vrijdag 11 september 2015

Liturgia Horarum - Preek over ‘De Herders’, van de H. Augustinus 2

Liturgia Horarum – Getijdengebed

Uit de Preek over ‘De Herders’, van de H. Augustinus, bisschop 2
(Ezechiël 34)

Herders, die zichzelf weiden

Laten wij nu eens zien, wat het goddelijk spreken, dat niemand vleit, tot de herders zegt, die zichzelf weiden en niet de schapen.
De melk drinkt gij wel op, van de wol maakt gij uw kleding, het gemeste dier slacht gij af, maar weiden doet gij mijn schapen niet! Het verzwakte dier hebt gij niet gesterkt, het zieke niet genezen, het gewonde niet verbonden, het verdwaalde niet teruggebracht, het vermiste niet opgezocht, maar het gezonde dier hebt gij afgebeuld, en verstrooid zijn mijn schapen omdat er geen herder is.

Tegen de herders, die zichzelf weiden, maar niet de schapen, wordt gezegd, waar zij van houden en wat zij verwaarlozen. Waar houden zij dan van? De melk drinkt gij op en van de wol maakt gij uw kleding. Daarom zegt de Apostel: Wie plant een wijngaard en eet niet van zijn vruchten? Of wie weidt een kudde zonder zich met de melk van de kudde te voeden? Wij zien hier dus, dat de melk van de kudde al datgene was, dat door het volk Gods aan de leiders werd toegewezen om in hun stoffelijk voedsel te voorzien. Vanuit dit standpunt sprak de Apostel, toen hij dat zei, wat ik aangehaald heb.

Welnu, hoewel de Apostel voor zichzelf gekozen had om van de arbeid van zijn handen te leven en zelfs niet om de melk van zijn schapen vroeg, zei hij toch het recht te hebben op die melk en dat Christus het zo verordend had, dat zij, die het Evangelie verkondigen, ook van het Evangelie konden leven. Hij zegt ook, dat zijn mede-apostelen gebruik hebben gemaakt van dit voorrecht, dat zij zich niets aangematigd hadden maar dat hun geschonken was. Paulus zelf deed meer, zodat hij zelfs niet aannam, wat hem toekwam. Hij deed dus afstand van het hem verschuldigde, en van de andere kant eiste hij niet het niet-verschuldigde; hij deed meer. Hij beeldde misschien die mens uit, die, toen deze een gewonde naar de herberg gebracht had, tot de herbergier zei: Wat gij méér mocht besteden, zal ik u bij mijn terugkomst vergoeden.

Wat moeten wij nog meer zeggen over hen, die de melk van de kudde niet nodig hebben? Zij zijn zeer barmhartig of liever zij geven zichzelf in hoge mate aan de dienst van de barmhartigheid. Zij kunnen het, en omdat zij het kunnen, doen zij het ook. Laten wij dezen prijzen, maar die anderen niet veroordelen. Want ook de Apostel was niet uit op geven. Hij wilde immers, dat zijn schapen vruchtbaar zouden zijn en niet onvruchtbaar zonder overvloed van melk.


donderdag 10 september 2015

Liturgia Horarum - Preek over ‘De herders’ van de H. Augustinus

Liturgia Horarum – Getijdengebed

Begin van de Preek over ‘De herders’ van de H. Augustinus, bisschop 1
(ontleend aan Ezechiël 34)

Wij zijn christenen en leiders

Dat heel onze hoop in Christus is gelegen en dat Hij zelf onze ware en heilzame glorie is, heeft uw liefde niet nu pas voor het eerst geleerd. Want gij zijt in zijn kudde degene, die waakt en Israël weidt. Maar omdat er herders zijn, die wel de naam van herders willen hebben, maar niet de taak van de herders willen vervullen, laten wij daarom eens nagaan, wat tot dezen door de Profeet [Ezechiël] wordt gezegd. Luistert gij dan aandachtig en laten wij met siddering luisteren.

En het woord des Heren werd tot mij gericht: Mensenkind, gij moet profeteren tegen de herders van Israël, en zeg tot de herders van Israël. We hebben zojuist geluisterd naar deze tekst, toen ze werd voorgelezen. Wij wilden er hier iets over zeggen tot uw heiliging. De Heer zelf zal ons helpen de waarheid te zeggen, als wij niet ons eigen woord spreken. Want als wij ons eigen woord zouden spreken, zullen wij zijn als herders, die zichzelf weiden, niet de schapen; maar als wij spreken, wat van Hem is, zal Hij u door wie ook weiden. Zo spreekt God de Heer: Wee de herders van Israël, die alleen zichzelf weiden! Of moeten de herders hun schapen niet weiden? dat is: de herders moeten niet zichzelf weiden, maar hun schapen. Dat is de voornaamste reden, waarom de herders worden beschuldigd, namelijk omdat zij zichzelf weiden, niet hun schapen. Wie zijn het dan, die zichzelf weiden? Dat zijn zij over wie de Apostel zegt: Allen zoeken hun eigen belang en niet dat van Jezus Christus.

De Heer heeft zich niet naar onze verdienste maar overeenkomstig zijn eigen beoordeling verwaardigd ons in deze bediening te plaatsen, waarover wij strenge rekenschap moeten afleggen. Wij hebben hier een tweevoudige taak: één als christen en een andere als aangesteld leider. Dat wij christen zijn geldt onszelf; dat wij leider zijn, heeft betrekking op u. In zover wij christen zijn moeten we letten op ons eigen belang, maar in zover wij leider zijn alleen op het uwe.


Velen die christenen zijn, maar geen leiders, komen tot God langs een misschien gemakkelijker weg, en zij wandelen wellicht des te gemakkelijker naarmate zij minder bagage mee te dragen hebben. Maar wij, afgezien van het feit, dat wij christenen zijn, waardoor wij aan God rekenschap moeten afleggen over ons leven, zijn wij ook nog leiders, waardoor wij rekenschap verschuldigd zijn over ons ambt.

woensdag 9 september 2015

H. Bruno "Jeruzalem, als ik u zou vergeten"


Uit de commentaren op de psalmen, van de H. Bruno, priester

Jeruzalem, als ik u zou vergeten

Hoe lieflijk is uw woning! Mijn ziel smacht van verlangen naar de voorhoven des Heren, dit is naar de wijdte van het hemels Jeruzalem, de Stad van de Heer.
De psalmist toont ook aan, waarom hij verlangt naar de voorhoven des Heren: en dat hierom, o Heer, die bestaat boven de hemelse krachten, mijn Koning en mijn God, omdat zij zalig zijn, die wonen in uw huis, het hemels Jeruzalem. Alsof men zeggen wilde: Wie zou niet naar uw voorhoven verlangen, daar Gij God zijt, dit is Schepper en Heer der hemelse machten en Koning en omdat allen zalig zijn die in uw huis wonen? Hier betekent voorhoven en huis hetzelfde. Als hij zegt zalig zij bedoelt hij, dat zij zo’n zaligheid bezitten, als kan worden begrepen. Vandaar dat het ook vast staat, dat zij zalig zijn, omdat zij U loven met godsvruchtige liefde in de eeuwen der eeuwen, dit is tot in eeuwigheid. Want zij zouden niet in eeuwigheid loven, als ze niet voor eeuwig gelukzalig waren.

Tot die zaligheid kan echter niemand uit zichzelf komen, ook al bezit hij geloof, hoop en liefde; maar zalig de man, dit is die man alleen komt tot deze zaligheid wiens hulp van U komt bij het opstijgen, dat hij in zijn hart heeft voorbereid om tot die zaligheid te komen. Dit wil zeggen: Van hem alleen kan men zeggen, dat hij tot de gelukzaligheid zal komen, die, wanneer hij in zijn hart langs vele trappen van deugden en goede werken wil opstijgen tot deze gelukzaligheid, de hulp ontvangt van uw genade. want uit eigen kracht kan niemand daartoe opstijgen, getuige het woord van de Heer: Niemand stijgt op ten hemel d.w.z. uit eigen kracht, dan alleen de Zoon des mensen, die in de hemel is.

Ik zeg: Hij heeft het opstijgen voorbereid, omdat hij nog leeft in het tranendal, dit is in dit leven dan nietig is en vol tranen door de beproevingen, in vergelijking met dat andere leven, dat vergeleken met dit leven (groot als) een berg en vol vreugde te noemen is.

Maar omdat gezegd werd: Zalig de man, wiens hulp van U komt, zou iemand kunnen vragen: Zou God daartoe helpen? Daarom wordt aldus geantwoord: Er komt werkelijk hulp van God voor de zaligen. Want de wetgever, Christus namelijk, die ons zijn wet heeft gegeven, schenkt zijn zegen en zal die steeds blijven schenken, namelijk zijn verscheidene genadegaven, waarmee Hij de zijnen zal zegenen, dit is zal verheffen tot de gelukzaligheid en door die zegeningen zullen zij opstijgen van deugd naar deugd.
In het toekomstige hemelse Sion zullen zij Christus, de God der goden, zien. Want omdat Christus God is, zal Hij ook de zijnen vergoddelijken. Met andere woorden: onder degenen, die in het hemels Sion zullen wonen, zal Hij op geestelijke wijze als de God van de goden, namelijk de Drieënige God, verschijnen. Dat betekent: met het verstand zullen zij God in Zichzelf zien, die zij hier niet kunnen zien, want God zal daar alles in allen zijn.

(Ps 83: edit. Cartusiæ de Pratis, 1891, 376-377) 

zaterdag 5 september 2015

Overweging 23ste zondag "een privézaak tussen Jezus als Heiland en Geneesheer en de doofstomme"

Overweging 23ste zondag door het jaar - B

Jesaja 35, 4-7
Jakobus 2, 1-5
Marcus 7, 31-35

Vorige week hebben we gehoord hoe er gedacht werd over rein en onrein. Het wassen van je handen, het reinigen van potten en pannen, dat zijn zaken die belangrijk zijn en beslist moeten gebeuren, ook om rituele redenen. Maar belangrijkere zaken kunnen onder rituelen en religieuze regels ondersneeuwen, en dus wijst Jezus op iets van groter gewicht: het schoonmaken van je geweten, het reinigen van je ziel, het zuiver houden van je hart. Het zwaartepunt van menselijke oprechtheid en eerlijkheid wordt door Jezus dus van buiten naar binnen verschoven.
En dan begint hij een reis over de grenzen van het heilige Land heen. Als gelovige Jood gaat hij naar een gebied waar de mensen afgoden aanhangen en naar joodse opvattingen heidenen zijn. Als gelovige in de ene en ware God van Israël is Jezus niet bang om zich onder aanhangers van het veelgodendom te begeven, als de reine onder de onreinen. Hij schuwt de omgang met andersdenkenden niet, en aldus geeft hij zijn leerlingen die met hem op deze buitenlandse reis meetrekken, een voorproefje van wat zij later zelfstandig moeten doen wanneer hij hun na de opstanding de opdracht geeft: Ga heen en onderwijs alle volken. Hij gaat naar Tyrus en Sidon, die Syro-Fenicische steden, in het Oude Testament vooral bekend om koningin Izebel, de vrouw van koning Achab. Wie denkt hier niet aan de profeet Elia die in opdracht van God naar de weduwe in Sarefat moest gaan, tussen Tyrus en Sidon gelegen (1 Koningen 17,7-9). Vandaar buigt Jezus weer af naar het zuiden, naar de noord-oostkant van het Meer van Galilea, het zogenoemde Tienstedengebied (de Dekapolis), door de Romeinse bezetters bewust opgezet als een nieuwe landinrichting in hun strijd tegen het Joodse geloof en de Joodse cultuur.
Nog voor hij met de hele ploeg weer in Galilea aankomt, brengen ze hem een man die door zijn handicap niets kan horen van Gods boodschap noch zijn tong kan gebruiken om tot God woorden van lof en dank te spreken. We hebben allemaal vijf zintuigen: ogen om te zien, oren om te horen, de neus om te ruiken, de smaak om te proeven, en onze tastzin, vooral onze vingertoppen, om te voelen. En bezitten we nog ons spraakvermogen om ons te kunnen uiten: praten, spreken, bidden, zingen, lachen en huilen. Hoe gelukkig zijn wij als die zintuigen allemaal hun werk doen! We staan er meestal niet bij stil. Maar hoe gebrekkig voelen we ons niet wanneer er iets mis met ze gaat. De ogen kunnen verzwakken zodat je minder duidelijk gaat zien en zelfs blind raakt. Je gehoororgaan kan zodanig achteruit gaan dat je geen geluid meer opvangt en je doof raakt. Je kunt je spraakvermogen verliezen zodat je geen woord meer kunt uitbrengen en stom genoemd wordt; stom in de betekenis van niet kunnen spreken, en niet in de zin van dom of achterlijk. Heel erg is het dat je blind bent en al tastend door het leven moet gaan, maar even erg of wellicht nog erger is het als je stokdoof wordt. Want meer dan bij blindheid mis je de onderlinge communicatie. Je hoort niet meer waar de gesprekken over gaan, wat er gezegd of gespeeld wordt. En zo raakt een dove vaak geïsoleerder dan een blinde, en gaat hij ook wantrouwend en ontevreden door het leven. De formulering van Marcus is opvallend. Allereerst het onbenoemde persoonlijke voornaamwoord ze. Wie zijn dat, die ze?  Leerlingen van Jezus die met hem meegereisd zijn? Nee, dan had Marcus dat wel gezegd. Zo maar willekeurige mensen? Ook dat niet! Uit andere teksten blijkt dat het steeds gaat om mensen uit de directe omgeving van de patiënt: familieleden, vrienden of kennissen, kortom mensen die met een zieke begaan zijn, en dat niet alleen, maar die ook vertrouwen hebben in Jezus als Heiland en Heelmeester, die hopen dat Hij iets kan uitrichten. Zie Marcus 1, 32; 2, 3 en 4; hier; 8, 22; 9,17-20; 10,13. Mooi om te lezen dat medemensen dus zijn ingeschakeld om anderen tot Jezus te brengen. En dan hun verzoek! Niet: wil hem genezen, maak van hem weer een gezond mens. Maar: wil de hand opleggen. Dat wil zeggen: neem hem onder uw hoede, spreid over hem uw vleugels uit. Even opmerkelijk als wat Marcus zei over de aanbrengers en hun verzoek, is nu wat hij zegt over Jezus’ manier van doen. Jezus reageert niet als een kwakzalver op de markt. Hij maakt er geen show van door de man in het openbaar met magische formules te bestoken. Hij zet de doofstomme niet in voor een publiciteitsstunt, hij misbruikt de man niet voor een demonstratie van zijn eigen kunnen. Hoe kies en ontroerend is het dat Jezus hem weghaalt uit de opdringerige mensenmassa en hem afzonderlijk neemt! Het is nu een privézaak tussen Jezus als Heiland en Geneesheer, en de man als patiënt, als iemand die persoonlijke aandacht en verzorging behoeft. De genezing speelt zich af in de intimiteit tussen Jezus als Mensenzoon en de van gehoor en spraak verstoken man. Hier moeten de nieuwsgierige ogen van brutale toeschouwers wijken. Het is een intimiteit die gaat via de handen van Jezus, handen die bevrijdend werken, via speeksel dat reinigt en geneest als balsem op de wonden. In onze taal zijn er allerlei uitdrukkingen waarin handen een negatieve rol spelen. Handtastelijk zijn, iemand onder handen nemen, in iemands handen vallen, met lege handen wegsturen en nog andere. Maar bij Jezus is de man in veilige handen. Zevenmaal in zijn evangelie vermeldt Marcus hoe helend de handen van Jezus werken. Bij de schoonmoeder van Petrus (1,31); bij de man met een huidziekte (1,41); bij het dochtertje van Jaïrus (5,23 en 41); bij de blinde in Betsaïda (8, 22-25); bij de bezeten jongen (9,27); bij de kinderen (10,16)  en hier natuurlijk. Daarbij slaakt Jezus een diepe zucht; een zucht uit ontsteltenis over het leed dat mensen treft, een zucht ook uit innig medelijden met hun onvermogen om zich daaruit te bevrijden; een zucht als een ademtocht die Gods levensgeest weer vaardig maakt over de adama, de vergankelijke materie waarvan Paulus zegt dat ze steunt en kreunt in barensnood (Romeinen 8,22). Dan spreekt Jezus het korte maar krachtige machtswoord: Effata, dat is: ga open of word geopend. Misschien mag je het wel weergeven met: bloei weer open! De man die zo opgesloten zat in zichzelf, als in een brandkast waarvan de sleutel was zoek geraakt, wordt bevrijd uit de banden die hem omknelden. Zijn gehoorgangen gaan open om de boodschap van het evangelie te verstaan, zijn tong komt weer los om God te loven en te danken. Hij is als een gesloten bloemknop die ontluikt bij de warme stralen van de Zon die hem beschijnt, van Jezus Messias.
Het gaat natuurlijk niet alleen over die doofstomme van 2000 jaar geleden, het gaat hier en nu over ieder van ons. Soms zijn ook wij verdoofd door de geestelijke kou die ons treft, met stomheid geslagen door de tegenslagen die we moeten verduren. Hoe gaaf is het dan wanneer anderen ons naar Jezus brengen met het verzoek: “Heer, leg hem, leg haar de hand op”. Naar aanleiding van de doofstomme man moet ik denken aan twee mooie uitspraken uit de H. Schrift. In de eerste plaats aan Psalm 38: “Ik ben als een dove, ik hoor niet; als een stomme die zijn mond niet opendoet. Ja, ik ben als een man die niet hoort en in wiens mond geen verweer is,” Psalm 38, 14-15. En aan het boek Exodus waarin Mozes tegen God zegt: “Ik ben geen man van het woord; ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.” Waarop de HEER hem antwoordt: “Wie heeft de mens een mond gegeven, wie maakt hem stom of doof, ziende of blind? Ben ik het niet, de HEER? Nu ga heen, ik zal met uw mond zijn en u leren wat u spreken moet,” Exodus 4,10-12. Door Jezus ontsloten, kunnen we de man nazeggen: Alles heeft Hij wel gedaan. Amen.

Alfons Jaakke, pr.

Liturgia horarum: "Wij zijn erfgenamen van God mede-erfgenamen van Christus"

Lezing bij het collectegebed van de 23e zondag door het jaar

Uit de Brieven van de H. Ambrosius bisschop

Wij zijn erfgenamen van God mede-erfgenamen van Christus

Wie de werken van het vlees doodt door de geest, zegt de Apostel, zal leven. En het is niet verwonderlijk, dat hij leeft, omdat, wie de Geest Gods bezit, kind van God wordt. En zo is hij kind van God, dat hij niet de geest van slavernij ontvangt, maar die van aanneming tot kinderen. Dit heeft tot gevolg, dat de Heilige Geest aan onze geest getuigt, dat wij kinderen zijn van God. Dat getuigenis komt van de Heilige Geest, omdat Hij het is die in onze harten roept: Abba Vader, zoals aan de Galaten is geschreven. Maar ook dat is een groots getuigenis voor het feit dat wij kinderen zijn van God, namelijk dat wij erfgenamen zijn van God, mede-erfgenamen van Christus. Zijn mede-erfgenaam is hij, die met Hem verheerlijkt wordt, maar híj wordt met de Heer mede-verheerlijkt, die door voor Hem te lijden met Hem medelijdt.

En om ons te manen tot lijden, voegt de Apostel eraan toe, dat al wat wij lijden veel minder is dan en niet te vergelijken met dat overgrote loon van het toekomstige goed voor onze werken, dat in ons geopenbaard zal worden. Want als wij daar hervormd zullen worden naar het beeld van God, zullen wij verdienen zijn glorie te aanschouwen van aangezicht tot aangezicht.

En om de grootheid van de toekomstige openbaring nog beter te doen uitkomen, voegt hij eraan toe, dat ook de schepping in afwachting leeft van die openbaring van de kinderen Gods, welke schepping nu nog onderworpen is aan een zinloos bestaan, niet uit eigen beweging, maar in hoop, omdat zij van Christus de genade verhoopt voor haar dienstwerk, of wel omdat ook zij zelf ongetwijfeld verlost zal worden van de slavernij van het bederf, om opgenomen te worden in de vrijheid van de glorie der kinderen Gods, zodat er ook vrijheid zal zijn voor de schepping, tegelijk met die van de kinderen Gods, wanneer de glorie voor deze laatsten wordt geopenbaard. Maar nu, zolang die openbaar-wording nog wordt uitgesteld, zucht heel de schepping met ons mee in afwachting van de glorie van onze aanneming en verlossing, in barensweeën voor die geest van heil en in verlangen om bevrijd te worden van de slavernij van de ijdelheid.

De zin hiervan is duidelijk, doordat zij, die de eerstelingen van de Geest hebben ontvangen, zuchtend de aanneming tot kinderen verwachten. En die aanneming tot kinderen betekent de verlossing van geheel het lichaam, wanneer hij als kind van God door de aanneming van aangezicht tot aangezicht dat goddelijke en eeuwige Goed zal aanschouwen. Het is immers een aanneming tot kinderen in de Kerk van de Heer, wanneer de Geest roept: Abba, Vader; zoals de Galaten is gezegd. Maar die aanneming zal volmaakt zijn wanneer allen, die verdienen Gods aanschijn te aanschouwen, verrijzen in onbederfelijkheid, in eer en glorie. Want dan pas zal het menselijk geslacht inzien, waarlijk verlost te zijn. Vandaar dat de Apostel juichend zegt: In deze hoop zijn wij gered. Want de hoop maakt zalig, zoals ook het geloof, waarvan gezegd wordt: Uw geloof heeft u gered.


(Ep. 35, 4-6. 13: PL 16 [ed. 1845], 1078-1079. 1081)

woensdag 2 september 2015

Salve Regina - Gregoriaans - Chant




Salve, Regina, mater misericordiae:
Vita, dulcedo, et spes nostra, salve.
Ad te clamamus, exsules, filii Hevae.
Ad te suspiramus, gementes et flentes
in hac lacrimarum valle.

Eia ergo, Advocata nostra,
illos tuos misericordes oculos
ad nos converte.
Et Iesum, benedictum fructum ventris tui,
nobis, post hoc exsilium ostende.
O clemens: O pia: O dulcis
Virgo Maria.

Wees gegroet, koningin, moeder van barmhartigheid;
ons leven, onze vreugde en onze hoop, wees gegroet.
Tot u roepen wij, ballingen, kinderen van Eva;
tot u smeken wij, zuchtend en wenend
in dit dal van tranen.

Daarom dan, onze voorspreekster,
sla op ons uw barmhartige ogen;
en toon ons, na deze ballingschap,
Jezus de gezegende vrucht van uw schoot.
O goedertieren, o liefdevolle, o zoete maagd Maria.