;
zij aten gedurende heel het jaar wat Kanaän voortbracht.
Tweede lezing (2 Kor. 5, 17-21)
Uit de tweede brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Korinte.
Broeders en zusters,
wie in Christus is, is een nieuwe schepping:
het oude is voorbij, het nieuwe is al gekomen.
En dit alles komt van God.
Hij heeft ons door Christus met zich verzoend
en ons, apostelen, de dienst van die verzoening toevertrouwd.
Ja God was het
die in Christus de wereld met zich verzoende:
Hij telde de fouten van de mensen niet
en ons gaf Hij de boodschap van de verzoening mee.
Wij zijn dus gezanten van Christus,
God roept u op door ons woord.
Wij smeken u in Christus’ Naam:
laat u met God verzoenen!
Hem die geen zonde heeft gekend
heeft Hij voor ons tot zonde gemaakt,
opdat wij door Hem Gods eigen heiligheid zouden worden.
Evangelie (Lc. 15, 1-3.11-32)
Uit het heilig evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Lucas.
In die tijd
kwamen de tollenaars en zondaars van allerlei slag bij Jezus
om naar Hem te luisteren.
De Farizeeën en de Schriftgeleerden morden daarover en zeiden:
“Die man ontvangt zondaars en eet met hen.”
Hij hield hun deze gelijkenis voor:
“Een man had twee zonen.
Nu zei de jongste van hen tot zijn vader:
Vader geef mij het deel van het bezit waarop ik recht heb.
En de vader verdeelde zijn vermogen onder hen.
Niet lang daarna pakte de jongste zoon alles bij elkaar
en vertrok naar een ver land.
Daar verkwistte hij zijn bezit in een losbandig leven.
Toen hij alles opgemaakt had
kwam er een verschrikkelijke hongersnood over dat land
en hij begon gebrek te lijden.
Nu ging hij in dienst bij een der inwoners van het land
die hem het veld instuurde om varkens te hoeden.
En al had hij graag zijn buik willen vullen
met de schillen die de varkens aten,
niemand gaf ze hem.
Toen kwam hij tot nadenken en zei:
Hoeveel dagloners van mijn vader hebben eten in overvloed,
en ik verga hier van de honger.
Ik ga weer naar mijn vader
en ik zal hem zeggen:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
maar neem mij aan als een van uw dagloners.
Hij ging dus op weg naar zijn vader.
Zijn vader zag hem al in de verte aankomen
en hij werd door medelijden bewogen;
hij snelde op hem toe
viel hem om de hals en kuste hem hartelijk.
Maar de zoon zei tot hem:
Vader, ik heb misdaan tegen de hemel en tegen u;
ik ben het niet meer waard uw zoon te heten.
Doch de vader gelastte zijn knechten:
Haalt vlug het mooiste kleed en trekt het hem aan,
steekt hem een ring aan zijn vinger en trekt hem sandalen aan.
Haalt het gemeste kalf en slacht het; laten we eten en feestvieren,
want deze zoon van mij was dood en is weer levend geworden,
hij was verloren en is teruggevonden.
Ze begonnen dus feest te vieren.
Intussen was zijn oudste zoon op het land.
Toen hij echter terugkeerde en het huis naderde
hoorde hij muziek en dans.
Hij riep een van de knechten
en vroeg wat dat te betekenen had.
Deze antwoordde:
Uw broer is thuisgekomen
en uw vader heeft het gemeste kalf laten slachten
omdat hij hem gezond en wel heeft teruggekregen.
Maar hij werd kwaad en wilde niet naar binnen.
Toen zijn vader naar buiten kwam en bij hem aandrong
gaf hij zijn vader ten antwoord:
Al zoveel jaren dien ik u en nooit heb ik uw geboden overtreden,
toch hebt gij mij nooit een bokje gegeven
om eens met mijn vrienden feest te vieren.
En nu die zoon van u is gekomen
die uw vermogen heeft verbrast met slechte vrouwen,
hebt ge voor hem het gemeste kalf laten slachten.
Toen antwoordde de vader:
jongen, jij bent altijd bij me
en alles wat van mij is, is ook van jou.
Maar er moet feest en vrolijkheid zijn,
omdat die broer van je dood was en levend is geworden,
verloren was en teruggevonden.”
zaterdag 26 maart 2022
Collectegebed Vierde zondag Veertigdagentijd Geef dat uw volk zich met grote toewijding en levendig geloof voorbereidt op het komende paasfeest.
De liturgische benaming zondag Lætare is afkomstig van het eerste woord van het Introïtusgezang van de Mis van vandaag, "Verheugt u!" Op zondag Lætare is er een lichte ontspanning in de boetvaardige geest van de Vasten, omdat wij vandaag een vluchtige blik krijgen van de vreugde die met Pasen komt, nu al dichtbij. Wij kunnen vandaag rooskleurige gewaden zien en instrumentale muziek horen spelen (tijdens de Vasten mag er geen instrumentale muziek gespeeld worden en kan het orgel niet worden gebruikt tenzij voor het ondersteunen van het gezang van de gemeenschap). Het gebruik van rooskleurige gewaden is gebonden aan de Statie van de Kerken in Rome.De Statie voor Zondag Lætare is de Heilig Kruisbasiliek van Jeruzalem, waarheen de relieken van Kruis en Lijden uit het Heilige Land door de H. Helena (+c.329), moeder van Keizer Constantinus (+ 337) werden gebracht.
Het was op deze dag voor de Pausen de gewoonte om van goud gemaakte rozen waarvan sommige op
verbazingwekkende wijze waren bewerkt en voorzien van juwelen, die aan katholieke koningen, koninginnen en andere notabelen werden verstuurd. De Bijbelse verwijzing hiervan is Christus als de "bloem" die ontsproten is aan de wortel van Jesse (Is 11:1 - de Vulgaat flos "bloem”of "tak"). Zo werd Lætare ook genoemd Dominica de rosa ... zondag van de Roos. Er was niet veel verbeelding voor nodig om hieruit de rooskleurige gewaden te ontwikkelen. Denk er aan, de kleur van de gewaden wordt rooskleurig genoemd, niet rose.
Missale Romanum 1970
Deus, qui per Verbum tuum humani generis reconcilationem mirabiliter
operaris,
præsta, quæsumus,
ut populus christianus prompta devotione et alacri fide
ad ventura sollemnia valeat festinare.
Altaarmissaal
Nederlandse Kerkprovincie 1979
God, door uw Woord brengt Gij
op wonderbare wijze de verzoening van alle mensen met U tot stand.
Geef dat uw volk zich met grote
toewijding en levendig geloof
voorbereidt op het komende
paasfeest.
Werk vertaling
God, die door uw Woord op
wonderbare wijze de verzoening van het menselijke geslacht bewerkt,
verleen, vragen wij [U],
dat het christenvolk in staat
is zich met prompte toewijding en blijmoedig geloof
te haasten naar de komende [jaarlijks
terugkerende] plechtigheden.
Er is enige gelijkenis tussen het collectegebed van vandaag en dat van de Advent. Op de 2e zondag van de Advent hoorden wij: in tui occursum Filii festinantes..."hen die zich haasten om Uw Zoon te ontmoeten". Op de 3e Zondag (de tweeling-zondag van Gaudete (de enige andere dag voor rooskleurige gewaden) hoorden wij: votis sollemnibus alacri laetitia celebrare...) "om met enthousiaste jubel te vieren door middel van plechtige offeranden." Er is een rooskleurige verwachting in de collecte van vandaag net zoals die er was in de Advent. Het collectegebed van vandaag munt uit door prachtig Latijn.
Let op het prachtige samengaan van alacer fides en prompta devotione ... "enthousiast geloof" en "bereidwillige devotie". Wij weten dat fides "geloof" kan verwijzen naar de bovennatuurlijke deugd, die ons in het Doopsel is gegeven en eveneens naar de inhoud van wat wij geloven. Deze inhoud moet begrepen worden zoals andere dingen die wij kunnen leren en met liefde in herinnering brengen, maar veel belangrijker moeten wij de goddelijke Persoon leren kennen en hen met liefde beschouwen.
Er is een geloof waardoor wij geloven, de deugdzaamheid, die God ons geeft, en een geloof waarin wij geloven, de inhoud van het geloof. Aan de andere kant, terwijl fides een bovennatuurlijke deugd is, is devotio een "actieve" deugd volgens St. Thomas van Aquino in de Summa Theologica. De doctor angelicus schreef: "De innerlijke of menselijke oorzaak van devotie is beschouwing of meditatie. Devotie is een daad van de wil waardoor een mens zichzelf prompt aan de dienst van God geeft. Iedere wilsacte komt voort uit een of andere overweging van het intellect, aangezien het voorwerp van de wil een gekend goed is; of, zoals Augustinus zegt, het willen komt voort uit het begrijpen. Derhalve is meditatie de oorzaak van devotie aangezien de mens door meditatie het idee verwekt zichzelf aan de dienst van God te geven" (STh II-II 82,3).
De predikant Louis Bourdaloue, jezuïet (1632-1704) begreep devotie als "een devotie tot de plicht". Wat wij vóór alles moeten doen en dat geldt ook voor onze "devoties", is de geboden van God onderhouden en trouw blijven aan de plichten van onze levensstaat. Er is een wisselwerking tussen onze devoties en onze devotie.
Ieder van ons heeft een positie of een plaats in het leven, een levensstaat, een door God gegeven roeping, die wij verplicht zijn te volgen. Wij moeten gehecht zijn aan die staat in het leven, en de plichten die deze hier en nu meebrengt. Dat "hier en nu" is belangrijk. Wij moeten ons niet instellen op de staat, die wij eens gehad hebben, of wensen die te hebben, of gehad zouden hebben, of eens zouden hebben: dit zijn onwerkelijke en misleidende fantasieën, die ons afleiden van de werkelijkheid en de wil van God.
Indien wij werkelijk toegewijd zijn - in de zin van actieve deugd - om onze plichten van staat te vervullen zoals die hier en nu werkelijk is, dan zal God ons elke actuele genade geven die wij nodig hebben om onze roeping te vervullen. Waarom kunnen wij er moedig op vertrouwen dat God ons helpt? Indien wij de plichten van onze levensstaat vervullen, dan vervullen wij ook onze eigen rol in Zijn grote plan, Zijn opzet van nog vóór de schepping van het universum. God zal ons daarom zeker helpen. En als wij toegewijd zijn aan onze staat zoals die werkelijk is, dan kan God ons ook leiden naar een nieuwe roeping wanneer en als dat Zijn wil voor ons is. Getrouw aan wat wij hier en nu moeten doen, willen wij openstaan voor iets dat God ons later te doen wil geven. Dit hechten aan de werkelijkheid en de zin van plichtsgetrouwe gehoorzaamheid door de actieve deugd devotio is een noodzakelijk deel van godsdienst in overeenstemming met de Bijbelse principes in 1 Jo 2, 3-5:
En hieraan weten we, dat we Hem kennen: wanneer wij zijn geboden onderhouden. Wie zegt: Ik ken Hem, doch zijn geboden niet onderhoudt, hij is een leugenaar, en in hem is de waarheid niet. Maar wie zijn woord onderhoudt, in hem is waarlijk de volmaakte liefde tot God; hieraan erkennen we, dat we in Hem zijn. Wie beweert in Hem te blijven, die moet wandelen, zoals Hij heeft gewandeld.
Met toestemming onder dank overgenomen en vertaald.
Reeks Oratio super munera Vierde zondag Veertigdagentijd - Gaven aangeboden tot heil van de wereld
Vierde
zondag Veertigdagentijd / Zondag Lætare
Gaven, omringd met geloof en eerbied,
aangeboden tot heil van de wereld.
I
n l e i d i n g
De gaven die wij volgens de woorden van
de oratio Super munera van deze zondag “met vreugde aanbieden” zijn niet meer
louter brood en wijn, maar het “remedium sempiternum”, het eeuwige
redmiddel, “eeuwig” omdat het altijddurende
redding bewerkt. Dit heilsmiddel is het Lichaam en Bloed van Jezus Christus. Op
deze heilsmiddelen heeft de tweevoudige bede van de oratie betrekking:
God moge in Zijn goedheid bewerken (“perficias”) dat wij deze gelovig
vereren en op passende wijze (“met eerbied”) voor het heil van de wereld
offeren.
Het
gebed over de gaven van vandaag brengt ons volledig vertrouwen op God tot
uitdrukking. Hij schenkt ons de gave van een eeuwig heel-, heilsmiddel (remedium aeternum). Als het Latijn spreekt over een
remedie, is er impliciet sprake van een ziekte. Welke ziekte wordt hier
bedoeld? Dat is de ziekte die zonde heet. Het sacrament is het eeuwig
heelmiddel voor de ziekte van de zonde: de erfzonde en persoonlijke zonden. De
infectie van de zonde zou eeuwig zijn als God ons niet een heelmiddel voor
altijd zou hebben gegeven: de H. Eucharistie
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Remedii sempiterni munera,
Domine, lætantes offerimus,
suppliciter exorantes,
ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
suppliciter exorantes,
ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie
– 1979
Heer, met vreugde brengen wij deze gaven die Gij
voor ons eeuwig heil hebt bestemd.
Wij vragen U ootmoedig: geef dat wij ze met geloof en
eerbied omringen
en op waardige wijze aanbieden voor het heil van de
wereld.
Werkvertaling
Diep gebogen biddend,
offeren wij, Heer, met vreugde de gaven van ons
eeuwig heilsmiddel,
opdat U bewerkt dat wij deze én gelovig vereren
én dienovereenkomstig voor het heil van
de wereld aanbieden.
L i
t u r g i s c h e a n t e c e d e n t e
n
De vreugdevolle oratio Super munera of
het Gebed over de gaven was niet in het Romeinse Missaal 1962 opgenomen, maar
is met enkele kleine tekstverschillen (ipv fideliter: digni en ipv salute
mundi: salvandis) afkomstig uit het Sacramentarium Gelasianum Vetus, eerste
helft achtste eeuw. In deze collectie was de oratie de Secreta van de 4e zondag
van de Vasten en droeg de ondertitel
“scrutinium secundum”, tweede scrutinium, tweede onderzoek, waarmee het
onderzoek van de catechumenen die zich
op het H. Doopsel voorbereidden, wordt bedoeld. Het begrip scrutinium is ook de
naam voor stemming of een wijze van stemming, waarbij de meerderheid beslist,
in het bijzonder gebruikt voor de stemming bij de pauskeuze. Ook wordt het regelmatig onderzoek door
de bisschop van de kandidaten voor het priesterschap op het seminarie met deze
term aangeduid. Ook in kloosters wordt de stemming over de toelating van
candidaten tot de verschillende fasen van het Godgewijde status (noviciaat en
professies) aangeduid als scrutinium.
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l f i g u r e n
1. Remedii sempiterni munera,
Domine, lætantes offerimus,
2. suppliciter exorantes,
3. ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
2. suppliciter exorantes,
3. ut eadem nos et fideliter venerari,
et pro salute mundi congruenter exhibere perficias.
Het Gebed over de gaven bestaat uit één enkele zin,
op te splitsen in de hoofdzin (r. 1-2) in de indicativus waarin de actuele en
dubbele status van de gemeenschap wordt omschreven: offerend en biddend. De
hoofdzin omvat de tussenzin suppliciter
exorantes die gevolgd wordt door een finale / doelaanwijzende of consecutieve /
gevolghebbende bijzin (r. 3) met eveneens een dubbele bede tot God dat zijn
genade haar uitwerking mag hebben ten voordele
van ons als offerende en biddende gelovigen alsmede voor het heil van de
wereld.
Opmerkelijk
is dat de oratie zes vormen van het verbum bevat. Zoveel actie in een oratie
van vier regels.
Onmiddellijk doet deze oratie ook denken aan de
tekst “Hostias et preces tibi Domine laudis offerimus” van het offertorium uit
de liturgie van de overledenen, het Requiem, bijvoorbeeld van de componisten Mozart, Fauré, Verdi en Perosi.
Ad 1
Offerimus, wij offeren – prædicaat met ingesloten
subject, vergezeld van de kwalificerende bijstelling lætantes, 1e
persoon meervoud mannelijk en vrouwelijk van het participium præsens van het
deponens lætari congruerend met het subject.
Object van het prædicaat is de woordengroep remedii
sempiterni munera: munera staat in de accusativusvorm meervoud onzijdig en
wordt toegelicht door de bijvoeglijke bepaling in twee congruerende
genitivusvormen: genitivus explicativus of te lezen als een genitivus
objectivus: offergaven die dienen tot een red-, hulpmiddel voor de eeuwigheid.
Lætantes (r. 1) en exorantes r. 2) kennen klank- en
eindrijm.
Domine, [o] Heer – anaklese in de vocativusvorm.
Ad 2
Tussenzin bestaande uit een volgende bijstelling:
exorantes suppliciter, eveneens meervoudsvorm van het participium præsens
exorans congruerend met het subject van
offerimus, vergezeld van de bijwoordelijke bepaling suppliciter, smekend.
Hiermee wordt de betekenis van de compositumvorm exorare [ex-orare = smeken,
smekend bidden], dat een intensivering van het simplex orare aanduidt, nog eens
extra onderstreept.
Suppliciter: bijwoordelijke bepaling in de
adverbiumvorm van supplex,-cis
Ad 3
Deze bijzin, ingeleid door het voegwoord
ut en met het prædicaat perficias in de coniunctivusmodus vanwege het
wenskarakter, eigen aan de gebedscultus , omvat de eigenlijke bede die zoals
boven gezegd een tweevoudig doel beoogt. Dit prædicaat regeert twee a.c.i. constructies bestaande uit de
subjectsaccusativus nos die ook in het tweede deel als zodanig fungeert met de twee infinitivusvormen venerari en exhibere, op klassieke wijze onderscheiden door de
et…et (en..en.., zowel…als)-constructie.
De accusativus eadem vervult in de a.c.i. constructie de functie van
objectsaccusativus.
Ut… [perficias] eadem: eadem,
persoonlijk voornaamwoord onzijdig meervoud van idem, eadem, idem: dezelfde,
heeft het substantivum munera in r. 1 als antecedent en congrueert hiermee. Zoals hierboven
aangegeven is eadem de objectsaccusativus binnen de a.c.i constructie.
Fideliter: bijwoordelijke bepaling in de
adverbiumvorm: op gelovige wijze. De uitgang op –iter vormt een parallellie van
het eindrijm met supliciter van r. 1. Met de uitgang – er van het adverbium
congruenter vormen supliciter en
fideliter een tweede parallellie.
Ut…[perficias eadem] nos…venerari: de
tweede accusativusvorm (subjectsaccusativus) nos
vormt met de infinitivusvormen venerari en exhibere een a.c.i. (accusativus cum
infinitivo)-constructie.
Congruenter: bijwoordelijke bepaling in de adverbiumvorm. Voor de betekenis zie
onder Vocabularium.
Exhibere, bui, bitum
2, - tonen. vertonen, voorstellen 2. verschaffen 3. opdragen, aanbieden.
met het substantivum exhibitio, - onis: 1. het
tonen 2. de beoefening; ook in het Nederlands ingeburgerd met de betekenissen: tentoonstelling, beurs, exhibitie, expo, expositie,
salon, show, uitstalling, vertoning.
Pro salute mundi: bijwoordelijke bepaling, samengesteld uit de ablativusvorm salute
gedicteerd door de præpositie pro en nader bepaald door de genitivusvorm mundi:
genitivus explicativus of genitivus obiectivus, voor/ten behoeve van de wereld.
In de H. Eucharistie, alsook in de aanbieding van
de gaven die daartoe voorbereiden, vinden we soteriologische (uit het Grieks
σωτηρ, sootèr, redder) elementen: concepten die betrekking hebben op de redding
of verlossing van de mens zoals de Kerk deze leert. Ondanks de verlossende en
verzoenende dood aan het Kruis van Christus blijft de mens de wonden dragen van
de erfzonde en is zijn dagelijks leven getekend door vele zonden en tekorten.
De mens kan zelf niets doen om zijn eigen heil en dat van anderen te bewerken. De
liturgische handeling van de offerande representeert de sacramentele aanvang van de eeuwige
redding van hen die deze gaven offeren. De oratio Super munera van de 4e
zondag door het jaar (zie aldaar): Altaribus tuis, Domine etc. vraagt niet dat
de offeraars en de offergaven die naar het altaar worden gebracht in zich geheiligd
worden maar dat zij worden tot sacrament van onze verlossing. De oratie van
vandaag drukt de wens uit dat ook anderen mogen delen in de genade van de
verlossing die tot heil van/voor de wereld strekt.
De
vernieuwde liturgie (Missale Romanum 1970) stemt niet alleen met het Romeins
Missaal van 1962 en de vroegere missaaledities overeen in de gelovige
overtuiging dat wij, dat de Kerk, het Lichaam en Bloed van Christus mogen
offeren, maar ook dat wij dit “voor het heil van de wereld” doen. Het is het
oeroude geloof dat in de Romeinse Canon tot op vandaag in het “Memento
vivorum”- de gedachtenis van de levenden wordt uitgesproken: “Qui tibi offerunt
hoc sacrificium laudis pro se suisque omnibus…”, die U dit offer van lof
brengen voor henzelf en al hun dierbaren (Sacramentarium Gelasianum 1245). Dat
dit offer slechts mogelijk is omdat wij bij de Eucharistieviering in het
mysterie van het Offer van Christus worden opgenomen, is voor het christelijk
geloof vanzelfsprekend.
V o
c a b u l a r i u m
Venerari, veneratus sum dep. 1: 1. vereren,
eerbied betonen, aanbidden 2. ootmoedig smeken, dringend bidden 3. ook met
passieve betekenis: vereerd worden. De infinitivus vererari hebben we de
priester dikwijls horen zingen in de welluidende oratie na het Tantum ergo: […]
tribue, quæsumus, ita nos Corporis et Sanguinis tui sacra mysteria venerari; ut
redemptionis tuæ fructum in nobis iugiter sentiamus. Geef ons, vragen wij, de
heilige geheimen van Uw Lichaam en Bloed zo te vereren, dat wij de vrucht van
Uw verlossing voortdurend in ons mogen ervaren.
Congruere, congrui heeft als adverbium congruenter. De kernbetekenis van dit verbum is het
samengaan van allerlei aspecten of onderdelen tot een passend geheel of
harmonisch verband. met als vertaalvarianten: samenlopen, samenkomen,
samentreffen, overeenkomen, treffen,
samenvallen, overeenstemmen, passen, overeenkomstig zijn, overeenkomen met,
harmoniëren.
Het adverbium congruenter betekent
derhalve: gepast, overeenkomstig,
evenredig en in de muziek: eenstemmig (van tonen).
In
de Latijnse en Griekse grammatica is congruentie/congrueren met het verschijnsel dat
woorden of woordgroepen kenmerken van andere woorden of woordgroepen overnemen.
Het gaat hierbij om één of meer van de
volgende kenmerken: het getal
d.w.z. enkelvoud en meervoud, het geslacht m/v/n en de naamval.
Een Latijns remedium is “iets dat opnieuw
heelt, geneest: een kuur, remedie, maar ook “een heel-, genees-, hulp- en
redmiddel en in religieuze zin: heilsmiddel.
De term wordt zelfs gebruikt voor magische toverspreuken of
amuletten. En zelfs voor de “bedeltjes”
aan een armband. Ook bij heidens gebruik was er dus een spiritueel element ter
genezing van of bescherming voor ziekten.
Op perficio, perfeci, perfectum gaat het
Nederlandse woord “perfect” terug. De basisbetekenissen van perficio zijn 1. “voltooien,
ten einde brengen, afwerken, afmaken, 2. verwezenlijken, volbrengen 3. bereiden
4. doorzetten, bereiken 5. bevestigen, vastmaken 6. aantonen, aanwijzen.”
Het verbum betekent dus een manier van “perfect maken”, “tot stand brengen”. Het
wordt dikwijls gevolgd door het voegwoord ut. Van het participium perfecti passivi perfectus is het
“Nederlandse” begrip perfect afgeleid. De tweede vorm van de stamtijden in het
Latijn, in dit geval perfeci, wordt het perfectum genoemd, de voltooid
tegenwoordige tijd.
Suppliciter is de adverbiumvorm
van het adiectivum supplex, icis, dat op zijn beurt weer
is afgeleid van het verbum supplicare met de betekenis: “neerknielen of
zichzelf vernederen, nederig bidden of smeken, nederig afbedelen, aanroepen”en
“bidden of smeken als tot een god, bidden, aanbidden”. In het Latijn komen dikwijls
velerlei vormen van dit verbum voor. De betekenis kunnen we vinden door naar de
wortels van dit verbum te kijken. Het compositum (samengestelde werkwoord) verbum supplicare, bestaande uit
het voorzetsel sup/sub- en -plicare wijst plastisch op de houding
van een smekeling: in gebogen houding, geknield en onderdanig, met een, als het ware “gevouwen” of “geplooid”
lichaam.
Supplicatio, onis betekent
“smeekbede, deemoedig gebed” maar ook “plechtig smeekgebed”. De vorm supplex
(adiectief), “smekend, deemoedig” is dezelfde als het substantief, te
vertalen met “smekeling”.
Herinneren deze Latijnse woorden ons niet aan wat
de Heilige Mis behoort te zijn?
C o m m e n t a a r
Repetitio mater scientiæ est – Herhaling is de moeder van de wetenschap.
Daarom allereerst nog enkele opmerkingen over zondag Lætare. Deze zondag heet in de liturgie zondag Lætare.
Het is de Latijnse intredezang (introïtus) en betekent: “Verheug u, Jeruzalem,
ja laat allen die haar liefhebben, juichen om haar”. Een tekst genomen uit de
profeet Jesaja (66,10). En ook vanwege de Gradualezang die luidt: “Laetatus sum
in his quae dicta sunt mihi : Ik ben verheugd om wat ze mij zeiden: wij gaan op
naar Jeruzalem” (Psalm 122,1). Op deze
dag zijn we over de helft van de vastentijd en komt Pasen in zicht. De priester
mag een kazuifel dragen dat roze van kleur is, iets tussen het rood van de dood
en het wit van de opstanding in. Op deze zondag worden de doopleerlingen aan
een tweede examen onderworpen als voorbereiding op hun Doop in de nacht van
Pasen.
Het gebed over de gaven van vandaag wijst ons op de elementaire notie dat de
zonde ons, op gevaar af verloren te gaan,
doet verzinken in de donkere schaduwen van de tot sterven gedoemde
dingen. Als wij ons niet met Gods genade laten leiden over deze gevaarlijke
paden van het leven, weg van alle mogelijke infecties, zullen wij zeker voor
altijd verloren gaan. Wij weten dat wij zondigen. Aan de zonde is nauwelijks te
ontkomen. Alleen Maria was en bleef zonder zonde, als Moeder van God, door wie
God op aarde kwam als mens. Voor onze zonden verdienen we straf. Deze moeten
worden uitgeboet. Maar de eeuwige remedie van de kant van God tegen het voor
altijd verloren gaan noopt ons tegelijkertijd
zelf te buigen als nederige
smekelingen en onze handen en harten naar de hemel te heffen daar we ons mogen
verheugen over het geluk dat Gods genade ons schenkt. Wij brengen onze gaven
daarom met vreugde: lætantes offerimus. Hiermee attendeert ook op deze plaats
in het liturgische jaar - halverwege de Veertigdagentijd - de liturgie van
vandaag ons op de vreugde van Pasen: Laetare Jerusalem! Onze dankbare ootmoed
zet ons aan de Heer te smeken zijn werk van genade in ons voort te zetten van
dag tot dag, en ons in staat te stellen de gaven zelf met eerbied te omringen
en deze ook aan anderen bekend te maken. Wij wensen dat ook anderen delen in de
genade van Zijn Verlossing. Christus heeft liefdevol bewerkt dat onze vreugde
mag toenemen. Dit is een serieuze opgave voor zondag Lætare maar de liturgie
van de Kerk schenkt ons zonder voorbehoud deze anticiperende vreugde, op de
korte termijn gericht op de Verrijzenis van Christus, gevierd in het feest van
Pasen, op de lange termijn gericht op de vreugde van de hemel wanneer wij mede
verrezen met Christus herschapen zullen zijn: het nieuwe Jeruzalem waar alle
leed geleden is en alle tranen zullen zijn weggewist (Apocalyps 21, 1-4). Zij
toont ons altijd haar realistische kijk op het leven en de heerlijkheid die de
beloofde Verlossing omvat zonder haar stem ooit te laten verstommen.
ZONDAG LÆTARE EN DE SANTA CROCE IN GERUSALEMME IN ROME "In Hem alleen is er voor ons redding, leven en verrijzenis"
ZONDAG LÆTARE EN DE SANTA CROCE IN GERUSALEMME IN ROME
De benaming voor de 4e zondag van de Veertigdagentijd “Lætare” is afkomstig van het eerste woord van het Introïtusgezang van het misformulier van deze dag. "Verheugt u!" Op zondag Laetare is er een lichte ontspanning in de boetvaardige geest van de Vasten, omdat de liturgie alvast een vluchtige vooruitblik wil werpen op de vreugde van Pasen. In sommige kerken kan men vandaag rooskleurige gewaden zien en instrumentale muziek horen spelen (tijdens de Vasten mag er geen instrumentale muziek gespeeld worden en kan het orgel niet worden gebruikt tenzij voor het ondersteunen van het gezang van de gemeenschap). Het gebruik van rooskleurige gewaden is gebonden aan de statiekerken in Rome.
De statiekerk voor zondag Lætare is de Heilig Kruisbasiliek van Jeruzalem in Rome, waarheen de relieken van Kruis en Lijden uit het Heilige Land door de H. Helena (+ c.329), moeder van keizer Constantijn (+ 337) werden overgebracht. Het was op deze dag voor de pausen de gewoonte om van goud gemaakte rozen waarvan sommige op verbazingwekkend fijnzinnige wijze waren bewerkt en voorzien van juwelen, aan katholieke koningen, koninginnen en andere notabelen te zenden. De Bijbelse verwijzing hiervan is Christus als de "bloem" die ontsproten is aan de wortel van Jesse (Is 11:1). Zo werd Lætare ook genoemd Dominica de rosa ... zondag van de roos. Er was niet veel verbeelding voor nodig om hieruit de rooskleurige gewaden te ontwikkelen. Merk op dat de kleur van de gewaden rooskleurig wordt genoemd en niet rose.
Er is enige gelijkenis tussen dit collectegebed en dat van de 2e zondag van de Advent; daar horen wij: in tui occursum Filii festinantes..."hen die zich haasten om uw Zoon te ontmoeten". Op de 3e zondag van de Advent (de tweeling-zondag van Lætare en de enige andere dag voor rooskleurige gewaden) horen wij: votis sollemnibus alacri laetitia celebrare...) "om met enthousiaste jubel te vieren door middel van plechtige offeranden." Er is een rooskleurige verwachting in het collectegebed van vandaag net zoals deze er was in de Advent. Geen vertaling kan in feite het prachtige Latijn evenaren.

In de Santa Croce worden belangrijke relieken van het Heilig Kruis bewaard waaronder het titulum (bord) met de tekst INRI afkorting van Iesus Nazarenus Rex Iudaeorum (rechts). Nos autem gloriari oportet in cruce Domini nostri Jesu Christi: in quo est salus, vita, et resurrectio nostra: per quem salvati, et liberati sumus. (Wij mogen alleen roemen op het Kruis van onze Heer Jezus Christus. In Hem alleen is er voor ons redding, leven en verrijzenis. Door Hem zijn wij verlost en bevrijd).
Collectegebed Vierde zondag Veertigdagentijd I Zondag Lætare Voorbereiden op het komend Paasfeest
I n l
e i d i n g
Het
collectegebed roemt God vanwege zijn wonderbaarlijk verzoeningswerk. Hij
bewerkt dit door zijn Woord, en deze goddelijke zorg voor de mensen is
geenszins afgesloten. Zoals immers de tegenwoordige tijd van het werkwoord “operaris”
laat zien, duurt deze in het heden nog voort: “Pater meus usque modo
operatur et ego operor” – “Tot op de dag van vandaag is mijn Vader
voortdurend aan het werk, en houd ook Ik niet op met werken”(Jo 5,17).
Het
is wellicht geen toeval, dat hier niet van de Zoon van God, maar van Hem
als het Woord wordt gesproken. Want daarmee wordt de relatie gelegd met
de Proloog van het Evangelie van Sint Jan, waar staat geschreven: “Omnia per
ipsum facta sunt, et sine ipso est nihil, quod factum est” – “Alles is door
Hem geworden en zonder Hem is niets geworden van wat geworden is” (Jo
1,3). Ook de Brief aan de Hebreeën verwijst naar het Woord, de Zoon van
God “die alles in stand houdt door zijn machtig woord”( Hebr 1,3b).
“Zijn
Mensheid immers was, in vereniging met de Persoon van het Woord, het instrument
van ons heil. Daarom is in Christus de volmaakte verzoening voor ons herstel
tot stand gekomen en werd ons de volheid geschonken van de goddelijke eredienst”
(Sacrosanctum Concilium, nr.5).
T
e k s t
Missale Romanum 1970
Deus,
qui per Verbum tuum humani generis reconcilationem mirabiliter operaris,
præsta,
quæsumus,
ut
populus christianus prompta devotione et alacri fide
ad
ventura sollemnia valeat festinare.
Altaarmissaal Nederlandse
Kerkprovincie 1979
God,
door uw Woord brengt Gij op wonderbare wijze de verzoening van alle mensen met
U tot stand.
Geef
dat uw volk zich met grote toewijding en levendig geloof
voorbereidt
op het komende paasfeest.
Werk
vertaling
God,
die door uw Woord op wonderbare wijze de verzoening van het menselijke geslacht
bewerkt,
verleen,
vragen wij [U],
dat
het christenvolk in staat is zich met prompte toewijding en blijmoedig geloof
te
haasten naar de komende [jaarlijks terugkerende] plechtigheden.
L
i t u r g i s c h e a n t e c e d e n t
e n
Het
collectegebed is een nieuwe compositie voor het postconciliaire Romeinse
Missaal: alleen de anaklese van God met de betrekkelijke bijzin tot en met het
“præsta, quæsumus” is afkomstig uit het Gelasianum Vetus en andere
codices (1) en wordt aangevuld met “prompta devotione et alacri fide”, een
gedeelte van de 2e preek van de H. Paus
Leo de Grote (+ 461) over de Vastentijd.
Een
mooi stukje onomwonden Latijn: helder, duidelijk, zonder opsmuk.
B
i j b e l s e c o n t e x t
Col
1,19-20
Quia
in ipso complacuit omnem plenitudinem habitare et per eum reconciliare omnia in
ipsum, pacificans per sanguinem crucis eius, sive quæ in terris sive quæ in
cælis sunt.
Want
in Hem heeft de ganse Volheid van God willen wonen, en door Hem alles met Zich
willen verzoenen - alles, wat op aarde is en in de hemel - nadat Hij vrede had
gebracht door het Bloed van zijn Kruis.
Col
1, 22
Nunc
autem reconciliavit in corpore carnis eius per mortem exhibere vos sanctos et
immaculatos et irreprehensibiles coram ipso.
Ook u
heeft Hij thans in zijn vleselijk Lichaam verzoend door de dood, om u heilig en
vlekkeloos voor zijn aanschijn te doen staan.
Rom
5,10-11
Si
enim cum inimici essemus reconciliati sumus Deo per mortem Filii eius, multo
magis reconciliati salvi erimus in vita ipsius; non solum autem, sed et gloriamur
in Deo per Dominum nostrum Iesum Christum, per quem nunc reconciliationem accepimus.
Want
zo we met God zijn verzoend door de Dóód van zijn Zoon, toen we nog vijanden
waren, hoeveel te meer zullen we gered worden door het Léven, nu we met Hem
zijn verzoend. En dit niet alleen; maar we roemen zelfs in God door onze Heer
Jezus Christus, door wie we thans de verzoening hebben verworven.
G
e t u i g e n i s s e n v a n d e V
a d e r s
Fulgentius
Ruspensis, Tractatus De fide ad Petrum
(Cap. 22. 62: CCL 91A, 726.750)
Iste
iitur est, qui in se uno totum exhibuit quod esse necessarium ad redemptionis
nostræ sciebat effectum, idem scilicet sacerdos et sacrificium, idem Deus et
templum; sacerdos, per quem sumus reconciliati; sacrificium, quo reconciliati;
templum, in quo reconciliati; Deus, cui reconciliati. Solus tamen sacerdos,
sacrificium et templum, quia hæc omnia Deus secundum formam servi; non autem
solus Deus, quia hoc cum Patre et Spíritu Sancto secundum formam Dei.
Deze
is het, die in zich alleen alles uitvoerde, wat Hij wist dat nodig was voor de voltooiing
van onze verlossing; Hij was namelijk tegelijk Priester en Offer, God en
Tempel: Priester, door wie wij zijn verzoend; Offer, waardoor wij zijn verzoend;
Tempel, waarin wij zijn verzoend, en God met Wie wij zijn verzoend. Hij alleen
was: de Priester, het Offer en de Tempel: dit alles was God in de gestalte van
een dienstknecht; maar God was Hij niet alleen, want God was Hij met de Vader
en de Heilige Geest.
Origines,
Ex Homiliis in Leviticum, Hom. 9, 5. 10: PG 12,
515.523
Si
ergo considerem verum pontificem meum, Dominum Iesum Christum, quomodo, in
carne quidem positus, per totum annum erat cum populo, annum illum de quo ipse
dicit: Evangelizare pauperibus misit me, et vocare annum Dómini acceptum, et
diem remissionis, adverte quomodo semel in anno isto, in die repropitiationis
intrat in sancta sanctorum, hoc est, cum impleta dispensatione penetrat cælos,
et intrat ad Patrem, ut eum propitium humano generi faciat, et exoret pro omnibus
credentibus in se.
Hanc
repropitiationem eius, qua hominibus repropítiat Patrem, sciens Ioannes apostolus,
dicit: Hæc dico, filioli, ut non peccemus. Quod et si peccaverimus, advocatum
habemus apud Patrem, Iesum Christum, iustum, et ipse est repropitiatio pro peccatis
nostris.
Sed
et Paulus similiter de hac repropitiatione commemorat, cum dicit de Christo:
Quem posuit Deus propitiationem in sanguine ipsius per fidem. Igitur
dies propitiationis manet nobis usquequo finem mundus accipiat.
Als
ik dan mijn ware Hogepriester aanschouw, de Heer Jezus Christus, in het vlees verschenen,
geheel het jaar door bij het volk, in dát jaar namelijk waarvan Hij zelf zegt: Hij
heeft Mij gezonden om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen, en een
genadejaar af te kondigen van de Heer en de dag der vergiffenis, bemerk dan,
dat Hij eenmaal in dat jaar, op de dag van de Verzoening, in het Heilige der
Heiligen binnentrad, dat wil zeggen, wanneer Hij, na de vervulling van zijn
zending, de hemelen binnenging naar de Vader, om Hem te verzoenen met het
menselijk geslacht, en daar te bidden voor allen die in Hem geloven.
In
het bewustzijn van deze zijn Verzoening, waarmee Hij de Vader met de mensen
verzoent, schrijft de apostel Johannes: Kinderen, dit schrijf ik u, opdat gij
niet zoudt zondigen. En mocht iemand zondigen, dan hebben wij een voorspreker
bij de Vader, Jezus Christus, de rechtvaardige. En Hij is de verzoening voor
onze zonden. Maar ook Paulus spreekt in diezelfde zin over de verzoening
als hij van Christus zegt: Die God als verzoening heeft gesteld in zijn
Bloed door het geloof. Dus blijft die dag der verzoening voor ons tot de
wereld een einde neemt.
Maximus,
Epistola11: PG 91,454-455
(...)
divinum Dei ac Patris Verbum (quinimmo, primum illud solumque infinítæ bonitatis
insigne), nulla verborum vi explicabili demissionis modo, inque rem nostram
inclinationis, nobíscum per carnem versari dignatum est; illa tum operatum, tum
passum ac locutum quibus decebat nos, cum inimici ac hostes essemus, Deo et
Patri reconciliari; ac qui extranei a beata vita facti eramus, ad eam rursus
revocari.
(...)
Het goddelijk Woord van de Vader heeft (ja, als eerste en enige teken van de
oneindige goedheid) zich verwaardigd met ons in menselijke gedaante om te gaan
op een wijze van zelfvernedering en neerbuiging naar ons, die met geen woorden
is te beschrijven; toen heeft Hij dát gedaan, dát geleden en gepreekt, waardoor
Hij ons, toen wij zijn vijanden waren, met God de Vader moest verzoenen; om
ons, die van het gelukzalige leven waren buitengesloten, daarheen terug te
voeren.
Gregorius
Nazianzenus, Oratio 45,23-24: PG 36, 645-655
Si
Joseph Arimathæus sis, ab eo, qui cruci affixit, corpus pete; tuum fiat mundi
piaculum
Zijt
gij een Joseph van Arimathea, vraag dan om het Lichaam aan hem, die Het aan het
kruis sloeg: het verzoeningsmiddel voor de wereld worde uw bezit.
Isaac
Abbas, Sermo 42: PL 194, 1832
Iustus
in seipso, et iustificans seipsum ipse. Solus Salvator, solus salvatus; qui in
corpore suo super lignum pertulit, quod de corpore suo per aquam abstulit.
Iterum per lignum et aquam salvatus, Agnus Dei, qui tollit, quæ pertulit,
peccata mundi, sacerdos et sacrificium, et Deus qui, se sibi offerens, se
per se sibi, sicut Patri et Spiritui Sancto, reconciliavit.
Hij
[Christus] is rechtvaardig in zichzelf en rechtvaardigt zichzelf. Hij alleen is
de Verlosser, alleen de verloste: Die in zijn lichaam op het kruis als last tot
het einde heeft gedragen, wat Hij door het water van de Doop van zijn lichaam
heeft afgewassen. Hij maakt zalig zowel door het kruis als door het water. Het
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, die Hij gedragen heeft. priester
en offerande, en God, zichzelf aan zichzelf opdragend, die Zich door Zichzelf
heeft verzoend met Zichzelf, alsook met de Vader en de Heilige Geest.
S t r
u c t u u r a n a l y s e
1.Deus,
qui per Verbum tuum humani generis reconcilationem mirabiliter operaris,
2.præsta,
quæsumus,
3.ut
populus christianus prompta devotione et alacri fide
ad
ventura sollemnia valeat festinare.
Ad 1
Deus, aan de
kop van de oratie is de anaklese, de aanspreekvorm, de vocativus, gevolgd door
een relatieve bijzin met het reflexivum qui, het subject: God, die….waarin
een heilsdaad uit het verleden en in het heden actueel, wordt gememoreerd. Operaris,
het prædicaat (gezegde), 2e persoon enkelv. van het deponens operari,
in de indicativus præsentis omdat Gods verzoenend en verlossend werken een
waarneembare feitelijkheid is. Mirabiliter, bijwoordelijke bepaling bij
het gezegde: op wonderbare wijze. Humani generis
reconcilationem: object van het verbum en samengesteld uit de
accusativusvorm reconciliationem, nader gepreciseerd door de bijvoeglijke
bepaling humani generis waarvan de genitivusvorm generis congrueert met de
adiectivusvorm humani.
Per Verbum tuum: bijwoordelijke bepaling (van middel of oorzaak) samengesteld uit twee
congruerende accusativusvormen afhankelijk van het voorzetsel per, door,
door middel van.
Ad 2
Præsta, quæsumus:
de imperativusvorm præsta, verleen, geef, verzacht door het aanvullende quæsumus,
bidden wij, vormt de eigenlijke bede.
Ad 3
Ut …
festinare.
Finale/doelaanwijzende
of consecutieve/gevolghebbende bijzin klassiek ingeleid door het voegwoord ut,
opdat/zodat.. met het prædicaat valeat in de coniunctivus gevolgd door
de infinitivus festinare. Subject van valeat is populus christianus.
Prompta
….. fide: bijwoordelijke bepaling bij de werkwoordgroep valeat
festinare.
Ad
ventura sollemnia: bijwoordelijke bepaling met congruerende accusativusvormen
geregeerd door het voorzetsel ad, die als object gelezen kan worden.
Ventura:
bijvoeglijk
gebruikt PFA (participium futurum actief) in de accusativus meervoud onzijdig bij
sollemnia, afgeleid van het verbum venire.
B
e k n o p t v o c a b u l a r i u m
Operari, deponens
operari (= verbum met passieve vormen maar met actieve betrekenis): 1. Bezig
zijn met 2. Arbeiden, werken, bewerken 3. Beschouwen. Verg. “onze” begrippen:
operatie, operatief, opera, enz.
Reconciliatio,-onis, vr.:
Verzoening
Humanus: Menselijk,
ook: vriendelijk, beleefd, “humaan”.
Genus,
-eris, onz.: 1.
Geboorte, afstamming (genealogie) 2.
Geslacht, stam, familie 3. Volksstam, volk 4. Soort, wijze, manier.
Valere: 1.
Krachtig, sterk, gezond zijn (Vgl. de Latijnse afscheidsgroet: vale, valete!
vaarwel) en “onze” begrippen valide, invalide, validiteit, valideren enz. 2.
Macht, invloed hebben 3. Gelden, waard zijn 4. Vermogen, in staat zijn, kunnen.
Alacer,
cris, cre: levendig, kwiek, fris, actief, opgewekt, blij, gelukkig,
vrolijk".
Promptus komt van het werkwoord promo en betekent 1. Voor de dag gehaald, zichtbaar, openbaar 2. Voor de hand, gereed, vaardig, vlug 3. geschikt, geneigd, bekwaam gereed, bereidwillig
Ventura
sollemnia: congruerende nominativus- of [hier] accusativusvormen
onzijdig meervoud; sollemnia :
onzijdige
meervoud van het adiectief solemnis dat jaarlijks betekent, dat wat vastgesteld
is voor ieder jaar. In relgieuze conteksten komen we vertalingen tegen als
"religieus, feestelijk". Als substantief is het "een religieuze
of plechtige ritus, ceremonie, feest, offer, plechtige spelen, een festival,
plechtigheid". Sollemne, het
onzijdige zelfstandig naamwoord, betekent ook "gebruik, gewoonte,
toepassing". In wettelijke teksten kan het "formaliteit"
betekenen. In latere, christelijk Latijnse woorden verwant aan sollemnis kreeg
het de betekenis van de viering van de Eucharistie.
C o m
m e n t a a r
Hetgeen
de oratie roemt als werk van God door het Woord, de volledige schuldvereffening
tot onze verzoening (2) is niets minder dan een tweede schepping. Dat Hij de
menselijke natuur wonderbaarlijk heeft geschapen en op nog wonderbaarlijker
wijze heeft hersteld, is immers een in de liturgie geliefde gedachte: vgl. de
oratie van het Lezingenofficie en de Dagmis van Kerstmis:
Deus,
qui humanæ substantiæ dignitatem et mirabiliter condidisti et mirabilius
reformasti, (...) Liturgia Horarum
editio altera 1985, dl. 1 [LH1], p. 350,356. (God, op wonderbare
wijze hebt Gij de mens geschapen en op nog wonderlijker wijze in zijn
waardigheid hersteld)
Op de
vraag waarom God de eerste mens niet verhinderd heeft te zondigen geeft de
heilige Leo de Grote als antwoord: “Door de onuitsprekelijke genade van
Christus hebben wij een groter goed ontvangen dan dat wij door de afgunst van
de demon verloren hadden” (Sermo 73,4).
En de heilige Thomas van Aquino zegt: “Niets verzet zich ertegen dat de
menselijke natuur na de zonde tot een hoger doel bestemd is. God laat immers
toe dat er kwaad geschiedt om er een groter goed uit te doen ontstaan. Vandaar
wordt in Rom 5,20 gezegd: ‘Waar de zonde heeft gewoekerd, werd de genade
mateloos’ terwijl de Kerk in het Exsultet uitroept: ‘O gelukkige schuld,
waaraan wij een zodanige en zo’n grote Verlosser danken!’ ” (S. Th.
3,1,3 ad 3) (3).
Terwijl
het wonderbaarlijk herstel in de Kersttijd op de Menswording wordt
teruggevoerd, komt de liturgie met het motief van “de nieuwe schepping” in de
Boetetijd vóór Pasen, wanneer het Paasmysterie van de Dood en de Verrijzenis
van Christus wordt gevierd.
“Pascha”,
”overgang”, dat wil zeggen dat Goede Vrijdag en Pasen de beslissende dagen
zijn.
Om
deelachtig te worden aan het genadewerk van God door het Woord, past het de
gelovigen zich te haasten naar de “komende plechtigheden”. Daarbij moeten een
prompte toewijding en een blijmoedig, levendig geloof aan hun voeten vleugels
geven.
Dit
jaar, het C-jaar, leest men op deze zondag 2 Kor 5,17‑21. Paulus
schrijft hier grandioze zinnen over de verzoening, die God door Christus
bewerkt. Ook deze passage is een passend commentaar bij de openingszin van het
collectegebed van deze zondag. Ook hier is de uitwerking van de verzoening de
nieuwe schepping: “Zo is dus wie in Christus is, een nieuwe schepping: het oude
is voorbij, het nieuwe is al gekomen”(5,17).
Het
werk van verzoening door Christus eenmaal op het Kruis door het Offer van zijn
Lichaam en Bloed tot stand gebracht, wordt door de Kerk - Christus=
woord: Doet dit tot mijn gedachtenis indachtig - in het H. Misoffer
voortgezet zoals het Gebed over de Gaven van deze zondag getuigt. De
gaven die God blijmoedig worden aangeboden zijn niet enkel brood en wijn, maar remedium
sempiternum - het eeuwige heilsmiddel: het Lichaam en Bloed van Jezus
Christus.
De
inhoud van het tweede gedeelte van de oratie, de eigenlijke bede in de finale
bijzin: dat de christenen in staat mogen zijn zich met prompte toewijding en
blijmoedig geloof naar de komende plechtigheden te haasten, komt overeen met de
liturgische plaats van de oratie op zondag Lætare, de 4e
zondag van de Vasten, half-vasten. De eerste woorden van de Introitus Lætare,
Jerusalem geven de stemming van deze dag weer en heel de liturgie spreekt
van blijdschap. De Kerk nodigt uit tot een ogenblik verpozing met de opwekking
om met prompte bereidwilligheid en blijmoedig geloof naar Pasen te snellen. Op
te merken is dat in de 3e eeuw te Rome het strenge vasten eerst nu moest
beginnen.
Een
vergelijkbare verpozing met eveneens een vreugdevolle aansporing bevat de oratie
Deus, qui conspicis populum tuum op zondag Gaudete, 3e
zondag van de Advent.
(1)
Vat.
reg. lat. 316; 1e helft 8e eeuw. Uitg. C. Mohlberg 1960 en E. Moeller, J.M.
Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum III, D, pars altera,
Turnhout 1993, nr. 1998
(2)
Cf Sacram. Veronense (Leonianum). Uitg. C. Mohlberg, Rome, 1956, n.1265, p.162
(3)
KKK
412
Abonneren op:
Posts (Atom)






