zondag 13 maart 2016

Der schmerzhafte Rosenkranz mit Benedikt. XVI - Jesus, der für uns Blut geschwitzt hat



DER EVANGELIST MATTHÄUS stellt uns den kurzen Dialog vor Augen, der im Abendmahlssaal zwischen Jesus und Judas stattfand. «Bin ich es etwa, Rabbi?», fragt der Verräter den göttlichen Meister, der vorausgesagt hatte: «Amen, ich sage euch: Einer von euch wird mich verraten und ausliefern.» Lapidar die Antwort des Herrn: «Du sagst es» (vgl. Matthäusevangelium 26,14-25).
Der heilige Johannes seinerseits schlieszt die Erzählung von der Ankündigung des Verrats des Judas mit wenigen bedeutsamen Worten: «Es war aber Nacht» (Johannesevangelium 13,30).
Als der Verräter den Abendmahlssaal verlässt, verdichtet sich das Dunkel in seinem Herzen – es ist eine innere Nacht; im Herzen der anderen Jünger wächst die Verwirrung – auch sie gehen der Nacht entgegen -, während sich die Finsternis der Verlassenheit und des Hasses über dem Menschensohn verdichtet, der sich aufmacht, sein Opfer am Kreuz zu vollbringen. Jenes Geschenhen … ist der äuszerste Zusammenstosz zwischen Licht und Finsternis, zwischen Leben und Tod.
Auch wir müssen uns, im Bewusstsein unserer «Nacht», unserer Schuld und unserer Verantwortung in diesen Kontext hineinversetzen, wenn wir das Ostergeheimnis mit geistlichem Gewinn wiedererleben, wenn wir zum Licht des Herzens gelangen wollen durch dieses Geheimnis, das den zentralen Kern unseres Glaubens bildet … Die Liturgie [vom Gründonnerstag] lädt die Gläubigen [ nach der Feier der Abendmahlsmesse] dazu ein, in Anbetung des Allerheiligsten Sakraments zu verharren und die Agonie Jesu in Gethsemani nachzuerleben. Und wir sehen, wie die Jünger geschlafen haben und de Herrn allein lieszen.
Auch heute schlafen wir, seine Jünger, oft. In dieser Heiligen Nacht von Gethsemani wollen wir wachsam sein. Wir wollen den Herrn nicht allein lassen.

Generalaudienz, 4.4.2007

HERR … LASS UNS in den Stunden des Dunkels erkennen, dass du dennoch da bist. Lass uns nicht allein, wenn wir verzagen wollen. Hilf uns, dass wir dich nicht allein lassen. Gib uns die Treue, die standhält in der Verwirrung, und die Liebe, die dich gerade in deiner äuszersten Not umfängt.


Kreuzweg am Kolosseum in Rom, Karfreitag 2005

zaterdag 12 maart 2016

Alle menselijke bedrijvigheid moet in het Paasmysterie worden gezuiverd (Gaudium et Spes)

De Heilige Schrift, met welke de ondervinding van eeuwen overeenstemt, leert het menselijk geslacht, dat de vooruitgang in de wereld wel een groot goed voor de mens is, maar grote gevaren met zich meebrengt : want omdat de hiërarchie der waarden is verstoord en zo het goede met het kwade is vermengd, hebben de mensen, ieder afzonderlijk en gemeenschappelijk, nog alleen maar oog voor hun eigen belangen en niet voor die van anderen.

Daardoor is er in de wereld geen plaats meer voor ware broederliefde, terwijl de toename van menselijke macht tenslotte het menselijk geslacht zelf dreigt te vernietigen.
Als men nu naar een oplossing zoekt om deze ellende te boven te komen, dan zegt ons het christendom, dat alle menselijke bedrijvigheid, die door de hoogmoed en de ongeordende eigenliefde dagelijks in gevaar verkeert, door het kruis van Christus  en zijn verrijzenis gezuiverd moeten worden en tot volmaaktheid gebracht.

Want door Christus verlost en door de Heilige Geest tot een nieuw schepsel geworden, kan en moet de mens de schepselen van God beminnen. Want hij ontvangt ze van God en beschouwt en eerbiedigt ze als voortvloeiend uit Gods hand.

Voor dit alles dankt hij zijn Weldoener en terwijl hij die schepselen gebruikt en ervan geniet in een geest van onthechting en vrijheid, wordt hij ingeleid tot het ware bezit. Want alles is van u, maar gij zijt van Christus en Christus is van God.

Het Woord van God toch, waardoor alles is ontstaan, is zelf vlees geworden en is onder de mensen op aarde komen wonen, als volmaakte Mens is Hij de geschiedenis der wereld binnengegaan en heeft deze in Zich opgenomen en samen gebracht.

Hij openbaart ons, dat God liefde is, en leert ons tegelijk, dat de grondwet van de menselijke vervolmaking, en dus van de omvorming van de wereld, het nieuwe gebod van de liefde is.

Aan allen derhalve, die geloven in de goddelijke liefde, geeft Hij de verzekering, dat de weg der liefde voor alle mensen openstaat, en dat het niet zinloos is te trachten een algemene broederlijke samenleving te vestigen. Tegelijk vermaant Hij ons, dat deze liefde niet alleen gezocht moet worden in grote dingen, maar vooral in de gewone omstandigheden van het leven.

Doordat Hij voor ons allen, zondaars, de dood heeft willen ondergaan, leert Hij ons door zijn voorbeeld, dat wij ook het kruis moeten dragen, dat het vlees en de wereld op de schouders leggen van hen, die vrede en gerechtigheid nastreven.

Door zijn Verrijzenis tot Heer aangesteld werkt Christus, aan Wie alle macht is gegeven in de hemel en op aarde, nu in de harten van de mensen door de kracht van zijn Geest, niet alleen door in hen het verlangen op te wekken naar de toekomstige wereld, maar door dit verlangen bezielt, zuivert en versterkt Hij ook hun edelmoedige pogingen, waardoor de mensheid haar eigen leven menselijker tracht te maken en zo heel de wereld aan dit doel ondergeschikt wil maken.

Maar verschillend zijn de gaven van de Geest: sommigen roept Hij om duidelijk te getuigen van hun verlangen naar de hemelse woning, en dit onder de mensen levend te houden; anderen roept Hij om zich te wijden aan de aardse dienst voor de mensen, om door dit dienstbetoon zich stof te bereiden voor het hemelse Rijk.
Maar Hij maakt allen vrij om, met verzaking van de eigenliefde, alle aardse krachten te gebruiken voor het menselijk leven en zich open te stellen voor de toekomst, wanneer de mensheid zelf een God aangename offerande zal worden.

[Pastorale Constitutie Vaticaum II, Gaudium et Spes, over de Kerk in de wereld van deze tijd, nr. 37-38]


vrijdag 11 maart 2016

Er is niets wat Hij niet tot ons heil heeft gedaan of geleden…

Paus Leo de Grote [400-461]:

“Aan niemand van de zwakken wordt de overwinning van het kruis geweigerd; er is niemand die niet door het gebed van Christus wordt geholpen. Als dat gebed voor velen, die tegen Hem woedden, van voordeel is geweest, hoeveel te meer zal het hen dan helpen, die zich tot Hem bekeren?
De christenen worden uitgenodigd tot de rijkdommen van het paradijs, en voor alle herborenen is de terugkeer naar het verloren vaderland toegankelijk gemaakt, als niemand voor zich die weg door eigen schuld afsluit, die voor het geloof van de goede moordenaar geopend kon worden.
De bezigheden van het leven moeten ons niet zo angstig of hoogmoedig in beslag nemen, zodat wij ons niet met heel ons hart kunnen toeleggen om door middel van zijn voorbeeld gelijkvormig te worden aan onze Verlosser. Er is niets wat Hij niet tot ons heil heeft gedaan of geleden, om te bewerken, dat de kracht die in het Hoofd was ook in het lichaam aanwezig zou zijn.
Omdat onze natuur van haar oude wonden  moest worden genezen en gezuiverd van de opeenhoping van zonden, is de Eniggeborene van God ook zó een Zoon van mensen geworden, dat Hij niets van het waarachtig mens-zijn miste, noch de volheid van de Godheid.
Het was iets van ons dat Hij ontzield in het graf werd gelegd, maar ook dat hij op de derde dag verrees en tot boven alle hemelen opsteeg om te zitten aan de rechterhand van de Majesteit van zijn Vader: opdat – als wij voortgaan op de weg van zijn geboden en er ons niet voor schamen te erkennen, wat hij in zijn lichamelijke vernedering voor ons betaald heeft – ook wij verheven mogen worden tot de deelname in zijn glorie: omdat openlijk in vervulling zal gaan wat Hij voorzegd heeft: Ieder die Mij belijdt voor de mensen, zal ook Ik belijden voor mijn Vader, die in de hemelen is.

(Uit: Leo Magnus, Sermo 15, De passione Domini, 4: PL 54, 367)

maandag 7 maart 2016

Uit de martelaarsakten van de heilige Perpetua en Felicitas († 203)

Geroepen en uitverkoren tot de heerlijkheid van de Heer.
Voor de martelaren was de dag van hun overwinning aangebroken. Zij vertrokken uit de kerker naar het amfitheater alsof ze op weg gingen naar de hemel. Zij zagen er stralend en verheven uit. En zij trilden, maar meer van vreugde dan uit angst.
Als eerste werd Perpetua door een koe in de lucht geworpen en kwam op haar rug terecht. Toen ze weer was opgestaan en zag dat Felicitas neergeworpen was, ging ze naar haar toe, gaf haar een hand en hielp haar overeind. En zo stonden zij beiden weer rechtop. Nu de hardvochtigheid van het volk gebroken was, werden zij teruggeroepen naar de poort der levenden. Daar werd Perpetua opgewacht door een zekere Rusticus, die als katechumeen in haar dienst was. En toen zij als het ware uit een droom ontwaakt was - zozeer was zij in vervoering en buiten zichzelf geweest - begon zij rond te kijken en zei tot verbazing van de omstanders: ‘Wanneer worden wij nu naar die koe geleid?’ Toen ze hoorde dat dit al gebeurd was, wilde zij het pas geloven toen ze op haar lichaam en kleren de sporen van het geweld zag. Toen liet ze haar broer komen en sprak tot hem en tot de katechumeen Rusticus: ‘Houd vast aan het geloof en bemin elkaar. Laat je niet ontmoedigen door ons lijden.’
Tegelijkertijd sprak Saturus bij een andere poort de soldaat Pudens als volgt moed in: ‘Tot nu toe heb ik niets van de beesten gevoeld, precies zoals ik het verwacht en voorspeld had. Maar geloof mij: ik ga er nu op af en ik zal door een enkele beet van een luipaard omgebracht worden.’ En meteen daarna - het schouwspel liep al ten einde - werd Saturus voor een luipaard geworpen; het bloedbad ten gevolge van één beet was zo groot dat het volk hem bij zijn terugkomst toeriep: ‘Dat was een goed bad! Dat was een heilzaam bad!’ Die woorden klonken als een getuigenis van een tweede doopsel. Inderdaad, na zo’n bad had hij het heil volledig verworven.
Toen sprak Saturus tot de soldaat Pudens: ‘Vaarwel, blijf denken aan je geloof en aan mij. Laat dit alles je niet aan het wankelen brengen, maar laat het je bemoedigen.’ En tegelijkertijd nam Saturus de ring van de vinger van Pudens. Hij doopte de ring in zijn wond en gaf hem weer terug aan Pudens als een erfstuk. Daarmee liet Saturus hem een onderpand en een aandenken aan zijn bloed achter. Vervolgens werd Saturus als levenloos op de gebruikelijke plaats bij de anderen geworpen om de nekslag te krijgen.
Maar het volk wilde hem en de anderen terugzien in het amfitheater om met eigen ogen getuige te zijn van de moord en om het zwaard te zien binnendringen in hun lichaam. Toen stonden zij uit eigen beweging op en zij begaven zich waarheen het volk wilde. Maar eerst kusten zij elkaar nog om hun martelaarschap te besluiten met de vredeskus.
Onbeweeglijk en zonder een woord te zeggen kregen al de anderen de doodsteek. Saturus het allereerst: hij die (in een visioen van Perpetua) het eerst op de ladder geklommen was, gaf ook het eerst de geest. Hij moest immers Perpetua opwachten. Zij moest echter eerst nog de pijn voelen: zij werd tussen haar ribben geraakt en schreeuwde het uit. Vervolgens richtte zij zelf de onzekere hand van de nog onervaren zwaardvechter op haar keel. Zulk een vrouw kon wellicht alleen maar gedood worden wanneer zij het zelf wilde; zozeer werd Perpetua door de boze geest gevreesd.
Heldhaftige en gelukzalige martelaren! Gij zijt werkelijk geroepen en uitverkoren om de heerlijkheid van onze Heer Jezus Christus binnen te gaan!

7 maart: Heilige Perpetua en Felicitas

Na een tijdelijke pauze tijdens de christenvervolging, besloot keizer Decius rond het jaar 250 dat de christenen de vijanden waren van het Romeinse Rijk. In die tijd heerste in het keizerrijk bij de aristocratie wijd verspreid corruptie en decadentie, de Perzen bedreigden de oostelijke grenzen en de Germaanse barbaren drongen op in het Noorden. De economie was een ramp. Vanuit heidens standpunt bekeken moest er een oorzaak zijn voor de verstoring van de normale maatschappelijke orde en voor de staatsbetrekkingen met de goden, de pax deorum. Een nieuwe godsdienst had greep gekregen op talloze mensen. Decius vaardigde een decreet uit dat op straffe des doods iedereen aan de Romeinse goden moest offeren en een verklaring bezitten dat zij dit daadwerkelijk hadden gedaan. De bedoeling was de leiders van de last veroorzakende christelijke sekte te doden. Het resultaat echter was een versterking van de Kerk door het bloed van de martelaren ("martelaren", afgeleid begrip van het Griekse woord voor “getuige”). Er ontwikkelde zich een nieuwe martelarenverering en velen werden daardoor tot het christendom aangetrokken.

Heel de derde eeuw werd getekend door christenvervolgingen, hoewel deze sporadisch en vaak plaatselijk waren. Wij weten echter dat zij telkens opkwamen wanneer sociale toestanden voldoende ontaardden om een zondebok aan te wijzen. Er bestaan documenten uit die tijd die van christenvervolging getuigen, eveneens een dagboek uit de gevangenis van een jonge vrouw, Perpetua genaamd, die omstreeks 202 in Carthago, Noord-Afrika, gemarteld was. Zij was nog catechumene, (Doopleerling)  maar beschouwde zich zelf als christin. Zij droeg het kind dat zij nog aan de borst had, over en stond erop als christen in de arena terecht te komen bij een feest van de stad Rome. Nadat velen hadden getracht haar daarvan af te brengen kreeg ze haar zin. Met een groot heroïsme stond zij tegenover de beesten en gladiatoren. Na vele martelingen werd een jonge gladiator gestuurd om haar de genadeslag tot te brengen maar deze kon dit niet van zich verkrijgen. Tenslotte greep Perpetua zijn hand en richtte zijn zwaard op haar eigen keel. De heldhaftigheid van Perpetua inspireerde velen die eveneens een krachtig getuigenis van hun geloof begonnen te geven en daarna gevangen werden gezet. Dit was ook het lot van een zwanger slavinnetje, Felicitas genaamd. Felicitas kreeg haar kind net voordat de gevangen christenen op hun beurt allemaal de arena in werden gedreven. De acta en oude dagboeken maken gewag van de liefde en zorg die deze christelijke martelaren in de gevangenis tot het laatst toe voor elkaar hadden. Er is ook een zeer indrukwekkende scene beschreven waarin Perpetua en Felicitas elkaars kleding fatsoeneerden om hun zedigheid te bewaren, zelfs bij hun marteling. Met de vredeskus wensten zij elkaar vaarwel om hun marteldood te doorlijden, verenigd en na haar dood ongetwijfeld herenigd in haar geloof in Christus.

Op deze feestdag bidt de Kerk:
God, uit liefde tot U hebben de heilige Perpetua en Felicitas de marteldood doorstaan en die hen naar het leven stonden glansrijk overwonnen. Wij vragen dat wij kracht vinden door hun gebed en groeien in uw liefde. Door onze Heer Jezus Christus, uw Zoon, die met U leeft en heerst in de eenheid van de heilige Geest, God, door de eeuwen der eeuwen. Amen.

Maart Maand van Sint Jozef




Gebed tot Sint Jozef

Tot U, heilige Jozef, nemen we onze toevlucht in onze nood en – na de hulp van uw allerheiligste Bruid te hebben ingeroepen – smeken wij met vertrouwen ook uw bescherming af.
Wij bidden U ootmoedig: zie goedgunstig neer op het erfdeel, dat Jezus Christus door zijn bloed heeft verworven, en help ons in onze noden door uw machtige bijstand. Dat vragen wij U omwille van de liefde die U heeft verbonden met de onbevlekte Maagd en Moeder van God, en omwille van de vaderlijke tederheid, waarmee gij het Kind Jezus hebt omhelsd.
Zorgzame bewaarder van het heilig Huisgezin, bescherm de uitverkoren kinderen van Jezus Christus. Liefderijke Vader, verwijder van ons alle besmetting van dwaling en zedenbederf.
Machtige Beschermer, sta ons vanuit de hemel genadig bij in de strijd tegen de machten van de duisternis. En, zoals Gij weleer het Kind Jezus uit het grootste levensgevaar hebt gered, zo verdedig nu ook de heilige Kerk van God tegen vijandelijke aanslagen en alle tegenwerking.
Neem ieder van ons in uw blijvende bescherming, opdat wij, naar uw voorbeeld en gesteund door uw hulp, heilig leven, zalig sterven en het eeuwig geluk in de hemel verkrijgen. Amen.

zaterdag 5 maart 2016

Overweging Vierde zondag van de 40-dagentijd Zondag Lætare



Jozua 5, 9-12
2 Korintiërs 5, 17-21
Lucas 15, 1-32
 
Deze 4de zondag van de Veertigdagentijd staat bekend als zondag Lætare, dat betekent: “Verheug u, wees blij”, om reden van de Intredezang uit het Latijnse Misformulier, een tekst genomen uit de profeet Jesaja (Jesaja 66,10). Vandaag hebben we reden om bedroefd te zijn vanwege de aanstaande afgang en ondergang van Jezus van Nazareth, en om al het moois wat verloren is geraakt. Maar ook hebben we reden om blij te zijn, want die ondergang is slechts een doorgang naar Jezus’ verheerlijking bij God; blijdschap ook omdat wat verloren is gegaan, wordt teruggevonden.
Iemand had twee zonen ... Als hoorders en kenners van de Heilige Schrift gaan bij u natuurlijk belletjes klinken. Iemand had twee zonen. Is dat niet een motief dat we al kennen uit het eerste boek van de bijbel, het boek Genesis? We horen daar van de gespannen sfeer tussen Esau en Jakob, de twee zonen van aartsvader Isaak, waarbij Jakob, de jongste, zijn oudere broer Esau steeds te slim af was. En dan het verhaal over Kaïn en Abel. Kaïn had zijn jongere broer Abel van het leven beroofd, en God stelt hem daar verantwoordelijk voor, ook al vraagt hij heel brutaal: “Ben ik mijn broeders hoeder?” In het volk van Israël, in het Joodse volk, is het vertellen van verhalen bijna een natuurwet, een noodzakelijk gegeven. Door het vertellen van anekdotes, bondige uitspraken, puntige wijsheden en gelijkenissen brengen de leraren van Israël de noodsituaties van het menselijk leven onder woorden. In verhalen wordt de worsteling van de gelovige met de ene God en met de praktijk van het dagelijks leven toegelicht en uitgelegd. En Jezus, als zoon van het oude volk, is een verteller bij uitstek. Hij is een man die goed om zich heen heeft gekeken, een scherp observator van wat er om heen gebeurde. Hij heeft levenservaring opgedaan in de werkplaats van zijn vader en in het huishouden van zijn moeder;  naar het leven op het platte land, de boeren en de herders, naar de handel en de industrie in de steden, naar de verhouding tussen overheden en onderdanen, naar de macht van de Romeinse bezetter, naar het religieuze leven in synagogen en tempel. Het begin van de parabel is kort maar er gebeurt veel. De jongere zoon vraagt om zijn erfdeel en gaat er mee op reis. De situatie is merkwaardig. Het was in het oude Oosten bepaald geen gewoonte een zoon zijn erfdeel mee te geven nog voordat de vader gestorven was. Blijkbaar beschouwt de jongste zijn vader al als dood, zijn vader heeft in zijn ogen al afgedaan, de breuk is compleet. Je zou toch enig protest verwachten. Van de vader: Jongen, daar moet ik nog eens over nadenken. Of van de oudste broer: Dat kun je niet maken. Niets van dat alles. De jongste verlaat het huis als een vermogend man en jaagt zijn geld er in den vreemde door, zo snel dat hij gedwongen wordt zich als varkenshoeder te verhuren. Niet voor niets zegt de Talmoed: “Vervloekt wie zich bezig houdt met varkenshoeden.” Een zoon van Abraham, een jood die zich onrein maakt met varkens?  Het water moet hem wel tot aan de lippen staan. Weer zegt de Talmoed: “Pas als een Israëliet peulenschillen moet eten, krijgt hij spijt.” Pas nu komt hij tot bezinning. Van berouw of bekering is geen sprake. De spijt die hij heeft is ingegeven door weinig edele motieven: hij heeft honger. Voor God is echte bekering geen noodzakelijke voorwaarde om de afgedwaalde mens weer in genade aan te nemen! Dat wordt duidelijk uit de twee voorgaande gelijkenissen die in de evangelielezing zijn weggelaten. Het verloren geraakte geldstuk, het verdwaalde schaap hebben zelf niets misdaan, zij dragen geen enkele schuld dat zij door de eigenaars zijn kwijtgeraakt. De huisvrouw doorzoekt alle hoeken en gaten, de herder doet alles om het schaap terug te vinden, maar de vader? Wat doet de vader in de parabel, de vader die in de gelijkenis eigenlijk de echte hoofdpersoon is. Die blijft gewoon thuis. Hij gaat niet achter zijn zoon aan, maar wacht en zijn deur blijft open staan. Hij ziet al van verre de verloren gewaande zoon terugkomen, hij is ontroerd, hij omhelst hem, kust hem en geeft opdracht het beste kalf te slachten. En hij die tevreden zou zijn geweest als zijn vader hem als een knecht zou behandelen, wordt met ‘zoon’ aangesproken, hij krijgt de mooiste kleren aan en een ring om zijn vinger. De oudste zoon voelt wat wij allemaal voelen: verbazing, ergernis, kwaadheid. Mijn broer die alles verkwist heeft, wordt voor zijn wangedrag beloond. Wat is mijn vader voor een man? Is hij helemaal gek geworden? Zowel de oudste als de jongste moeten leren dat wij altijd Gods zonen en dochters blijven hoever we ook van hem afdwalen. “Kan een vrouw haar baby vergeten? Kan een moeder het kind dat zij droeg verstoten? Zelfs als zij dat al doet, Ik, God, vergeet jullie nooit!” (Jesaja 49,15). De farizeeën die net als wij God verwijten maken over zijn genadige handelwijze, worden geconfronteerd met de verbazingwekkende manier waarop de God van Israël met mensen omgaat. Zij en wij moeten leren dat God niet de dood van de zondaar wil, zoals we zo vaak in deze vastentijd horen, maar dat hij leeft. “Je broer leeft”, zegt de vader tegen zijn oudste, hem daarmee fijntjes corrigerend toen die het tegen zijn vader enigszins laatdunkend had over ‘die zoon van u’. Het komt erop neer dat beide zonen eigenlijk niet weten wat voor man hun vader is, niet vermoeden dat zijn hart groter is dan hun verstandelijke overwegingen en redeneringen. Een man die ruimte geeft aan hun beider levensweg, hun keuzes aanvaardt ook al zijn het de verkeerde keuzes. Prachtig hoe er staat: “Zijn vader zag hem al toen hij nog in de verte was”, dus nog vóór de jongste aan zijn weg terug was begonnen. De ‘verloren’ zoon is nooit uit het blikveld van zijn vader geweest, de vader heeft hem nooit uit het oog verloren. Zijn vader snelt hem zelfs tegemoet, wat je niet verwacht van een eerbiedwaardige sjeik. Die staat niet zo maar van zijn ereplaats op, laat staan dat hij gaat rennen. Een sjeik doet niet aan hardlopen, een sjeik schrijdt rustig voorwaarts. En zoals de deur van de vader openstond voor zijn jongste zoon, zo geeft hij ook ruimte aan zijn oudste. Wanneer die kwaad wegloopt en weigert binnen te komen, komt zijn vader naar buiten en gaat ook hem tegemoet. De jongste zoon dacht uit berekening: ‘ik zit hier eikels te eten, en de knechten van mijn vader hebben het beter dan ik’. Ook de oudste zoon denkt in termen van berekening: ‘Al zoveel jaren dien ik u …, en toch, toch hebt u me nooit een bokje gegeven’. De verhouding tot zijn vader beziet hij net als de jongste als en relatie tussen een knecht en zijn werkgever! Ook de oudste zoon heeft bekering nodig. “Jongen”, zo wordt hij liefdevol door zijn vader aangesproken, “jongen, jij bent altijd bij me, en alles wat van mij is, is ook van jou.” De oudste wordt aangespoord om te delen in de vreugde zoals de buren deelden in de blijdschap van de huisvrouw toen zij haar geldstuk had teruggevonden, en zoals de engelen in de hemel deelden in de vreugde van de herder toen die zijn afgedwaalde schaap weer had opgespoord.
In ons leven spelen we allemaal de rol van de vader, van de oudste en van de jongste zoon. Soms de ene, soms de andere, soms van alle drie tegelijk. Maar wat in het evangeliegedeelte de boventoon voert, is niet de droefheid of de teleurstelling maar de vreugde. Die blijdschap echter moet gedeelde blijdschap zijn. Als er nog mensen zijn die zich afzijdig houden, indien de blijdschap niet van allen is, van heel het volk zoals de engelen zongen bij de Geboorte van Jezus (Lucas 2,10), dan is de feeststemming niet compleet, dan zijn er nog altijd personen die op een of andere manier niet kunnen of willen meedoen. Voor ons is het een troost en een reden tot vreugde dat wij zo een vader, zo een moeder, als God hebben. We zijn en blijven zijn kinderen hoever we ook van Hem afdwalen. We zijn nooit weg uit Gods oog, en zijn deur staat altijd voor ons open.
Dr. Alphons Jaakke, pr.