dinsdag 18 augustus 2020

"Domine, ne in furore tuo arguas me" (Ps. 6, 1-4) - Penance Psalm



DOMINE, NE IN FURORE TUO (Verses 1-4)

Domine, ne in furore tuo arguas me:
neque in ira tua corripias me.
Miserere mei, Domine, quoniam infirmus sum:
sana me, Domine, quoniam conturbata sunt ossa mea.
Et anima mea turbata est valde:
sed tu, Domine, usquequo?

O LORD, REBUKE ME NOT (Verses 1-4)

O Lord, rebuke me not in thine anger:
nor chasten me in thy displeasure.
Have mercy upon me, O Lord, for I am weak:
O Lord, heal me,
for my bones are troubled.
My soul also is troubled:
but, Lord, how long?

We thank Breviary hyms

Reportage Kloosterfotograaf - Vogels in de tuin

 








maandag 17 augustus 2020

18 augustus H. Helena

Helena moet rond 255 geboren zijn en was afkomstig uit het plaatsje Drepanon in de provincie Bithynië in Klein-Azië. Daar was zij slechts een eenvoudig dienstertje op een boerenhoeve, annex herberg. Zij viel zo op door haar schoonheid dat keizer Constantius Chlorus haar als bijvrouw koos. Bij hem kreeg zij in 274 Constantijn, de latere keizer van het Romeinse Rijk. Na verloop van tijd verstootte Constantius haar weer ten gunste van zijn wettige vrouw. Zij werd pas weer in genade aangenomen, toen haar zoon de troon had bestegen in het jaar 306. Hij gaf haar de eretitel 'Augusta' (= 'Verhevene').

Vanaf dit moment is het bijzonder moeilijk in haar levensberichten legende en werkelijkheid van elkaar te onderscheiden. Constantijn was de gevreesde keizer Diocletianus opgevolgd, berucht vanwege zijn christenvervolgingen op grote schaal. Volgens de legende had Constantijn aanvankelijk die traditie voortgezet. Maar uiteindelijk had hij zich tot het christendom bekeerd en die godsdienst een bevoorrechte status in zijn Rijk gegeven: dat was de inhoud van het beroemde edict van Milaan uit het jaar 313.

Vanaf dat moment hebben de keizer en zijn moeder een immense invloed gehad op de verspreiding van het christelijk geloof. Volgens de legende pelgrimeerde zij nog op gevorderde leeftijd, in 324, naar het Heilig Land om er herinneringen terug te vinden aan de persoon van Jezus. Zij liet zich de plek aanwijzen waar Jezus was geboren en beval dat er een kerk moest worden gebouwd. Zij zou de relieken van de Drie Wijzen hebben teruggevonden. Zij liet een kerk bouwen op de plek waar het huisje van Nazareth had gestaan en één in de Hof van Olijven, op de plek waar Jezus in doodsangst tot de Vader had gebeden, en ook nog één op de plaats waar Hij ten hemel zou zijn opgestegen. Daarenboven stichtte zij een aantal kloosters in het Heilige Land.

Nog altijd volgens de legende werd door haar toedoen Jezus' kruis in Jeruzalem teruggevonden; ook op die plek liet zij een kerk bouwen. Daarbij kwamen ook de spijkers van Jezus' kruisiging weer tevoorschijn, de lans waarmee hij was doorstoken en het opschrift met de letters 'INRI'. Ook Jezus' tunica, waar de soldaten onder het kruis om hadden gedobbeld, omdat ze geweven was uit één stuk kwam tevoorschijn. Die liet zij tezamen met het gebeente van de apostel Matthias overbrengen naar Trier, de toenmalige keizerlijke residentie. Zij gaf er de aanzet tot de bouw van de domkerk; daar werd de heilige tuniek bewaard en voor pelgrims tentoongesteld. Zo ontstond er de devotie tot de Heilige Rok. Ook in deze stad zou zij een klooster gesticht hebben.

Met haar zoon stichtte zij de kerk van het Heilig Kruis in Rome en de apostelkerk in Constantinopel. Volgens de overlevering zou zij ook aan de basis hebben gestaan van de St-Gereonskerk in Keulen, en van de kerken te Xanten en Bonn, allemaal gebouwd ter ere van de Thebaanse Martelaren († 286; feest 22 september).

In 326 verleende Constantijn zijn moeder de titel van 'Keizerin'. Zij zou gestorven zijn rond 330 te Nicomedië, de keizerlijke residentie in het oosten. Waarschijnlijk in het kader van een lijkrede maakte een priester, Eustathius van Antiochië, melding van haar bescheiden afkomst; hij werd uit zijn ambt ontslagen en gedegradeerd.

Vindplaats: heiligennet.

Reportage - overstekende koeien in nabijheid van ons klooster

 




zaterdag 15 augustus 2020

Collectegebed 20ste zondag door het jaar - “Om U in allen en boven alles te beminnen”


T e r   i n l e i  d i n g
De vertaling van het Nederlandse Altaarmissaal van het collectegebed ziet goed dat de mooie oratie berust op 1 Kor 2,9: “(…) geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord, wat in geen mensengeest is opgekomen, al wat God heeft bereid voor Hen die Hem liefhebben”, ofschoon in de oratie alleen wordt gesproken van “wat geen oog heeft gezien”, van de “onzichtbare goederen”, het onkenbare heil. De gedachtengang van de oratie is duidelijk: Het hangt van de liefde af of wij deze “onzichtbare “goederen” verwerven. Maar wie zou zichzelf deze liefde kunnen geven? Daarom vragen wij God de liefde in onze harten te storten. Ook daarin ligt een toespeling op een woord van Paulus: “Gods liefde is in ons hart uitgestort door de heilige Geest die ons werd geschonken” (Rom 5,5,). Het Altaarmissaal laat het begrip “uitgieten” achterwege en kiest voor “wekken”.
Als het gebed om de liefde door God wordt ingewilligd, dan doet de belofte van 1 Kor 2,9 zich gevoelen. Ook waar geen mens aan dacht, omdat het alles overstijgt wat wij verlangen, verkrijgen wij dan wanneer wij God in alles en boven alles liefhebben.

Missale Romanum – 1970
Deus, qui diligentibus te bona invisibilia præparasti,
infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
ut, te in omnibus et super omnia diligentes,
promissiones tuas, quæ omne desiderium superant, consequamur.
Nederlands Altaarmissaal – 1979
God, voor hen die U liefhebben hebt Gij het geluk bereid dat geen oog heeft gezien.
Wek in ons een vurige liefde tot U
om U in allen en boven alles te beminnen
en uw beloften vervuld te zien die al onze verlangens te boven gaan.
Letterlijke vertaling
God, die voor degenen die U beminnen een onkenbaar heil hebt bereid,
stort in onze harten het vuur van Uw liefde,
opdat wij, die U in alles en boven alles beminnen,
Uw beloften kunnen bevatten, die elk verlangen te boven gaan.
S t r u c t u u r
1.      Deus,  - qui diligentibus -  te bona invisibilia præparasti,
2.     infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
3.     ut, te in omnibus et super omnia diligentes,
4.     promissiones tuas, quæ omne desiderium superant, consequamur.
Ad 1. De oratie opent met de vocatief Deus, gevolgd door een relatieve bijzin die een heilsdaad van God uitdrukt.
De woordgroep diligentibus te geeft in slechts twee woorden weer wat wij in een Nederlandse weergave in een bijzin moeten verwerken. Dit is een mooi voorbeeld van het beknopte karakter van het Latijn. Diligentibus is een ppa (participium praesentis activi) in de dativus pluralis en kan vertaald worden met een relatieve bijzin. Er ontstaat hierdoor in de vertaling een bijzin in een bijzin. Omdat diligentibus zelfstandig is gebruikt, d.w.z. zonder een erbij geplaatst congruerend naamwoord, mag in de vertaling een persoonlijk voornaamwoord aangevuld worden. De gebruikte dativus drukt uit dat er iets ten voordele van ‘hen die U beminnen’ bereid is. ‘Te’ is in deze woordgroep het object bij de personen die beminnen.
Præparasti is een verkorte vorm van præparavisti, een perfectum in de tweede persoon singularis. Een dergelijke contractie komt in het Latijn vaker voor en sluit aan bij de bovengenoemde beknoptheid die het Latijn kenmerkt.
Bona invisibilia is object bij praepara(vi)sti. Hier is het meervoud gebruikt van het onzijdige substantivum bonum, hetgeen ‘het goede’ betekent. Het meervoud bona, kan vertaald worden met ‘goederen’, maar in deze context lijken de mogelijke betekenissen als heil, welzijn of geluk meer geschikt. ‘Invisibilia’ is als adiectivum (invisibilis) geplaatst bij het substantivum ‘bona’ en staat daardoor evenals ‘bona’ in de accusativus pluralis van het neutrum. Invisibilis duidt op iets dat niet waarneembaar, onzichtbaar is. Men herkent in dit adiectivum het werkwoord videre (=zien) in –vis- . Het prefix –in geeft het adiectivum de waarde van de ontkenning, de onmogelijkheid van het zien (cf. het Credo: …visibilium omnium et invisibilium…). Het heil dat God ons in zijn Almacht bereid heeft is zo groot dat het voor ons mensen niet te bevatten, niet waarneembaar en niet te kennen is.
Ad 2. …infunde cordibus nostris tui amoris affectum;
Infunde is imperativus en leidt de eigenlijke smeekbede in. (In plaats van een gebiedende wijs zou je de gebruikte werkwoordsvorm in dit geval beter een verzoekende wijs kunnen noemen.)
Cordibus nostris staat in de ablativus pluralis (locativus) en wordt hier het beste vertaald met de bijwoordelijke bepaling ‘in onze harten’. Het prefix –in van de imperativus ‘in-funde’ versterkt deze vertaling van de ablativus.
Affectum  kan hier vertaald worden met ‘liefde’. Echter, met de aanvulling van de genitivus ‘amoris tui’ zou men in de vertaling tweemaal het woord ‘liefde’ tegenkomen. Dit heeft niet de voorkeur. Beter is het dan om als vertaling van affectum te kiezen voor een meer absolute betekenis  zoals gevoel of vuur.
Ad 3 en 4.Finale bijzin in de coniunctivus met wenskarakter, onderbroken door twee relatieve bijzinnen:
de eerste in r.3, beginnend met het persoonlijk voornaamwoord te afhankelijk van het participium presentis activi  diligentes en met Deus als antecedent, en de tweede relatieve bijzin quæ…superant als toelichting bij de accusativus promissiones tuæ.

1. ut -te in omnibus et super omnia diligentes- consequamur promissiones tuas
2. quæ omne desiderium superant.
Wanneer men de finale/of consecutieve bijzin, ingeleid door ut op bovenstaande manier weergeeft, wordt de opbouw duidelijk;

1. Het bijwoord ut draagt altijd een verbum in de modus coniunctivus bij zich. De coniunctivus kan nu als een indicativus vertaald worden en toevoegingen in de vertaling als ‘zou’ of ‘moge’ zijn niet nodig. Al zou een vertaling als coniunctuvus potentialis ( met behulp van het werkwoord ‘kunnen’) hier  mooi zijn.
De coniunctivus praesens consequamur staat in de passieve vorm (-mur als uitgang) maar wordt vertaald als was het een actieve vorm. Het verbum consequor is namelijk een deponens.
Als aanvulling bij het onderwerp ‘wij’ (-mur in het gezegde) staat ‘diligentes ‘als participium praesentis activi. Dit ppa met ‘in omnibus’ en ‘super omnia’ één woordgroep vormend, mag vertaald worden door middel van een relatieve bijzin.
Promissiones tuas is object bij het gezegde ‘consequamur’. Het verbum consequor kan de volgende betekenissen hebben; meteen volgen, verkrijgen of (mentaal)bevatten.
2. de relatieve bijzin ingeleid door quæ verwijst naar de eerder genoemde ‘promissiones tuas’. Quæ heeft in deze bijzin de functie van onderwerp.
Superant staat als gezegde bij quae.
Het onzijdige omne desiderium heeft hier de functie van object. 
L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze zondag is minstens zo oud als het Sacramentarium Gelasianum (1e helft van de 8e eeuw) zelf. Het was de collecta van de 5e zondag na Pinksteren en heeft de postconciliaire revisies overleefd. In het Missale Romanum van de Novus Ordo  is deze oratie in het mis- en officieformulier van de 20e zondag per annum geplaatst. Deze laatste versie  voegt echter een komma toe achter het voegwoord ut.
K l e i n  v  o c a b u l a r i u m
Affectus, us m. - de woordenboeken geven gedetailleerde betekenissen: “een toestand van het lichaam, en meer specifiek van de geest voortkomend uit een of andere invloed, dispositie van de geest, affect, affectie, gemoedstemming: liefde, verlangen, genegenheid, sympathie, compassie.
Consequor is een interessant werkwoord dat onder andere betekent:  meteen volgen, achtervolgen, achterna gaan, aanwezig zijn, begeleiden, vergezellen, volgen” en ook “een voorbeeld volgen, kopiëeren, gehoorzamen, volgzaam zijn”.  Het drukt “het volgen van een effect uit een voorafgaande oorzaak ui”: “to follow a preceding cause as an effect, voortvloeien, resulteren in, het gevolg zijn van, opkomen of voortkomen uit, bereiken, verlangen, verkrijgen, verwerven, deelachtig worden, treffen, ten deel vallen.  
De oratie van vandaag bevat veel woorden die liefde en verlangen uitdrukken. We hebben diligo, amor, affectus en ook begrippen die de genoemde concepten raken, zoals cor, desiderium en promissio.  Diligo is rijk aan inhoud. Op de eerste plaats betekent het: “waarderen,  hoogachten, beminnen”.  Het heeft ook de impact van “omzichtig, oplettend, opmerkzaam, behoedzaam, vlijtig, stipt, nauwkeurig”, zoals in ons – inmiddels wat ouder  - woord “diligent”.  
Desiderium is “een hevig, vurig verlangen of wens, strikt genomen naar iets wat men eens bezat”; en ook “een grote zorg of bron van leed, verdriet vanwege afwezigheid of verlies van iets  of van een persoon.”
C o m m e n t a a r
Dit collectegebed wordt voortgedreven door verlangen. Als dit gebed in het Latijn luidop wordt uitgesproken, vangt het oor ongetwijfeld de connectie op tussen  invisibilia in het begin en promissiones op het eind van de oratie.
De concepten in het collectegebed voorgesteld, leiden tot een climax.  Er is logischerwijs een noodzakelijk onuitgesproken startpunt voordat het gebed begint: dat is de manier waarop we  vanuit onszelf beminnen, voorafgaand aan, of los van het nieuwe karakter van de gedoopte Christen. Dit is “natuurlijke” liefde.
De eerste woorden van het gebed tillen ons boven de zuiver menselijke vormen van liefde uit. Deze natuurlijke vormen worden met de hulp van Gods genade getransformeerd. We vragen God Zijn manier van liefhebben, van liefde in onze harten te storten. Het is niet dat wij niet kunnen liefhebben op een louter natuurlijke, menselijke manier. In het gebed wordt het verlangen uitgedrukt dat de manier waarop we liefhebben getransformeerd mag worden, opgetild. Vanuit onze katholieke theologische traditie weten we dat, en het is bijna een axioma, “gratia non destruit, sed supponit et perficit naturam… dat de genade niet vernietigt, maar integendeel de natuur aanvult en deze volkomen maakt” (St. Thomas van Aquino, Summa TheologiæTh la. 1.8.).  Onze menselijke natuur was ontstellend gewond bij de val uit Gods genade,  maar de wezenlijke goedheid van deze natuur was niet verloren. We kunnen  beminnen als gevallen mensen, maar onze liefde kan ongeordend zijn. De genade bouwt voort op onze natuur, zij maakt onze manier van beminnen volkomen in dit leven door deze te ordenen en te richten op Gods liefde.
Vanuit deze opbouw van onze liefde in deze wereld, streven wij dan in ons gebed naar de liefde die ons wacht in de hemel, een liefde groter dan alles wat we ervaren in dit leven.  In de hemel zullen al onze hoop en al onze verlangens vervuld en overtroffen worden.  Zo kan men de invisibilia, "onzichtbare dingen" en promissiones, "beloften" aan elkaar koppelen. We weten dat ze er voor ons in de hemel zijn, maar we kunnen ze nog niet bereiken.  We leven in een toestand van "al, maar nog niet" met betrekking tot ons deel hebben aan de verrijzenis.  Wat ons te wachten staat na ons binnentreden in de gelukzalige aanschouwing, is niet in beelden voor te stellen. We kunnen er alleen maar naar snakken en hunkeren, lang voor de voltooiing van het door God beloofde.
Daarom is in deze collecte een opgang in en naar de ware Liefde te zien, inderdaad naar de gepersonifieerde Liefde.  Maar er is voorzichtigheid geboden: natuurlijke en bovennatuurlijke liefde mogen niet al te gemakkelijk tegenover elkaar worden gesteld.
Menselijke liefde, ook wel eens eros genoemd,  is niet vanzelfsprekend tegengesteld aan "religieuze liefde".  Wij zijn menselijke wezens, geen engelen.  Enerzijds moeten we het ene uiterste, dat het bovennatuurlijke probeert te profaneren door het op te sluiten in het begrensde vermijden, en anderzijds ook het verlangen naar de louter zuivere bovennatuurlijke liefde in dit leven, dat ons ineffectief en machteloos zou maken. Wij vinden de vervulling van onze goede, geordende aardse liefdes in de volmaakte liefde alleen in God.  De genade bouwt voort op de natuur en vernietigt deze niet.
Paus Benedictus beschouwt in Deus caritas est... God is liefde - zijn eerste encycliek, ondertekend op eerste Kerstdag 2005 - onder andere de antieke, technische Griekse termen voor de verschillende soorten van liefde: eros en agape. De betekenissen van eros en agape hebben een verschillende nuance. Agape is zichzelf gevende liefde, in termen van “afdalen", zichzelf leegmaken omwille van het geven aan de andere. Eros (met de afleiding "erotisch") is een liefde die wil ontvangen, gevuld wil worden door de ander; in termen van stijgen, willen groeien naar vervulling.
Beide aspecten van liefde, eros en agape, zijn inherent goed.  Echter, vanwege onze gevallen natuur, kan eros corrumperen tot ongeordende  liefde van louter lust of passie of genot, ook in seksuele zin. In zekere zin zijn eros en agape twee dimensies van een volmaakte liefde, die voorziet in zowel het geven als het ontvangen. Eros moet worden aangevuld met agape en verheven worden tot de geestelijke zin van christelijke liefde, de sensus catholicus voor caritas.  De  juiste integratie van de liefde die zichzelf ontledigt en de liefde die ontvangt , die geeft en die neemt, komt tot stand door de uitstorting van Gods eigen liefde in genade.  Er is een menselijke dimensie van liefde die absoluut noodzakelijk is, maar deze kan slechts volkomen zijn met Gods hulp.  God bouwt voort op onze liefde en vervolmaakt ze.
Daarom verlangen wij naar de Liefde, wij reiken ernaar, dorsten naar haar volheid, haar voltooiing, genezing, transformerende kracht. Zoals Sint Augustinus (+430) schreef in zijn Belijdenissen, "ons hart is rusteloos" totdat het zijn rust vindt in God, zijn vervulling in Gods liefde.
Door ons te verlossen vernietigt God onze natuur niet. Hij verheft wie en wat we zijn en maakt ons geheel nieuw.  Dit is de belofte die ons helpt te leven en te hopen in dit dal van tranen.  Denk aan de Prefatie van de Mis op Kerstdag, de dag waarop Paus Benedictus Deus caritas est ondertekende, de dag waarop de Mensgeworden Liefde wordt gevierd:
“Door het mysterie van de menswording van het Woord hebt Gij uw heerlijkheid ontvouwd voor onze ogen, nieuw licht is opgegaan, uw Woord is vleesgeworden; zichtbaar zijt Gij geworden, onze God in Hem; naar U gaat ons verlangen, onze liefde, naar U die nog verborgen zijt  ….… (in invisibilem amorem rapiamur).”
Richard van St. Victor (+1173) zei: "liefde is het oog en liefhebben is zien."  Liefde is de sleutel tot het zien van wat, beter van wie anders onzichtbaar is.  De liefde, die zowel verlangt te geven als te ontvangen en die verheven is tot een nieuwe bovennatuurlijke orde door de genade, stelt ons ook in staat om te zien wat beminnenswaardig is in onze naaste, ondanks onze menselijke zwakheid.

(Met dank ontleend aan father J. Zuhlsdorf WDTPRS)

Lezingen H. Mis 20e zondag door het jaar A U hebt een groot geloof, Uw verlangen wordt ingewilligd

Eerste lezing
: Jes. 56, 1. 6-7
Zo spreekt God de Heer:
“Onderhoudt het recht en doet wat rechtvaardig is,
want mijn heil is in aantocht,
mijn gerechtigheid zal zich openbaren.
De vreemdelingen, die zich bij de Heer aansluiten
om Hem te dienen,
die zijn Naam met liefde vereren
en zijn dienaren willen zijn,
allen die de sabbat onderhouden en hem niet onteren,
die trouw blijven aan mijn verbond,
hen breng Ik naar mijn heilige berg
en Ik geef hun vreugde in mijn huis van gebed.
Hun brand- en slachtoffers
zullen Mij aangenaam zijn op mijn altaar,
want mijn huis zal worden genoemd:
een huis van gebed voor alle volken.”

Tweede lezing
: Rom. 11, 13-15. 29-32
Broeders en zusters,
ik, Paulus, richt mij nu tot u,
die uit het heidendom gekomen zijt.
Ik ben weliswaar apostel der heidenen,
maar ik schat dit ambt juist hierom zo hoog,
omdat ik hoop
daardoor mijn eigen volk tot naijver te prikkelen
en er althans enigen van te redden.
Want als hun verwerping de wereld verzoening heeft gebracht,
wat kan dan hun aanneming anders betekenen
dan leven uit de doden?
Maar God kent geen berouw over zijn genadegaven
noch over zijn roeping.
Zoals gij eertijds aan God ongehoorzaam zijt geweest,
thans echter, dank zij de ongehoorzaamheid van Israël,
ontferming hebt gevonden,
zo is thans Israël op zijn beurt ongehoorzaam geworden,
opdat het ten gevolge van de u betoonde ontferming,
eveneens erbarming zou vinden.
Zo heeft God allen in ongehoorzaamheid opgesloten
om allen in te sluiten in zijn ontferming.

Evangelie
: Mt. 15,21-28
In die tijd trok Jezus zich terug naar de streek van Tyrus en Sidon.
Op een gegeven ogenblik
trad een Kananeese vrouw uit dat gebied naar voren, luid roepend:
“Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David!
Mijn dochter is van een duivel bezeten
en wordt verschrikkelijk gekweld.”
Maar Jezus gaf haar in het geheel geen antwoord. Toen wendden zijn leerlingen zich tot Hem met het verzoek:
“Stuur die vrouw toch weg,
want ze blijft ons achterna roepen.”
Hij antwoordde:
“Ik ben alleen maar tot de verloren schapen
van het huis van Israël gezonden.”
Maar de vrouw kwam naderbij, wierp zich voor zijn voeten neer en zei:
“Heer, help mij!”
Hij gaf haar ten antwoord:
“Het is niet goed
het brood dat voor de kinderen bestemd is,
aan de honden te geven.”
“Toch wel, Heer, – sprak zij –
want de honden eten immers toch ook de kruimels,
die van de tafel van hun meesters vallen.”
Daarop zei Jezus haar:
“Vrouw, ge hebt een groot geloof!
Uw verlangen wordt ingewilligd.”

Lezingenofficie 20e zondag door het jaar 20e zondag door het jaar Liturgia Horarum

Lezingen van het Lezingenofficie 

Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)Eerste lezing

Uit het boek van de profeet Jesaja 6, 1-13

De roeping van de profeet Jesaja

In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Heer, gezeten op een hoogverheven troon. De zoom van zijn mantel vulde de hele tempel. Boven hem stonden serafs. Elk van hen had zes vleugels, twee om het gezicht en twee om het onderlichaam te bedekken, en twee om mee te vliegen. Zij riepen elkaar toe: ‘Heilig, heilig, heilig is de Heer van de hemelse machten. Heel de aarde is vervuld van zijn majesteit.’ Door het luide roepen schudden de deurpinnen in de dorpels, en de tempel vulde zich met rook. Ik schreeuwde het uit: ‘Wee mij! Ik moet zwijgen, want ik ben een mens met onreine lippen, en ik leef te midden van een volk dat onreine lippen heeft. En nu heb ik met eigen ogen de koning, de Heer van de hemelse machten, gezien.’ Toen nam een van de serafs met een tang een gloeiende kool van het altaar en vloog daarmee op mij af. Hij raakte mijn mond ermee aan en zei: ‘Nu zijn je lippen gereinigd. Je schuld is geweken, je zonden zijn tenietgedaan.’ Daarop hoorde ik de stem van de Heer zeggen: ‘Wie zal ik sturen? Wie kan namens ons gaan?’ Ik antwoordde: ‘Hier ben ik, stuur mij.’ Toen zei hij: ‘Ga en profeteer het volgende tegen dit volk: “Luister goed, maar begrijpen zul je het niet; kijk goed, maar inzien zul je het niet.” Maak het hart van het volk ongevoelig, stop hun oren toe, smeer hun ogen dicht. Dan kunnen ze met hun ogen niet zien, met hun oren niet luisteren, en tot hun hart zal het niet doordringen. Ze zullen niet naar mij terugkeren en geen herstel vinden.’ Ik vroeg: ‘Hoe lang, Heer?’ Hij antwoordde: ‘Totdat de steden en huizen geheel verlaten zijn en er geen mens meer woont, tot heel het land verwoest is, één grote woestenij. Totdat de Heer de mensen heeft weggevoerd en er totale verlatenheid heerst in het land. En als er nog een tiende deel achterblijft, dan gaat ook dat in vlammen op, zoals een eik of een terebint wordt geveld voor een vuur. Er blijft slechts een stronk over, en het zaad in die stronk is heilig.’

Tweede lezing

Uit de homilieën op Mattheüs, van de H. Johannes Chrysostomus, bisschop

Zout der aarde en licht der wereld

Gij zijt het zout der aarde. Want, zegt Hij, niet voor uw eigen leven alleen, maar voor dat van heel de wereld is u de verkondiging van het woord toevertrouwd. Ik zend u niet naar twee steden, of tien of twintig ook niet naar een volk, zoals ik vroeger de profeten uitzond, maar over de aarde, de zee en heel de wereld, hoewel deze u zeer slecht gezind is. Want omdat Hij zei: Gij zijt het zout der aarde, toont Hij aan, dat heel de mensennatuur verschaald en door de zonde bedorven is. Daarom eist Hij vooral in zijn leerlingen die deugden, die vooral nodig en nuttig zijn om zorg te dragen voor de zielzorg van een grote menigte. Want wie zachtmoedig is, bescheiden, barmhartig en rechtvaardig, bewaart zijn goede werken niet voor zichzelf alleen, maar zorgt er ook voor, dat die uitmuntende bronnen ook uitvloeien tot nut van anderen. Daarbij, wie zuiver is van hart, vreedzaam en omwille van de waarheid vervolging leidt, richt zijn leven in tot algemeen nut.
Meent niet, zegt Hij, dat ge tot een lichte strijd wordt uitgenodigd of dat het voor u om kleinigheden gaat:  Gij zijt het zout der aarde. Hoe nu? Moeten wij soms het bedorven herstellen? Wat al bedorven is, kunnen zij immers niet redden door het met zout te mengen. Dat hebben zij dan ook zeker niet gedaan. Maar wat van te voren hernieuwd was en dan aan hen toevertrouwd en wat van het vuil ontdaan was, hebben zij met zout vermengd om het in die nieuwheid te bewaren, die ze van de Heer hadden ontvangen. Want om van het vuil der zonden gereinigd te worden, was de kracht van Christus nodig. Om niet tot dat vuil terug te keren, daartoe was de zorg en de arbeid van zijn leerlingen nodig. Ziet gij daar, hoe Hij hun geleidelijk aantoont, dat zij meer zijn dan profeten? Hij zegt hun immers niet, dat zij leraren van Palestina zijn, maar van heel de wereld. Wilt u er dus niet over verwonderen, zegt Hij, dat Ik, met voorbijgaan van anderen, u toespreek en uitnodig tot zo grote beproevingen. Beschouwt immers tot hoeveel en hoe grote steden, stammen en volken Ik van plan ben u als leiders uit te zenden. En zo wil Ik niet alleen, dat gij zelf de wijsheid zult bezitten, maar dat gij ook anderen aan u gelijk maakt. Want als gij zulk een gesteldheid niet zoudt hebben, dan zoudt gij het ongetwijfeld zelf niet uithouden.
Als de anderen verschaald raken, kunnen zij door uw bediening beter worden; maar gij, als gij tot dat kwaad zoudt vervallen, zoudt gij anderen met u in het verderf meeslepen. Derhalve, hoe groter de taken zijn, die u worden toevertrouwd, des te groter moet uw ijver zijn. Daarom zegt Hij: Maar als het zout verschaald geworden is, waarmee zal men dan zouten? Het deugt nergens meer voor dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden.
Opdat zij echter bij deze woorden: Wanneer men u beschimpt en vervolgt en lasterlijk van allerlei kwaad beticht, niet beginnen te vrezen in het publiek op te treden, zegt Hij ‘Als ge hiertoe niet bereid bent, zijt ge tevergeefs uitgekozen. Derhalve zullen beschimpingen noodzakelijk volgen, maar u in niets kwetsen, integendeel getuigen voor uw standvastigheid. Maar als gij echter uit vrees voor beschimpingen het aan de nodige standvastigheid laat ontbreken, zult ge nog veel zwaardere dingen te lijden krijgen, namelijk bij allen in een slechte naam komen te staan en door allen worden veracht, want dat is vertreden worden’.
Daarna gaat Hij over naar een nog verhevener vergelijking: Gij zijt het licht der wereld. Wederom ‘der wereld’ niet van een volk of van twintig steden, maar van heel de wereld: een licht, dat met het verstand te kennen is, verhevener dan deze aardse zonnestralen, in dezelfde zin als dat geestelijk zout. Eerst zout, dan licht, zodat ge zoudt leren, hoe nuttig dikwijls bittere woorden zijn, en wat een nut uit een ernstig onderricht kan voortkomen. Want dat slaat aan en laat zich niet uit het geheugen wissen. Het geeft kracht om het te overdenken en leidt naar deugd. Een stad op de berg kan niet verboren blijven; en men ontsteekt geen lamp om dit onder de korenmaat te zetten. Ook door deze vergelijkingen stelt de Heer zijn leerlingen de ernst van het leven voor ogen, hen lerend dat zij zich zorgvuldig in acht moeten nemen, omdat zij onder de ogen van allen leven en midden in het theater van heel de wereld strijd voeren


(Hom. 15, 6. 7: PG 57, 231-232 )