zaterdag 25 juni 2022

Lezingen H. Mis 13e zondag door het jaar C Ik zal u volgen, waar Gij ook heen gaat.


Eerste lezing
: 1 Kon. 19,16b.19-21

In die dagen zei de Heer tot Elia:

“Gij moet Elisa, de zoon van Safat, zalven

tot uw opvolger als profeet.”

Elia vertrok en trof Elisa, de zoon van Safat,

terwijl die aan het ploegen was.

Twaalf koppels ossen gingen voor hem uit;

hijzelf bevond zich bij het twaalfde.

Toen Elia langs kwam, wierp hij Elisa zijn mantel toe.

Elisa liet de ossen in de steek, liep Elia achterna en zei:

“Laat mij eerst afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder;

dan zal ik u volgen.”

Hij antwoordde hem:

“Ga maar weer terug; heb ik je soms tot iets verplicht?”

Hierop ging Elisa naar de ossen terug, slachtte er twee,

kookte het vlees op het hout van de jukken

en gaf het aan het werkvolk te eten.

Daarna vertrok hij, volgde Elia en werd zijn dienaar.


Tweede lezing: Gal. 5, 1. 13-18

Broeders en zusters,

voor de vrijheid heeft Christus ons gemaakt.

Houdt dus stand

en laat u niet weer het slavenjuk opleggen.

Gij werdt geroepen om vrije mensen te zijn.

Misbruikt echter de vrijheid niet als voorwendsel voor de zelfzucht;

dient elkaar in liefde.

Want de hele wet is vervat in dit éne gebod:

“Bemin uw naaste als uzelf.”

Maar als ge elkaar blijft bijten en klauwen,

vrees ik dat ge elkaar op den duur zult verslinden.

Ik bedoel dit:

leeft naar de Geest,

dan zult ge niet uitvoeren wat de zelfzucht dicteert.

Wat de zelfzucht wil, strijdt met de Geest,

en omgekeerd,

het verlangen van de Geest komt in botsing met het egoïsme.

Die twee liggen met elkaar overhoop,

zodat ge niet kunt doen wat ge zoudt willen doen.

Maar als ge u door de Geest laat leiden,

staat ge niet onder de wet.


Evangelie: Lc. 9, 51-62

Toen de dagen van zijn verheffing hun vervulling naderden,

aanvaardde Jezus vastberaden de reis naar Jeruzalem

en zond boden voor zich uit.

Deze kwamen op hun tocht in een Samaritaans dorp

om er zijn verblijf voor te bereiden.

Maar de Samaritanen ontvingen Hem niet,

omdat Jeruzalem het doel van zijn reis was.

Toen de leerlingen Jakobus en Johannes dit gewaar werden,

vroegen ze:

“Heer, wilt Gij dat wij vuur van de hemel afroepen

om hen te verdelgen?”

Maar Hij keerde zich om en wees hen op strenge toon terecht.

Daarop vertrokken zij naar een ander dorp.

Terwijl zij onderweg waren, zei iemand tot Hem:

“Ik zal u volgen, waar Gij ook heen gaat.”

Jezus sprak tot hem:

“De vossen hebben holen en de vogels hun nesten,

maar de Mensenzoon

heeft niets waar Hij zijn hoofd op kan laten rusten.”

Tot een ander sprak Hij:

“Volg Mij.”

Deze vroeg:

“Heer,

laat mij eerst teruggaan om mijn vader te begraven.”

Jezus zei tot hem:

“Laat de doden hun doden begraven;

maar gij,

ga heen en verkondig het Rijk Gods.”

Weer een ander zeide:

“Ik zal U volgen, Heer,

maar laat mij eerst afscheid nemen van mijn huisgenoten.”

Tot hem sprak Jezus:

“Wie de hand aan de ploeg slaat,

maar omziet naar wat achter hem ligt,

is ongeschikt voor het Rijk Gods.”

Woord van de Heer.

Wij danken God.

Introitus zondag XIII per annum - Omnes gentes plaudite manibus - Gregoriaans


Oratio post Communionem – Gebed na de Communie (Postcommunio) Dominica decima tertia per annum Dertiende zondag door het jaar Geef ons nieuwe levenskracht door deze heilige offergave



Het Laatste Avondmaal.
Mozaïek in de S. Apollinare Nuovo, Ravenna (vóór 529)

Geef ons nieuwe levenskracht door deze heilige offergave  

I n l e i d i n g
Zoals de Oratio super munera  (het Gebed over de Gaven) van deze zondag spreekt over de offergaven: ut sacris apta muneribus fiant nostra servitia, dat onze eredienst mag beantwoorden aan uw heilige gaven, spreekt ook de Postcommunio van deze zondag over de offergave (hier ‘divina hostia’, goddelijk gave genoemd), waarover de woorden van de Consecratie reeds zijn uitgesproken. We hebben de gave aangeboden (obtulimus) én ontvangen (sumpsimus) en wij vragen God, dat haar verheven bestemming vervuld mag worden zodat zij het Brood voor het eeuwige leven wordt en ons nieuw leven schenkt (vivificet). Dit leven komt voort uit de liefde, waarin wij met God zijn verbonden. Door Christus is deze vereniging met God mogelijk gemaakt. “Wie mijn Vlees eet en mijn Bloed drinkt , blijft in Mij en Ik in hem, Zoals Ik door de Vader die leeft, gezonden ben en leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij” (Jo 6, 56-57).
Wij vragen steeds overvloediger deelachtig te mogen worden aan het leven van God zelf.
Het Brood uit de hemel verenigt ons, als ranken met Christus, de ware wijnstok, die ons een bovennatuurlijke vruchtbaarheid schenkt. In de bede klinkt ook enige bezorgdheid door, vanwege onze onbestendigheid. Onze vruchtbaarheid moet immers duurzaam zijn. Vandaar dat de oratie niet alleen om de vrucht bidt, maar ook dat zij in ons blijvend mag zijn.
T e k s t
Missale Romanum [MR] 1970
Vivificet nos, quaesumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia,
ut, perpetua tibi caritate coniuncti,
fructum qui semper maneat afferamus.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovncie 1979
Heer, geef ons nieuwe levenskracht door de heilige offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd.
Laat ons altijd met U verenigd zijn in liefde
om vruchten voort te brengen die blijvend zijn.

Werkvertaling
Moge, vragen wij [U], Heer, de goddelijke offergave die wij hebben opgedragen en genuttigd, ons nieuw leven schenken,
opdat wij, in een eeuwige liefde met U verbonden,
de vrucht voortbrengen die altijd blijven zal.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
De tekst van de Postcommunio van vandaag is dezelfde als die van de Postcommunio in MR 1962 van de Votiefmis ter ere van O.H. Jezus-Christus, de Allerhoogste en Eeeuwige Priester, welk misformulier op een ‘vrije’ donderdag  ter gedachtenis aan de Instelling van de H. Eucharistie genomen kon worden.

B i j b e l s e   r e f e r e n t i e s   
Jer 31, 3
Jo 15, 4-5.16
T e x t u e l e  a n a l y s e
1.Vivificet nos, quaesumus, Domine, divina quam obtulimus et sumpsimus hostia,
2a. ut, 2b. perpetua tibi caritate coniuncti,
2a. fructum qui semper maneat afferamus.
Ad 1
De oratie bestaat uit één doorlopende volzin, samengesteld uit de hoofdzin (r. 1) met aan de spits het prædicaat vivificet, in de coniunctivusvorm, 3e persoon enkelv. præsentis (coniunctivus optativus) vanwege de wens, bede. De plaats van het prædicaat aan de kop van de oratie geeft extra nadruk aan de bede van r. 1.
Nos, object van vivificet, accusativusvorm van het pronomen personale nos.
Onmiddellijk na het incipit Vivificet nos volgt de tussenzin quæsumus, zoals ook in talrijke andere oraties hier geplaatst om zowel de bede te onderstrepen als omwille van een goed lopende ritme.
Domine, aanspreekvorm van God, in de vocativusvorm van Dominus.
Divina quam obtulimus et sumpsimus hostia: subject van het prædicaat bestaande uit de twee congruerende nominativusvormen divina en hostia waartussen een relatieve bijzin is geplaatst in de indicativusvorm als toelichting bij het subject: de goddelijke gave die wij hebben geofferd en genuttigd. Obtulimus en sumpsimus: 1e persoon pluralis van het perfectum activi van de verba Offerre, obtuli, oblatum en sumere, sumpsi, sumptum, 3.
Ad 2a
Na de hoofdzin die op zichzelf reeds een volledige bede vormt, volgt eeen finale/doelaanwijzende resp. consecutieve bijzin, ingeleid door het voegwoord ut en met prædicaat afferamus in de coniunctivusvorm præsantis van het verbum afferre (zie beneden).
Het object bij genoemd prædicaat is fructum in de accusativusvorm van fructus, -us.
Ook in de bijzin is een relatieve bijzin ingebouwd: qui semper maneat, wederom als toelichting op het meest dichtbij staande antecedent, maar nu in de coniunctivusvorm præsentis, welke modus hier de mening van de bidder weergeeft: namelijk hoop dat deze vrucht blijvend moge zijn.
Ad 2b
Verwijzend naar het in het prædicaat opgesloten subject “wij” (r. 2a) als ‘postcedent’, is de bijstelling  “perpetua tibi caritate coniuncti” geplaatst als toelichting van de conditio van de bidders welke grammaticaal gevormd wordt door de nominativusvorm pluralis van het perfectum passivi van coniungere verbonden met een bijwoordelijke bepaling perpetua tibi caritate welke bestaat uit de congruerende ablativusvormen perpetua en caritate en de dativusvorm tibi  (dativus commodi). De positie van tibi (God) temidden van perpetua (eeuwig) en caritate (liefde) benadrukken deze twee eigenschappen van God.

De oratie bevat naast de ut-bijzin in de coniunctivusvorm die het doel of het gevolg van de bede uitdrukt, drie relatieve bijzinnen die achtereenvolgens  de offergave (divina hostia), de conditie van de bidder (perpetua tibi caritate coniuncti) en de vruchtbaarheid van de ontvangen  Communie (qui semper maneat) nader illustreren.

S t i j l f i g u r e n
Chiasme (kruisstelling) in regel 1: begrippen worden zodanig geplaatst dat zij een “X” vormen: AB=BA. Wanneer de twee woordparen boven elkaar worden geplaatst vormen zij een X, zoals de Griekse letter chi die de vorm heeft van een “X”.  De AB-BA schikking in “in divina quam obtulimus et sumpsimus hostia” plaatst de vrouwelijke vormen divina… hostia  bij het begin en het einde van de relatieve bijzin en bedt aldus de twee verba obtulimus en sumnpsimus  daar tussen in. Elegant. 
Hyperbaton; met betrekking tot “divina en hostia” (r. 1)  kan men ook spreken van een hyperbaton: een uiteenplaatsing van begrippen die bij elkaar horen.
Tweede hyperbaton: perpetua [tibi]  caritate  (r. 2b)
Sterk aanwezige u-klank: quaesumus, obtulimus, sumpsimus, ut, coniuncti, fructum en afferamus.

K l e i n  v o c a b u l a r i  u m
Vivificare, - avi, atum, 1
heeft de volgende betekenissen 1. levend maken, weer tot leven komen 2. in het leven bewaren 3. beschermen  4. gezond maken en 5. gelukkig maken.
Dit verbum, eindigend op – ficare werd bijna altijd door de christelijke auteurs gebruikt in spirituele zin. Ook in de oraties heeft het vooral de geestelijke betekenis van “nieuw geestelijk leven geven” en het refereert altijd aan het effect dat de door deelname aan de H. Communie wordt bewerkt: “(…) ut his muneribus…et te placemus exhibitis, et nos vivificemur acceptis”, opdat wij door deze offergaven U mogen verzoeken door ze U aan te bieden en zelf er nieuw leven door verkrijgen wanneer wij ze nuttigen (Secreta, 28 juli, HH. Nazarius en Celus etc., MR 1962).
“Oblatum tibi … sacrificium vivificet nos semper et muniat”, moge het offer dat wij U opdragen, Heer, ons steeds verlevendigen en versterken (Secreta, Dom. 1 post Epiph. MR 1962).
“Sancta tua nos …sumpta vivificent”, mogen uw heilige Geheimen die wij genuttigd hebben ons nieuw leven schenken (Postcomm. Dom. 3 post Pentec., MR 1962).
“Vivificet nos …participatio sancta mysterii”, moge de heilige deelname aan dit Geheim ons nieuw leven schenken Postcomm. Dom.12 post Pentec. MR 1962).
(Verg. Sr. Mary Pierre Ellebracht C.Pp. S., Remarks on the vocabulary of the acient orations in the Missale Romanum. Reeks Latinitas christianorum primæva. Nijmegen-Utrecht, 1966, p.60-61)
Verwante begrippen afgeleid van dit verbum zijn we reeds tegengekomen, b.v. Vivificatio, - onis, f., letterlijk: het levend maken, de verlevendiging: een begrip dat door de  kerkvader Tertullianus (160-230) met Christus werd verbonden: vivificatio in Christo, en dat duidt op de werkzaamheid en het effect van de  genade wanneer men met Christus is verbonden. De H. Communie voedt en onderhoudt het geestelijk leven. Zoals het lichamelijk voedsel de verloren krachten hersteld, zo versterkt de H. Communie de liefde die in het dagelijks leven de neiging heeft te verzwakken; door zich aan ons te geven brengt Christus onze liefde tot nieuw leven en stelt Hij ons onder meer in staat te breken met onze ongeregelde hartstochten en gehechtheden om ons aan Hem te hechten.
De Postcommunio van de 6e zondag door het jaar vraagt “ut semper eadem [cælestia delicia] per quæ veraciter vivimus, appetamus”: om altijd te mogen verlangen naar deze hemelse gaven waardoor wij werkelijk leven.

Affero (ad-ferr), attuli, allatum
betekent basaal aan-, bij, -toebrengen, aandragen, verschaffen, leveren, iets naar een plaats brengen (van draagbare zaken terwijl adduco betekent mensen of dieren met zich ergens heen voeren, - brengen, begeleiden). Het wordt ook gebruikt met betekenissen als: een zaak brengen, dragen bijvoorbeeld nieuws, rapporteren, aankondigen, melden, overbrengen, boodschappen, informeren, openbaar maken en in concepten als “een product voortbrengen”, oogsten, dragen, produceren, zoals ‘vruchten dragen’  waarvan de Postcommunio van de 5e zondag van Pasen een voorbeeld is: “(…) da nobis, quaesumus, ita vivere, ut, unum in Christo effecti, fructum afferamus pro mundi salute gaudentes”: Wij bidden U: laat ons zó leven dat wij één worden in Christus en met blijdschap vruchten voortbrengen die heilzaam zijn voor heel de wereld.
In de verzen 15 en 16 van Psalm 44 (Bruiloftsgedicht voor een koning) komen de begrippen afferentur en adducentur beide voor:
“Afferentur regi virgines proximæ eius, afferentur tibi in lætitia et exsultatione; adducentur in templo regi Domino” – Meisjes worden naar de koning geleid, gezellinnen in haar gevolg, ook zij worden voortgeleid onder vreugde en jubel tot bij de koning in zijn troonzaal.
Afferre heeft ook de betekenis van het aandragen van een geestelijke of mentale gesteltenis: “Ad mensam cælestis convivii fac nos, Domine, eam mentis et corporis puritatem afferre, qui…” / letterl.: Maak, Heer, dat wij zuiverheid van lichaam en geest naar de tafel van het hemels gastmaal brengen…(Secreta misformulier H. Antonius Maria Zaccaria, 5 juli [MR 1962])

Coniugo, -unxi, - unctum, 3
betekent verbinden, samenbinden, aaneensluiten, verenigen, een huwelijksband met elkaar aangaan.
Bijvoorbeeld: “Quod ergo Deus coniunxit, homo non separet” (Mt 19,6), wat God verbonden heeft, scheide de mens niet.
Coniugalis: het huwelijk, de echt betreffend, huwelijks-, echtelijk
Een mooi voorbeeld geeft ons de Collecta van de Huwelijksmis (MR 1970): “Deus, qui tam excellenti mysterio coniugale vinvulum consecrati, ut Christi et Ecclesiæ peæsignaris in fœdere nuptiarum (…), God, Gij hebt het verbond tussen man en vrouw gemaakt tot een Heilig geheim, zo groot als de liefde van Christus voor zijn bruid, de Kerk.
Coniux en coniunx, gade, gemaal, gemalin
Coniuges, (pl),  echtgenoten, echtpaar .
De beeldspraak van de oratie betreft een verbintenis vergelijkbaar met een huwelijksverbintenis.

P a u s e l i j k  o n d e r r i c h t
Johannes-Paulus II en Benedictus XVI over de eenheid met Christus in de H. Eucharistie
“Inlijving in Christus, bewerkstelligd door het Doopsel, wordt steeds hernieuwd en bevestigd door deelname aan het Eucharistisch Offer, vooral bij de volledige deelname die plaats vindt in de sacramentele Communie. We kunnen niet alleen zeggen dat ieder van ons Christus ontvangt, maar ook dat Christus ieder van ons ontvangt. Hij gaat vriendschap met ons aan: “Gij zijn Mijn vrienden” (Jo 15, 14). Dankzij Hem hebben wij het leven: “Hij die Mij eet, zal leven door Mij” (Jo 6, 57). Eucharistische gemeenschap brengt op verheven wijze tot stand dat Christus  in zijn volgelingen blijft en zij in Hem: “Blijft in Mij, zoals Ik in u” (Jo 15, 4)”.
(Joh.-Paulus II, Encycliek ‘Ecclesia de Eucharistia’, Over de Eucharistie in relatie tot de Kerk, 17 april 2003, nr. 22).

“Wij weten dat uit de dood van Jezus het leven voortkomt, omdat Hij in een geste van volledige overgave en belangeloosheid aan de Vader de dood tot een act van liefde heeft gemaakt en daardoor de dood ten diepste heeft veranderd: de liefde van Christus heeft de dood overwonnen. In de H. Eucharistie trekt Hij ons allen, vanaf het Kruis, tot zich (Joh 12,32) en maakt ons tot levende ranken van de ware Wijnstok die Hij zelf is. Wanneer wij met Hem verenigd blijven, zullen ook wij vrucht voortbrengen, niet langer de bittere azijn van de zelfgenoegzaamheid, van de ontevredenheid over God en zijn schepping, maar de goede wijn van de vreugde aan God en aan de liefde tot de naasten’.
(Paus Benedictus XVI, Uit de homilie bij de opening van de Bisschoppensynode, 2 oktober 2005)

O v e r w e g i n g
Als u gewend bent de H. Schrift of liturgische teksten in het Latijn te lezen, zullen uw oren zeer zeker onmiddellijk bij het horen van de klanken: “fructum qui semper maneat afferamus”, de toespeling oppikken op de verzen 16 en 17 van Johannes hoofdstuk  15: “Niet gij hebt Mij uitgekozen, maar Ik u en Ik heb u de taak gegeven  op tocht te gaan en vruchten voor te brengen die blijvend mogen zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn Naam vraagt. Dit is mijn gebod, dat gij elkaar liefhebt”.
Dat is wat het zinsdeel “perpetua tibi caritate coniuncti” ook bedoelt te zeggen: het in liefde met Hem verbonden zijn is de conditio quod non om geestelijke vruchten voor te brengen. Traditioneel zijn dat de twaalf vruchten van de H. Geest die Sint Paulus opsomt in zijn Brief aan de Galaten, hoofstuk 5. Het komt erop neer dat van ons, christenen, verwacht mag worden, dat wij deze deugden praktiseren! Wat van ons wordt verwacht, is niet gering: zachtmoedigheid, lankmoedigheid, getrouwheid, bescheidenheid, zelfbeheersing, kuisheid, liefde, blijdschap, vrede, geduld, rechtschapenheid en welwillendheid.
Donderdag zongen we de Ie Vespers in de basiliek van het hoogfeest van het H. Hart van Jezus; de eerste antifoon luidde: “In caritate perpetua dilexit nos Deus, ideo, exaltatus a terra, attraxit nos ad cor suum, miserans”, Met een eeuwige liefde (een bij uitstek goddelijke eigenschap) heeft God ons bemind, daarom heeft Hij, van de aarde omhoog geheven ons vol medelijden tot zijn Hart getrokken. “Rijk aan barmhartigheid vanwege zijn overgrote liefde waarmee God ons heeft bemnind, heeft Hij ons, toen wij nog zondaars waren “convivificavit Christo” met Christus ten leven gewekt en ons de deur naar de eeuwige heerlijkheid ontsloten.
Christus en de gemeenschap met Hem is de bron van ons christen-zijn. We luisteren naar zijn stem als Hij zegt: “Zonder Mij kunt gij niets” (Jo 15,5). Met andere woorden: als Christus niet leeft in ons, kunnen we niets, helemaal niets. Het zijn Jezus’afscheidswoorden, voordat Hij wordt overgeleverd om te sterven voor onze zonden. Heel veel heeft Hij dan nog te zeggen in zijn hogepriesterlijk gebed tot de Vader zoals we kunnen lezen in hoofdstuk 17 van Johannes.
Door de symboliek van de wijnstok betekenen Jezus’woorden dat zijn leven uitstroomt in zijn leerlingen. Het leven dat Christuys leeft, leeft Hij ook in de gelovigen zoals we reeds zagen bij de bespreking van het Mystieke Lichaam van Christus waarvan Hij het Hoofd, wij de ledematen vormen.
Christenen hebben in zich dus het leven van Christus. De apostel Paulus gaat nog een stapje verder: “Niet ik leef, maar Christus leeft in mij” (Gal 2,20). De christen die een echte rank is aan de wijnstok Christus, kan zeggen: Christus leeft in mij! Ik leef mijn leven in Christus.
En toch moeten we tegelijkertijd ook zeggen: de oude mens leeft in mij, die telkens opnieuw de kop opsteekt; dat is de realiteit in ons leven, de zonde die in ons woont, de neiging tot het kwade die zich niet zomaar laat wegdrukken. Maar Christus heeft ons ook de kracht gegeven daaruit op te staan: door het geloof in Hem. Dat had Hij ook al eens eerder gezegd (Mt 17, 20b): 'Voorwaar, Ik zeg u, indien gij een geloof hebt als een mosterdzaad, zult gij tot deze berg zeggen: Verplaats u vanhier daarheen en hij zal zich verplaatsen en niets zal u onmogelijk zijn.'.
“Niets zal u onmogelijk zijn”, anders gezegd: “Alles zal u mogelijk zijn”. Dit woord van hoop is een onwrikbaar anker  voor heel ons leven
Als we als levende ranken verbonden blijven met Christus, de ware Wijnstok, schenkt Hij ons duurzame levenskracht.  Als het gaat om heilig leven, om leven als christen dus, zegt Christus tegen ons: Zonder Mij kun je niets, met Mij kun je alles! In iedere H.Mis schenkt hij ons door de heilige offergave, door en in Hemzelf,  nieuwe levenskracht! Deze kans moeten we niet laten lopen maar met beide handen aangrijpen. Veel devotie!

Lectio divina lingua latina Liturgia Horarum Ad Officium lectionis Dominica XIII per annum Christum prædicamus in fines orbis terræ. Laten wij Christus prediken tot aan de uiteinden der aarde.



  
Lectio altera

Ex Homilíis Pauli papæ Sexti
(Hom. Manilæ habita die 29 novembris 1970)

Tweede lezing

Uit de Homilieën van Paus Paulus VI gehouden te Manilla 29 november 1970

Laten wij Christus prediken tot aan de uiteinden der aarde.

Wee mij, als ik het Evangelie niet verkondigd zal hebben. Want door Hem zelf, door Christus zelf, zó ben ik gezonden. Ik ben een apostel (gezondene) en getuige. Hoe verder die grens ligt, hoe moeilijker de opdracht is, des te heviger dringt mij de liefde. Zijn Naam moet ik prediken: Jezus is de Christus, de Zoon van de levende God: Hij is degene, die ons de onzichtbare God heeft geopenbaard. Hij is de Eerstgeborene van heel de schepping, Hij, in wie alles bestaat. Hij ook is de leermeester der mensen en hun Verlosser; Dezelfde, die voor ons geboren werd, voor ons stierf en verrees.

Hij is het middelpunt van de geschiedenis en van het heelal; Hij kent en bemint ons, Hij is de gezel en de vriend in ons leven, de Man van smarten en van hoop; Hij, degene die zeker zal terugkomen, die uiteindelijk onze Rechter zal zijn, en ook, zoals wij vertrouwen, de eeuwige volheid van leven en onze zaligheid.

En ik zou nooit kunnen ophouden over Hem te spreken: Hij is het Licht, Hij de Waarheid, ja zelfs de Weg, de Waarheid en het leven; Hij is het brood en de bron van levend water, het brood die onze honger verzadigt en onze dorst lest: Hij is onze Herder, onze Leidsman, ons Voorbeeld, onze Troost, onze Broeder. Zoals wij, en méér dan wij, was Hij klein, arm, vernederd, aan moeilijkheden blootgesteld, verdrukt en lijdend. Voor ons heeft Hij gesproken, zijn wonderen verricht, een nieuw Rijk gesticht, waar de armen gelukkig zijn, waar de vrede het algemeen beginsel is van leven, waar de zuiveren van hart en de bedroefden worden verheerlijkt en getroost, waar zij die hongeren naar gerechtigheid worden verzadigd, waar de zondaars vergiffenis kunnen verkrijgen en allen als broeders worden beschouwd.

Zie, daar is Christus Jezus, over wie Gij zeker hebt horen spreken, aan wie gij voor het merendeel ongetwijfeld reeds toebehoort, omdat gij christen zijt. Voor u dan, christenen, herhaal ik in zijn Naam, aan allen verkondig ik dit: Christus Jezus is het Begin en het Einde, de Alpha en de Omega, de Koning van de nieuwe wereld, de verborgen en diepste grond van de menselijke geschiedenis en van ons lot. Hij is de Middelaar en in zekere zin de Brug tussen aarde en hemel; Hij is het meest en op veel volmaaktere wijze dan alle anderen mensen de Zoon des mensen, omdat Hij de Zoon van God is, eeuwig en oneindig, én ook de Zoon van Maria, de gezegende onder alle vrouwen, van zijn Moeder naar het vlees en van onze Moeder uit de vereniging met de Geest van het mystieke Lichaam. Jezus Christus! Bedenkt wel: Hij is het, die wij u Preken voor altijd. Wij willen, dat zijn Naam zal weerklinken tot aan de uiteinden der aarde en tot in de eeuwen der eeuwen.



Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven” 13e zondag per annum / door het jaar


Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Laat onze eredienst beantwoorden aan uw heilige gaven.

I n l e i d i n g
Buiten de sacramentele realiteit heeft Christus de heilsbedeling aan de mensen verbonden met uitwendige en zichtbare tekens, waardoor genade wordt geschonken. Naast de Eucharistie wordt in de oraties het meest frequent het Doopsel genoemd. In het Gebed over de gaven van vandaag wordt benadrukt dat God zelf de werking van zijn mysteries tot stand brengt.
Door zich van tekens te bedienen, richt God zich vanuit onze menselijke beperktheid op de zichtbare realiteit waarin wij leven: wij verlangen immers te zien wat ons wordt geschonken.
De heilige gaven (“sacris muneribus”), waarvan sprake is, zijn het Lichaam en Bloed van de Heer als offergaven van de Eucharistie. Door ons dienstwerk bewerkt God de Consecratie. De genade dat wij voor Hem staan en Hem mogen dienen, is groot, zo groot dat wij ons verstouten Hem ons dienstwerk aan te bieden. Telkens opnieuw staan wij voor God, aan Wie het toekomt alles te bewerken. Alleen Hij kan ons hart voor onze deelname aan het mysterie voorbereiden. De Apostel Paulus onderstreept dit in zijn Brief aan de Efesiërs (3, 20-21): “Deus, qui potens est supra omnia facere superabundanter quam petimus aut intellegimus, secundum virtutem, quæ operatur in nobis, ipsi gloria in ecclesia et in Christo Iesu in omnes generationes sæculi sæculorum” – Aan Hem die door de kracht welke in ons werkt, bij machte is oneindig meer te volbrengen dan al wat wij kunnen, vragen of bevroeden, aan Hem zij de heerlijkheid in de Kerk en in Christus Jezus, tot in alle geslachten van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Primair geldt de oratie voor de priester, vervolgens voor de gehele liturgische handeling en tenslotte voor de gemeenschap van de gelovigen, die in de heilige Eucharistie niet alleen door de handen van de priester, maar ook met hem en onder zijn leiding het offer aanbiedt.

T e k s t
Missale Romanum – 1970
Deus, qui mysteriorum tuorum
dig
nanter operaris effectus,
praesta, quaesumus,
ut sacris apta muneribus fiant nostra servitia.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
God, aan de viering van dit mysterie
verbindt Gij uw genade.
Wij bidden U:

Werkvertaling
God, die genadig de uitwerkingen van Uw mysterie bewerkt,
verleen, vragen wij,
dat onze diensten passend worden gemaakt voor de heilige gaven.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
De brontekst van deze oratie wordt gevonden in het Sacramentarium Leonianum, 667, voor de maand juli, Verona, Kapittelbibliotheek LXXXV; 2e helft zesde eeuw, maar is niet opgenomen in de edities van het Romeins Missaal vóór MR 1970.
(E. Moeller, J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus Orationum, III, D, Brepols, Turnhout 1993, nr. 1810, p. 46)

S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1. Deus, 2. qui mysteriorum tuorum
dig
nanter operaris effectus,
3. praesta, quaesumus,
4. ut sacris apta muneribus fiant nostra servitia.

Dit Gebed over de gaven is compact opgebouwd overeenkomstig de klassieke vorm van de oudste oraties die worden aangetroffen in de Sacramentaria. In de beknopte versie van deze zondag vinden we de anaklese Deus aan de spits van de openingszin (r. 1), gevolgd door een relatieve bijzin (r. 2) die een bepaalde, aan God eigen werkzaamheid uitdrukt als motief tot verhoring van het in het vervolg genoemde ‘object’ van de bede (r. 4), ingeleid door enkele aandringende smeektermen (r. 3).              
In de gezongen versie vallen eens te meer de schoonheid van het ritme op, die de logica van de opbouw onderstreept (“oratietaal”).

Ad 1
Deus, [o] God, - anaklese, in de vocativusvorm.
Ad 2
Relatieve bijzin die een heilsdaad van God vermeldt, namelijk dat God op de Hem eigen wijze, dat is genadig en barmhartig,  de sacramentele uitwerkselen (effecten) van de liturgische handeling (de Eucharistieviering) bewerkt. De werkvertaling klinkt pleonastisch, maar het pleonasme is, bijbels gefundeerd, een in de liturgie veelvuldig gebruikte stijlvorm die eerbiedwaardige ondersteuning vindt in de psalmen, bijvoorbeeld “Exspectans exspectavi Dominum” (Ps 39 [40], 2), Vurig heb ik de Heer verbeid (letterl.: verbeidend verbeid ik de Heer). Bij de profeet Jesaja vinden we (61, 1o) “Gaudens gaudebo in Domino”- mij verheugend verheug ik mij in de Heer, een tekst (61, 10-62,5) die als loflied op het nieuwe Jeruzalem in het Getijdengebed (Lauden, week IV, feria V) is ingevoegd.
Operaris, Gij bewerkt, prædicaat  in de indicativusvorm præsentis van het deponens operari, operatus sum, 2e pers. enkelvoud.
Effectus, -us, m.: uitwerking, uitwerksel, effect, - Object bij voornoemd prædicaat in de accusativusvorm meervoud.
Dignanter, genadig, - bijwoordelijke bepaling afgeleid van het adiectivum dignans, eindigend op -er geplaatst na de stam dignant-).
Mysteriorum tuorum, van Uw  mysterie(s), bijvoeglijke bepaling bij het object effectus in twee congruerende genitivusvormen die dit object nader bepalen, genitivus explicativus.
Het begrip mysteria, dat kan worden gelezen als een synoniem voor sacramentum, komt in tien Gebeden over de gaven gedurende de Tijd door het jaar voor: II, VII, XIII, XIX, XXIII, XXII, XXVII, XXIX, XXXII. In de context van de orationes super oblata verwijst het begrip in de meeste gevallen naar het Eucharistisch Gebed, dus naar de sacramentele viering van het Paasmysterie. Het meervoud mysteria verwijst mogelijk naar de sacramentele riten hier en nu, en in de toekomst. In het christelijk Latijn zijn bovendien voorbeelden te vinden waarbij abstracte en concrete substantiva in het meervoud staan in plaats van het enkelvoud en ook omgekeerd (A. Blaise, Manuel du Latin Chrétien, Turnhout, 1955, § 23-24)
Ad 3
Praesta, quaesumus, Verleen, vragen/smeken wij U –
Praesta, prædicaat in de imperativusvorm enkelvoud van præstare, gevolgd door de losse werkwoordsvorm quaesumus, bidden/smeken wij [U], die de imperativusvorm afzwakt, maar ook een functie vervult in de ritmische cursus van de oratie. Beide prædicaatsvormen leiden de bede die in de ut-zin (r. 4) volgt, in.
Ad 4
Finale/doelaanwijzende resp. consecutieve/gevolgaanduidende bijzin met het prædicaat fiant in de coniunctivusvorm afhankelijk van het voegwoord ut, met betekenis opdat/zodat.
Fiant is de 3e persoon meervoud van de coniunctivus præsens van fieri, een lastig verbum waaraan de grammaticaboeken soms een aparte les wijden. Fieri kan de betekenis hebben van worden, zijn; fio is dan ik word en factus sum: ik ben geworden, bijvoorbeeld: Et homo factus est, en hij is mens geworden. Fieri wordt ook gebruikt als de passieve vorm van facere, maken, en dan betekent het gemaakt worden, tot stand komen. [ut] fiant … apta: op[zo]-dat zij passend/geschikt worden gemaakt: coniunctivus optativus (wens, gebed) of potentialis (mogelijkheid).
Apta, 1e pers. pluralis van het adiectivum aptum in het neutrum dat congrueert met het subject servitia nostra: prædicatieve bepaling bij fiant.
Nostra servitia, onze diensten/ons dienstwerk – subject van het prædicaat in twee congruerende nominativusvormen.  Sacris muneribus, voor de[ze] heilige gaven, - bijwoordelijke bepaling in twee congruerende dativusvormen. Zoals het verbum apto, vasthechten, - maken, passend maken,  aanpassen, maar ook voorbereiden, in orde brengen, klaar maken, meestal wordt geconstrueerd met de dativusvorm en dan ook betekenissen heeft als geschikt maken voor, bekwamen tot, accomoderen, toepassen, dienstig maken, uitrusten met/voor, zo moge dit ook gelden voor de combinatie fieri aptum.

Regel 2 laat klank- en eindrijm zien in mysteriorum tuorum op –o en –u en alliteratie van de slotletter –m.
Regel 4 bevat een hyperbaton door de uiteenplaatsing van sacris [apta] muneribus, en apta... bovendien een repetitio van de  eindklank – a in apta en nostra servitia.

V o c a b u l a r i u m
Dignanter, adverbium behorend bij het deponens dignari, zich gewaardigen, betekent 1. zoals het betaamt, passend en 2. genadig. In de context van de oratio is met het oog op God slechts de tweede betekenis aan de orde. Dignatio, - onis vr. betekent achting.

Operor, operatus sum, 1, een deponens (verbum in de passieve vorm, maar met actieve betekenis) heeft als basisbetekenis “werken, arbeiden, bezig zijn met”, maar het heeft ook de specifieke religieuze betekenis van “de goden dienen, sacrale riten voltrekken, door middel van offers eer brengen of huldigen“. Hier is operor “werken, werkzaam zijn, uitwerking hebben, actief zijn, verrichten”.  Het Nederlands heeft met dit verbum verwante woorden zoals opera, operatie, operatief enz.

Effectus, - us m.,  is “een handeling, bewerking”, maar met het oog op het resultaat van een handeling betekent het: “resultaat, uitwerking, effect, strekking, doel”. Het verwante verbum efficere, effeci, effectus 3, heeft betekenissen als voortbrengen, veroorzaken, bewerken, maken, tot stand brengen. Afleidingen in het Nederlands: effect, effectief en ook efficiënt (ontleend aan efficientis, genitief van het participium præsens efficiens).
Lette men er op dat de vorm effectus kan zijn: 1. het substantivum met bovengenoemde betekenissen en 2. effectus, -a, - um, participium perfecti passivi van efficere met betekenis bewerkt [zijnde] enz. 
Vorige week werd het woord “affectus” besproken zie aldaar.

Servitium, - i, n., een cultische dienst, een dienstwerk in de eredienst. In abstracte zin betekent het begrip servitium “de conditie van een slaaf of dienaar, slavendom, slavernij, slaafsheid, maar ook de innerlijke en uiterlijke attitude van dienstbaarheid. In concreto betekent het “groepering van dienaren, klasse van de slaven”.
Gaius Plinius Secundus (+ 79), genoemd Plinius de Oudere,  gebruikt in zijn ‘Naturalis Historia’ gebruikt het woord servitium voor de “drones” (!) onder het bijenvolkje. De Romeinse theaterschrijver Publius Terentius Afer ( + 59), eenvoudig Terentius genoemd, gebruikt deze term in zijn stuk ‘Andria’ in combinatie met debeo in de frase “hoc tibi pro servitio debeo… “Dit ben ik je als dienaar verschuldigd”.
De kerkvader en –leraar Augustinus (430) gebruikt de term “servitia debita” in de zin van “verschuldigde of noodzakelijke dienst aan de armen in een discussie over het actieve en contemplatieve leven, gesymboliseerd door de figuren van Martha en Maria.
In het Gebed over de gaven van vandaag vinden we de pluralis “nostra servitia”. De dictionnaire Lewis & Short vertelt ons dat Livius 2, 10, 8) de pluralis servitia gebruikt voor “dienstknechten als individuele personen” als of het “servi” waren, “slaven”. Dit helpt wel, maar het brengt ons niet waar we moeten zijn. Als we de schil van servitium afpellen met behulp van het onmisbare boek van Christelijk Latijn van Blaise/ Chirat komen we bij de kern van het begrip. Onder het lemma servitium wordt juist de oratie van vandaag geciteerd!
Servitia betekent de dienst die uitgeoefend wordt door de bedienaren van de eredienst, van het liturgisch gebed. Bij het uitspreken van ‘nostra servitia’, spreekt de priester over zijn eigen liturgische handelingen aan het altaar. Zie ook de Inleiding boven. Servitia is een cultisch begrip, niet een juridische of sociologische term.
G e t u i g e n i s  v a n  d e  V a d e r s
De H. Ambrosius van Milaan (+397) schreef in zijn proloog op “De Spiritu Sancto” (Over de Heilige Geest) “nostra enim servitia, sed tua sunt sacramenta.”  In de eerste halfzin ontbreekt het werkwoord  maar we kunnen de pluralis “sunt” aanvullen. Hier is Ambrosius:
18. … De bediening is de onze, maar de sacramenten zijn de Uwe. Het is inderdaad niet aan de mensen over goddelijke dingen (mysteriën) te beschikken, maar het is aan U, Heer, en aan de Vader zoals U hebt gesproken door de profeten, zeggend: “Ik zal mijn Geest uitstorten over alle mensen, en hun zonen en dochters zullen profeteren”. Dit is als een voorafschaduwing, die hemelse dauw, die vrij geschonken stroom van regen, zoals we lezen: “Een vrij geschonken stroom van regen is afgezonderd als uw erfenis”.  Want de Heilige Geest is niet afhankelijk van een vreemde kracht of wet, maar Hij is de Regisseur  van Zijn eigen vrijheid, alle dingen schikkend volgens het gezag van Zijn eigen wil, voor ieder, zoals wij lezen, verschillende, zoals Hij het wil.

H. Gregorius de Grote, paus
“Opdat het Sacrament van het lijden van onze Heer niet in onwerkzaam  blijft, moeten wij navolgen wat wij nuttigen en aan anderen openlijk bekend maken wat wij vereren”.
(E Libris Moralium, Lib. 13, 23: PL 75, 1029)
C o m m e n t a a r

Zoals in de Inleiding reeds gezegd, geldt de oratie primair voor de priester, vervolgens voor de gehele liturgische handeling en tenslotte voor de gemeenschap van de gelovigen, die in de heilige Eucharistie niet alleen door de handen van de priester, maar ook met hem en onder zijn leiding het offer aanbiedt.
Het is aan ons antwoord te geven op de praktische vraag, hoe wij -zoals eens de eerste christenen van Jeruzalem en Rome- moeten deelnemen aan dit ene Offer waarin Christus zelf zich voor ons aan de Vader geeft, zodanig dat wij oprecht kunnen zeggen, dat “wij” mee-offeren. “Wij offeren U het volmaakte, het heilige offer, en het vlekkeloze offer” - hostiam puram, hostiam sanctam, hostiam immaculatam (Eucharistisch gebed IB).
Christus heeft ons niet als levenloze lidmaten in zichzelf gecorporeerd, in het H. Doopsel  zijn wij met hem begraven, verrezen en leven wij in Hem. Daarom zijn wij in Zijn de tijd overstijgende verlossingswerk niet als passieve dode lidmaten opgenomen, maar zetten Zijn leven en werk in de Kerk met Hem voort. Als ledematen van Christus kunnen wij onze met Hem offeren en omdat wij nog in de tijdelijkheid leven, moeten wij vragen dat deze incorporatie wordt aanvaard.
Juist om die reden volgt deze incorporatie in de vorm van de Maaltijd, want in de H. Communie toont de Vader ons dat Hij ons in het verrezen en verheerlijkte Lichaam van Christus mede heeft geïncorporeerd, nadat wij ons vrijwillig bereid hebben verklaard door onze woorden: “wij offeren Hem”, met Hem Zijn kruisdood binnen te gaan. Er is nog altijd één Hogepriester en één Offer in eeuwigheid; bij de instelling van de H. Eucharistie echter heeft de Heer dit Offer tot bestendige tegenwoordigheid in de tijd verheven (“Blijft dit doen om Mij te gedenken”) en als mogelijkheid ons waarachtig in dit Offer en zijn aanvaarding die door de Verrijzenis bezegeld is, sacramenteel te incorporeren.
Iedere heilige Mis is eigenlijk telkens opnieuw universeel een ongehoorde gebeurtenis en ook een beslissende persoonlijke daad.
Wij willen de gehoorzaamheid van Jezus tot de dood toe verkondigen -mortem autem Crucis; in de verkondiging zeggen wij met hem: “Wij zijn bereid. Vader, doe met ons wat U wilt”: mortem tuam annuntiamus et tuam resurrectionem confitemur donec venias.
Als lidmaten van Christus hebben wij niet alleen de opgave te danken, te ontvangen en de Vader door de Zoon te prijzen. Wij verklaren tegelijkertijd met deemoedige liefde dat wij aanvaarden dat de Vader Zijn raadsbesluit doorvoert. Dat raadsbesluit is niets anders dan dat de Vader ons door het bittere lijden en sterven van Zijn Zoon in een nieuwe gemeenschap binnen leidt, waarin zonde en schuld worden gedelgd.
Hans Urs van Balthasar zegt in zijn boek Het heilig Misoffer en Offer van de Kerk, dat de beminnende zich gaarne voor de Beminde wil plaatsen om alle leed van Hem over te nemen. De Beminnende zegt: niet ik, maar jij. In de Heilige Mis wordt van ons verlangd, dat wij zeggen: “”niet ik, maar U, omdat de Vader het zo wil”. Nooit kan de mens in het heilswerk de eerste stap doen: God is hem altijd voor. Maar in Zijn kracht kunnen wij onze instemming met die van Hem zo verenigen, dat wij met Hem één offer worden. De H. Mis is een Mysterie van de liefdevolle vereniging  met Christus in de Vader. Bij de voetwassing maakt de Heer Petrus duidelijk hoeveel Hem eraan gelegen is, dat de apostelen zich deze deemoedige liefdedienst  laten welgevallen. Hij zegt tot Petrus: “Als gij U niet door Mij  laat wassen, kunt gij Mijn deelgenoot niet zijn”.

Moeder Teresa zei bij herhaling dat zij geen enkele dag en geen enkel uur van haar leven aan haar roeping kon beantwoorden zonder  de overgave in Hem, door Hem en met Hem in de dagelijkse H. Mis.

Het Heilig Misoffer is een ernstige zaak. Het is echter ook het vreugdevolle voorschot op de onuitputtelijke genadekracht op aarde en onderpand (pignus) van de heerlijkheid van hemels leven.
G e t u i g e n i s s e n  v a n  H e i l i g e n  e n  M y s t i c i

Johannes Reus S.J. (1868-1947):
“Toen ik op 14 mei 1941 bij de bereiding van de offergaven het gebed “Suscipe, sancte Pater, omnipotens æterne Deus, hanc immaculatam hostiam”  (Aanvaard, heilige Vader, almachtige eeuwige God, deze vlekkeloze offerande) bad, zag ik mij plotseling voor de hemelse Vader knielen. Ik bood Hem met beide handen mijn hart aan. Hij boog zich liefdevol tot mij neer en nam mijn hart met beide handen aan. Dan legde ik de hostie op het altaar neer. Deze goedheid van de hemelse Vader maakte zo’n indruk op mij, dat ik in tranen uitbarstte en een poosje moest wachten. De hemelse Vader heeft mij zo getoond dat dit gebruik, zichzelf op te offeren samen met het brood en de wijn, Hem zeer welgevallig is.”
Pater Reus werd waardig bevonden het genaderijkste mysterie van ons geloof ongesluierd met zijn ziel te aanschouwen – dat wil zeggen op een geestelijke niet aan de zintuigen gebonden manier – en dit gedurende vijfendertig jaar.
Hij mocht klaar inzien dat de H. Mis het hoofdbestanddeel van iedere godsverering is, de hoogste aanbidding en dankzegging en tegelijk een onuitputtelijke bron van genade. Deze mystieke belevenis heeft echter voor hemzelf het geloof niet opgeheven, maar nog meer verdiept, nog levendiger gemaakt. Hij zei herhaaldelijk: “We moeten leren geloven! Deemoedig, met overgave en vertrouwen geloven!” Op aanschouwelijke en tegelijk overweldigende manier mocht hij ervaren dat de goddelijke Hogepriester in de gewijde priester op aarde voortleeft en voortwerkt. Ja, dat Christus aan het altaar met de priester één wordt, dat Christus zelf in de priester het Heilig Offer, de onbloedige vernieuwing van zijn Kruisdood opdraagt.
Zeer vaak zag Pater Reus in zijn priesterhand de stralende hand van zijn Verlosser. Zo schrijft hij op 7 augustus 1937: “Bijzonder bij de heilige Consecratie zag ik weer de stralende hand van de goddelijke Verlosser, hoe die alle gebaren met mij en in mij maakte. Ik voelde het gewicht duidelijk, hoe twee stemmen dezelfde woorden spraken, namelijk mijn stem en die van de goddelijke Verlosser. Ik wil niet beweren dat ik met de lichamelijke oren de geheimenisvolle stem van de Heer vernam, daar ik tot hiertoe nooit met de lichamelijke zintuigen iets dergelijks waarnam. Maar het was alsof ik het met de lichamelijke oren ook hoorde. Bij de consecratie van de wijn hoorde ik heel duidelijk hoe de goede Heiland die consecratiewoorden in mij en met mij sprak, en hoe bij de opheffing van de kelk zijn stralende, goede handen in de mijne waren.”