vrijdag 14 juli 2017

Liturgy of the Hours Morning Prayer (Lauds) God, have mercy on me

Psalm 50 (51)
God, have mercy on me
O God, you will not spurn a humbled, contrite heart.
Take pity on me, Lord, in your mercy;
  in your abundance of mercy wipe out my guilt.
Wash me ever more from my guilt
  and cleanse me from my sin.
For I know how guilty I am:
  my sin is always before me.
Against you, you alone have I sinned,
  and I have done evil in your sight.
Know this, so that you may give just sentence
  and an unbiased judgement.
See, I was conceived in guilt,
  in sin my mother conceived me;
but you love truth in the heart,
  and deep within me you have shown me your wisdom.
You will sprinkle me with hyssop, and I will be made clean;
  you will wash me, and I will be whiter than snow.
You will make me hear the sound of joy and gladness;
  the bones you have crushed will rejoice.
Turn your face away from my sins
  and wipe out all my transgressions;
create a pure heart in me, God,
  put a steadfast spirit into me.
Do not send me away from your presence,
  or withdraw your holy spirit from me;
give me again the joy of your salvation,
  and be ready to strengthen me with your spirit.
I will teach the unjust your ways,
  and the impious will return to you.
Free me from the guilt of bloodshed, God, God my saviour,
  and my voice will glory in your justice.
Open my lips, Lord,
  and my mouth will proclaim your praise;
for you do not delight in sacrifices:
  if I offered you a burnt offering, it would not please you.
The true sacrifice is a broken spirit:
  a contrite and humble heart, O God, you will not refuse.
Be pleased, Lord, to look kindly on Zion,
  so that the walls of Jerusalem can be rebuilt,
Then indeed you will accept the proper sacrifices, gifts and burnt offerings;
  then indeed will bullocks be laid upon your altar.
Glory be to the Father and to the Son
  and to the Holy Spirit,
as it was in the beginning,
  is now, and ever shall be,
  world without end.
Amen.
O God, you will not spurn a humbled, contrite heart.

donderdag 13 juli 2017

Aanstaande Odiliazondag H. Odilia - Ziende door het geloof

Gedachtenis van de H. Odilia (van de Elzas - Mont Sainte-Odile)
Ziende door het licht van het geloof

De H. Odilia is een heilige bij wie de Adventssymboliek van licht en duisternis aansluit. Zij werd namelijk blind geboren en bij haar doopsel werd zij op miraculeuze wijze ziende: met het licht van het geloof ontving zij het licht in de ogen en in haar geest.

Odilia werd rond 660 geboren als dochter van hertog Etticho I woonachtig in de Elzas. Volgens de legende was haar vader in het geheel niet blij met zijn dochter. Hij had liever een zoon gehad en bovendien was zij blind. Hij verstootte haar. Haar moeder Bereswind echter vertrouwde haar toe aan een toegewijde dienares, die het kind verzorgde alsof het haar eigen kind was. Bereswind zond haar na een jaar naar het klooster Baume des Dames (Palma) bij Besançon. Hier ontving ze op 12-jarige leeftijd uit handen van bisschop Erhard van Regensburg († ca 700, feest 8 januari) het doopsel. Op miraculeuze wijze kon ze hetzelfde moment weer zien, aldus haar biograaf.

Haar vader zou haar jarenlang dwars blijven zitten. Toen hij stervende was, wilde hij zich echter met zijn vrome dochter verzoenen. Hij schonk haar Hohenburg, waar zij   rond 690 het klooster Hohenburg ('Sainte-Odile') in de Elzas stichtte, en omstreeks 707 ook nog Niedermünster aan de voet van de berg. Het werd juist hier gebouwd om pelgrims de moeizame tocht naar boven te besparen. Zij stelde haar nicht Sint Gundelindis (of Gwendolina) aan als abdis († ca 750, feest 28 maart).

Ca 720 stierf Odilia. Een legende vertelt dat de stervende abdis haar zusters naar de kloosterkerk stuurde voor het Officie. Toen zij terugkwamen, vonden ze haar dood, zonder de laatste sacramenten. De zusters waren daar volkomen van in de war. Door hun gebed werd ze echter weer levend. Verbaasd vroeg Odilia waar zij zich zo druk om maakten. Ze zei dat Sint Lucia bij haar was geweest. Daarna, liet zij een priester komen van wie zij de H. Communie ontving en stierf opnieuw.

Zij werd begraven in Mont Sainte-Odile (dit is de latere benaming voor Hohenburg) en opgevolgd door Sint Eugenia († ca 735, feest 16 september). Door de eeuwen heen is het klooster geplunderd, verwoest en meer dan eens van eigenaar gewisseld. Niettemin rust haar gebeente nog steeds in een stenen sarcofaag in de crypte.

Odilia werd (wordt) aangeroepen bij oog-, oor-, en hoofdkwalen. Paus Pius VII riep haar in 1807 uit tot patrones van de Elzas.

Oud-Duits bedevaartsgebed tot de H. Odilia
Heilige Odilia,
bid voor ons.
Geliefde dochter van de Vader des Lichts,
               bid voor ons.
U hebt geneeskrachtig water uit de rots geslagen,
               smeek voor ons om genezing en dorst naar inzicht en waarheid.
Heilige Odilia,
               geef ons de helderheid van het innerlijke en uiterlijke licht,
U, licht van de liefde Gods,
U, bron van troost,
U, helderheid van de ogen,
U, stralende ster!

Kroniek verering van H. Odilia van Mont Sainte-Odile in Sint-Odiliënberg, Nederland
en in de Orde van het H. Graf

1297 Eerste - tot nu toe bekende - oorkonde met de aanduiding Mons Odiliæ voor de vroegere gangbare plaatsnaam Berg(h), Petrusberg, Sint Pietersberg en tevens voor de nog in de 13e eeuw en later gebruikte naam Odelenberg/Oedelenberg/Udelenberg met hun variaties.
1437, 7 september
In de acte waarin Melchior van Ringelstein, Proost van Denkendorf, de overdracht aan de Heilige Graforde van de berg en de collegiale kerk alhier aanvaardt, is voor het eerst sprake van Mons Sanctae Odiliæ.
15e eeuw, 2e helft
In het Antiphonarium van de hier op de berg wonende Kanunniken van het Heilig Graf staat op folio 286 – tussen het feest van Maria Onbevlekte Ontvangenis (8 december) en dat van de H. Lucia (13 december) – ingevoegd het (feest van) Sancte Odilie Virginis semiduplex.
16e eeuw
In een manuscript van het vrouwenklooster Jeruzalem van de Heilig Graforde te Sint Truiden is op 13 december het feest van Odilia genoteerd. Het handschrift bevat bovendien het levensverhaal van Odilia van de Elzas, dat geregeld in het kapittel werd voorgelezen.
1686
In de berichten over de Kerkwijding in mei 1686, waarbij de relieken van de HH. Wiro, Plechelmus en Otgerus plechtig vanuit Roermond naar Sint Odiliënberg worden teruggebracht en deze drie tevens tot Kerkpatronen worden verheven, wordt gemeld dat het altaar mede aan Odilia wordt gewijd. De bisschop van Roermond, Reginaldus Cools o.p., schenkt de kerk tevens een relikwie van de  H. Odilia, maagd en martelares. (H. Odilia van Keulen) Vanaf dit moment wordt de verering van de beide Odilia’s verstrengeld. Tijdens dit Kerkwijdingsfeest wordt een blind meisje genezen.
1704, 24 mei
Paus Clemens XI verleent aan de bezoekers der kerk van Sint-Odiliënberg voor een periode van zeven jaar een volle aflaat op de feestdag van de H. Odilia of op een andere dag van het jaar.

woensdag 12 juli 2017

Liturgia Horarum H. Gregorius van Nyssa over de zaligsprekingen

Uit een homilie van de heilige Gregorius, bisschop van Nyssa († 394), over de zaligsprekingen

God is als een ontoegankelijke rots.

Als je vanaf een hoge bergtop naar beneden kijkt op een uitgestrekte watervlakte, overkomt je waarschijnlijk hetzelfde als wat mij in mijn geest overkomen is, toen ik, uitgaande van de verheven uitspraak van de Heer - als van de top van een berg - neerkeek op de onverklaarbare diepte van zijn gedachten. Want vaak is er langs de kust een soort halve berg te zien, die aan de zeekant van boven tot onder loodrecht afgesneden is en waarvan aan het boveneind een piek overhelt naar de afgrond. Als je dus vanaf een dergelijke uitkijkpost van grote hoogte neerkijkt op de zee in de diepte, dan duizelt het je waarschijnlijk, net zoals het mij duizelde, toen ik in vervoering raakte door die geweldige uitspraak van de Heer: ‘Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’ (Mt. 5, 8).
God zal zich laten zien aan degenen die hun hart gezuiverd hebben. Maar: ‘Niemand heeft ooit God gezien’ (Joh. 1, 18), zoals de heilige Johannes zegt. En ook Paulus, met zijn verheven gedachten, bevestigt dit met de woorden: ‘Geen mens heeft Hem gezien of is in staat Hem te zien’ (1 Tim. 6, 16). God is die gladde, steile rots die vanuit zichzelf geen enkel steunpunt biedt aan ons denken. Mozes heeft eveneens in zijn onderricht aangetoond dat deze rots zo ontoegankelijk is dat onze geest er nergens op kan komen. Ieder steunpunt wordt immers weggenomen door de uitspraak: ‘Geen mens kan mijn gelaat zien en in leven blijven’ (Ex. 33, 20). Maar toch bestaat het eeuwig leven in het zien van God. De zuilen van ons geloof, Johannes, Paulus en Mozes, verklaren echter dat het onmogelijk is God te zien.
Zie je de duizeling waarmee iemand getrokken wordt naar de diepte van wat hier wordt bekeken? Als God het eeuwig leven is, kan degene die God niet ziet, ook het leven niet zien. Dat men God niet kan zien, verzekeren echter de profeten en apostelen, die door God geïnspireerd worden. Wat blijft er voor de mensen dan nog aan hoop over? Maar de Heer ondersteunt onze hoop, als die wankelt. Zo deed hij ook bij Petrus, toen deze dreigde te zinken: de Heer zette hem weer stevig op het water dat hem kon dragen. Welnu, ook wij staan te wankelen in de diepte van deze beschouwingen;
maar, als het mensgeworden Woord van God ons de helpende hand reikt en ons door een van deze gedachten vaste grond geeft, dan hoeven wij niet meer bang te zijn, want het Woord dat ons leidt, houdt ons stevig met twee handen vast en zegt: ‘Zalig de zuiveren van hart, want zij zullen God zien’ (Mt. 5, 8).

Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen. De Heer is groot en alle lof waardig, zijn grootheid is niet te doorgronden.
De eniggeboren Zoon die in de schoot van de Vader is, Hij heeft Hem doen kennen.

dinsdag 11 juli 2017

Liturgy of the Hours 11 July Saint Benedict, Abbot

From the Rule of Benedict, abbot

Put Christ before everything

Whenever you begin any good work you should first of all make a most pressing appeal to Christ our Lord to bring it to perfection; that he, who has honoured us by counting us among his children, may never be grieved by our evil deeds. For we must always serve him with the good things he has given us in such a way that he may never – as an angry father disinherits his sons or even like a master who inspires fear – grow impatient with our sins and consign us to everlasting punishment, like wicked servants who would not follow him to glory.
  So we should at long last rouse ourselves, prompted by the words of Scripture: Now is the time for us to rise from sleep. Our eyes should be open to the God-given light, and we should listen in wonderment to the message of the divine voice as it daily cries out: Today, if you shall hear his voice, harden not your hearts; and again: If anyone has ears to hear, let him listen to what the Spirit is saying to the churches. And what does the Spirit say? Come my sons, listen to me; I will teach you the fear of the Lord. Hurry, while you have the light of life, so that death’s darkness may not overtake you.
  And the Lord as he seeks the one who will do his work among the throng of people to whom he makes that appeal, says again: Which of you wants to live to the full; who loves long life and the enjoyment of prosperity? And, if when you hear this you say, I do, God says to you: If you desire true and everlasting life, keep your tongue from evil and your lips from deceit; turn away from evil and do good; seek peace and pursue it. And when you have done these things my eyes will be upon you and my ears will be attentive to your prayers; and before you call upon my name I shall say to you: Behold, I am here. What could be more delightful, dearest brothers, than the voice of our Lord’s invitation to us? In his loving kindness he reveals to us the way of life.
  And so, girded with faith and the performance of good works, let us follow in his paths by the guidance of the Gospel; then we shall deserve to see him who has called us into his kingdom. If we wish to attain a dwelling-place in his kingdom we shall not reach it unless we hasten there by our good deeds.
  Just as there exists an evil fervour, a bitter spirit, which divides us from God and leads us to hell, so there is a good fervour which sets us apart from evil inclinations and leads us toward God and eternal life. Monks should put this fervour into practice with an overflowing love: that is, they should surpass each other in mutual esteem, accept their weaknesses, either of body or of behaviour, with the utmost patience; and vie with each other in acceding to requests. No one should follow what he considers to be good for himself, but rather what seems good for another. They should display brotherly love in a chaste manner; fear God in a spirit of love; revere their abbot with a genuine and submissive affection. Let them put Christ before all else; and may he lead us all to everlasting life.

zaterdag 8 juli 2017

Lezingen H. Mis 14e zondag door het jaar A

Eerste lezing (Zach. 9,9-10)
Uit de Profeet Zacharia.
Zo spreekt de Heer:
“Jubel luid, gij dochter Sion,
juich, gij dochter, Jeruzalem!
Zie uw koning komt tot u,
rechtvaardig en zegevierend;
hij is deemoedig, hij rijdt op een ezel,
op een veulen, het jong van een ezelin.
Ik vaag de strijdwagens weg uit Efraïm,
de paarden uit Jeruzalem;
de strijdboog wordt gebroken.
Dan kondigt hij de vrede af onder de volken,
dan gaat zijn heerschappij van zee tot zee,
aan de Rivier tot de grenzen der aarde.”

Tweede lezing (Rom. 8,9.11-13)
Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Rome.
Broeders en zusters,
Uw bestaan wordt niet beheerst door de zelfgenoegzaamheid,
maar door de Geest,
omdat de Geest van God in u woont.
Zou iemand de Geest van Christus niet hebben,
dan behoort hij Hem niet toe.
Als de Geest van God, die Jezus van de doden heeft opgewekt,
in u woont, zal Hij die Christus Jezus van de doden heeft doen opstaan,
ook uw sterfelijk lichaam eenmaal levend maken door de kracht van zijn Geest,
die in u verblijft.
Broeders en zusters, wij hebben dus verplichtingen,
maar niet aan onszelf, om zelfgenoegzaam te leven.
Als gij zelfzuchtig leeft,zult gij zeker sterven.
Maar als gij door de Geest de praktijken van de zelfzucht versterft,
zult gij leven.

Evangelie (Mt. 11,25-30)
In die tijd sprak Jezus:
“Ik prijs U, Vader, Heer van hemel en aarde,
omdat Gij deze dingen verborgen gehouden hebt voor wijzen en verstandigen,
maar ze hebt geopenbaard aan kinderen.
Ja, Vader, zo heeft het U behaagd.
Alles is Mij door mijn Vader in handen gegeven. Niemand kent de Zoon, tenzij de Vader,
en niemand kent de Vader, tenzij de Zoon
en hij aan wie de Zoon Hem wil openbaren.
Komt allen tot Mij,
die uitgeput zijt en onder lasten gebukt,
en Ik zal u rust en verlichting schenken.
Neemt mijn juk op uw schouders en leert van Mij:
Ik ben zachtmoedig en nederig van hart;
en gij zult rust vinden voor uw zielen,
want mijn juk is zacht en mijn last is licht.”

Lezingenofficie 14e zondag door het jaar

14e zondag door het jaar  Liturgia Horarum
Lezingen van het lezingenofficie


Augustinus leest Paulus, fresco van Benozzo Gozzoli (1420-1497)

Eerste lezing  2 Sam 12, 1-25
Het berouw van David

In die dagen zond de Heer de profeet Natan naar David toe om hem het volgende te vertellen: ‘Er woonden eens twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een arme. De rijke man had heel veel geiten, schapen en runderen, de arme man had niet meer dan één lammetje kunnen kopen. Hij koesterde het en het groeide bij hem op, samen met zijn kinderen. Het at van zijn brood en dronk uit zijn beker en sliep in zijn schoot; hij had het lief als een dochter. Op zekere dag kreeg de rijke man een gast op bezoek. Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen om de reiziger een van zijn eigen geiten, schapen of runderen voor te zetten. Daarom nam hij het lammetje van de arme man en zette dat zijn gast voor.’ David ontstak in woede over de rijke man en zei tegen Natan: ‘Zo waar de Heer leeft, de man die zoiets doet verdient de dood. Viervoudig moet hij het lam vergoeden, omdat hij zich zo harteloos heeft gedragen.’
Toen zei Natan: ‘Die man, dat bent u! Dit zegt de Heer, de God van Israël: Ik was het die je zalfde tot koning van Israël, ik was het die je redde uit de greep van Saul. Have en goed van je heer, en de vrouwen van je heer erbij, heb ik jou in de schoot geworpen; de heerschappij over Israël en Juda heb ik aan jou overgedragen. Als dat je te weinig is, zal ik er nog het een en ander aan toevoegen. Waarom heb je dan mijn geboden met voeten getreden door iets te doen dat slecht is in mijn ogen? De Hethiet Uria is door jouw toedoen gedood. Je hebt hem zijn vrouw afgenomen en hem in de strijd tegen de Ammonieten laten vermoorden. Welnu, voortaan zullen moord en doodslag in je koningshuis om zich heen grijpen, omdat je Mij hebt getrotseerd en de vrouw van Uria tot vrouw hebt genomen. Dit zegt de Heer: Je eigen familie zal een bron van ellende voor je worden. Je zult moeten aanzien dat ik je vrouwen aan een ander geef, aan iemand van je eigen familie. Die zal met je vrouwen slapen op klaarlichte dag. Jij hebt in het diepste geheim gehandeld, maar ik zal dit laten gebeuren ten overstaan van heel Israël en in het volle daglicht.’
David antwoordde Natan: ‘Ik heb gezondigd tegen de Heer.’ Toen zei Natan: ‘De Heer vergeeft u die zonde, u zult niet sterven. Maar omdat u de vijanden van de Heer aanleiding hebt gegeven tot laster, moet wel uw pasgeboren zoon sterven.’ Daarop ging Natan naar huis. De Heer trof het kind dat de vrouw van Uria David gebaard had, met een dodelijke ziekte.
David bad tot God voor de jongen. Hij vastte streng en legde zich ’s nachts op de grond te slapen. De hovelingen probeerden hem ertoe te bewegen van de grond op te staan, maar hij weigerde, en hij wilde ook geen eten aannemen. Na zeven dagen stierf het kind. Davids dienaren durfden hem niet te zeggen dat het kind was gestorven. Ze zeiden tegen elkaar: ‘Toen het kind nog leefde wilde hij al niet naar ons luisteren. Hoe kunnen we hem dan zeggen dat het gestorven is? Hij zal een ongeluk begaan.’ David zag zijn dienaren met elkaar fluisteren. Hij begreep dat het kind gestorven was en vroeg hun: ‘Is mijn kind dood?’ ‘Ja, het is gestorven,’ antwoordden ze.
David stond van de grond op, nam een bad, wreef zich in met olie en trok andere kleren aan. Hij ging het huis van de Heer binnen en knielde. Daarna ging hij naar huis en liet zich iets te eten brengen. Zijn dienaren vroegen hem: ‘Hoe kunt u dat nu doen? Toen het kind nog leefde, vastte u en stortte u tranen, maar nu het gestorven is, staat u op en gaat u eten.’ Hij antwoordde: ‘Toen het kind nog leefde, vastte ik en stortte ik tranen. Ik dacht: Wie weet is de Heer me genadig en blijft het kind in leven. Maar nu het dood is, wat zou ik nu nog vasten? Daarmee kan ik het toch niet terughalen. Ik ga naar hem toe; hij komt niet terug bij mij.’
David troostte zijn vrouw Batseba. Hij sliep met haar en ze kreeg een zoon, die hij Salomo noemde. De Heer had het kind lief en gaf het bij monde van de profeet Natan de naam Jedidja, ‘Lieveling van de Heer’.

Tweede lezing

Uit de preken van de H. Augustinus

Een offer voor God is een vermorzelde geest

Ik erken, zegt David, mijn misdaad. Maar als ik deze erken, vergeeft Gij ze mij dan. Laten wij aannemen dat wij geenszins zonder zonde zijn, ook al leven wij goed. Laat het leven dan zo geprezen worden, dat er vergeving wordt gevraagd. Maar wanhopigen zijn, naarmate zij minder op hun eigen zonden bedacht zijn, des te nieuwsgieriger omtrent de zonden van anderen. Want ze zoeken daar niet iets om te verbeteren, maar om te hekelen. En terwijl zij zichzelf niet kunnen verontschuldigen, staan ze klaar om anderen te beschuldigen. Niet op die manier gaf David ons een voorbeeld van gebed en voldoening geven aan God, als hij zegt: Omdat ik mijn misdaad erken en mijn zonde altijd voor ogen heb. Hij had geen belangstelling voor de zonden van anderen. Hij riep zichzelf ter verantwoording; hij vleide zichzelf niet, maar drong steeds dieper in zichzelf door. Hij spaarde zichzelf niet, en daarom was het niet onbeschaamd te vragen dat hij gespaard zou worden.
Wilt Gij God behagen? Dat moet ge leren inzien, wat ge bij u zelf moet doen om God met u te verzoenen. Let goed op dezelfde psalm [50 (50)], want daar leest men: Want hadt Gij een offergave gewild, dan had ik U ze zeker gebracht; in brandoffers hebt Gij geen behagen. Dus zult ge maar zonder offer zijn? Dus niets offeren? Met geen offergave God willen verzoenen? Wat hebt ge daar gezegd? Had Gij een offergave gewild, dan had ik ze U zeker gegeven; in brandoffers hebt Gij geen welbehagen. Lees verder, luister en zeg: Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Door weg te werpen, wat ge wilde brengen, hebt ge het juiste gevonden om te offeren. Immers, bij uw vaderen offerde men offers van vee, en dat werden offergaven genoemd. Als Gij een offergave had gewild, dan had ik ze U zeker gebracht. Dat soort offers vraagt Gij dus niet, en toch vraagt Gij een offer.
In brandoffers hebt Gij geen behagen, zegt de Schrift. Maar als Gij U dan niet verheugt over brandoffers, zult Gij dan zonder offers blijven? Dat zeker niet. Een offer voor God is een vermorzelde geest; een vermorzeld en vernederd hart wordt door God niet versmaad. Hier hebt ge, wat ge kunt offeren. Ge behoeft uw kudde niet nauwkeurig te monsteren, geen schapen klaar te maken en door te dringen tot de uiterste landstreken om er reukwerken weg te halen. Zoek in uw eigen hart wat God aangenaam is. Dat hart moet zich vermorzelen. Wat vreest ge, dat zo’n vermorzeld hart zal omkomen? Hier hebt ge het: God, schep in mij een zuiver hart. Maar om te bewerken, dat uw hart tot een zuiver hart wordt herschapen, moet het onreine erin vermorzeld worden. Laten wij aan onszelf mishagen, wanneer wij zondigen, omdat de zonden aan God mishagen. Maar omdat wij niet zonder zonde zijn, laten wij dan hierin minstens op God gelijken, dat hetgeen Hem mishaagt, ook ons mishaagt. Dan zijt gij tenminste in één opzicht met Gods Wil verenigd, omdat datgene, wat u in u zelf mishaagt, ook Hém mishaagt, die u gemaakt heeft.

S. Augustini Sermo 19, 2-3; CCL 41,252-254

vrijdag 7 juli 2017

Liturgia Horarum H. Proclus Hij die de mensen liefheeft, is mens geworden, geboren uit de Maagd.

Maria op zaterdag

Uit een preek van de heilige Proclus, bisschop van Constantinopel († 446)

Hij die de mensen liefheeft, is mens geworden, geboren uit de Maagd.

‘Hemelen, verheugt u; wolken, laat stromen de gerechtigheid, want de Heer heeft zich over zijn volk ontfermd’ (vgl. Jes. 45, 8). ‘Hemelen, verheugt u’, want toen in het begin de hemelen werden gemaakt, heeft de Schepper ook Adam uit de maagdelijke aarde gevormd als zijn vriend en vertrouweling. ‘Hemelen, verheugt u’, want nu is de aarde geheiligd, door de komst van onze Heer in het vlees en is de mensheid bevrijd van de offers aan de afgoden. ‘Wolken. laat dan stromen de gerechtigheid’, want heden werd  de zonde van Eva weggenomen en vergeven, dank zij de reinheid van de maagd Maria en door toedoen van de Godmens die uit haar werd geboren. Heden werd Adam - na de veroordeling in het verre verleden - bevrijd van dat afschuwelijke doodvonnis.

Christus is dus geboren uit de Maagd; uit haar heeft Hij volgens het heilsplan het vlees aangenomen, zoals Hijzelf heeft gewild: ‘Het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond’ (Joh. 1, 14). Daardoor is de Maagd moeder van God geworden.

Zeker, de Maagd is moeder, omdat zij zonder tussenkomst van een man het mensgeworden Woord ter wereld heeft gebracht. Dit geschiedde echter op zodanige wijze, dat zij maagd bleef vanwege de wonderbare geboorte van Hem die dit zo gewild heeft. Naar de menselijke natuur van Gods woord is zij zijn moeder, want in haar is Hij vlees geworden, is Hij verschenen en heeft Hij zich verenigd, volgens de wijsheid en de wil van Hem die wonderbare daden tot stand brengt. ‘Uit ons geslacht komt de Christus voort naar het vlees’, zoals de heilige Paulus zegt (Rom. 9, 5).

Zelf was Hij immers zoals Hij nu is en zoals Hij zal zijn en zal blijven. Mens is Hij echter geworden omwille van ons. Hij die de mensen liefheeft, is mens geworden, wat Hij tevoren niet was. Mens is Hij geworden en toch God gebleven zonder enige verandering. Hij is aan mij gelijk geworden omwille van mij. Wat Hij niet was, is Hij geworden, en toch is Hij gebleven wat Hij was. Hij is tenslotte mens geworden om onze zwakheden op zich te nemen, ons te maken tot kinderen van God en ons zijn rijk te schenken. Moge de genade en de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus ons dit rijk waardig maken. Hem zij met de Vader en de heilige Geest eer,heerlijkheid en macht, nu en altijd, en tot in eeuwigheid. Amen.