"De gave van de vrijheid moet gebruikt worden om het goede te zoeken en te kiezen, d.w.z. de voorkeur te geven aan onze plicht, jazelfs aan de liefde tot God, die de hoogste en de samenvattende wet van het Evangelie is. De vrijheid moet in evenwicht worden gehouden door de zedelijke verplichting, spontaan doch edelmoedig en totaal. Anders wordt zij een louter recht, alleen maar een egoïstisch en eenzijdig recht, met alle antisociale consequenties, die deze exclusiviteit meebrengt; ofwel zij ontaardt in een blinde losbandigheid, die slaaf is van het instinct, maar zeker niet van een instinct dat evenwichtig is en zich richt op de ware geestelijke gestalte van de mens".
Toespraak Algemene Audiëntie Paus Paulus VI op 29 oktober 1974
Bron: rkdocumenten.nl
dinsdag 30 december 2014
maandag 29 december 2014
Jezus, de mensgeworden Zoon, is het snijpunt van hemel en aarde
Kerstmis, het feest van de Geboorte van Jezus, de
Christus, dat is de Messias, Gods Gezalfde priester en koning. De teksten van
de Dagmis zetten zijn Geboorte in een
groter kader, een kader van kosmische afmetingen. Zij bezingen dat God, de
schepper van hemel en aarde, aan de wereld, aan ons mensen, zijn heil, zijn
redding aanbiedt.
In beide
testamenten klinkt de overtuiging door dat God de wereld niet aan zijn lot
overlaat. Hij strekt zijn hand reddend uit naar ons mensen in nood. De profeet
Jesaja horen we dan ook zeggen: Alle grenzen der aarde hebben Gods heil
aanschouwd. Maar wat aanschouwen wij nu eigenlijk? Wat zien de herders anders dan
een Kind gewikkeld in doeken en liggend in een voederbak? Ons wordt gevraagd om te zien met de ogen van
het geloof. Bidden wij God om ontferming vanwege ons tekort aan hoop en geloof:
Kyrie eleison Heer, ontferm u over ons.
Hoever liggen
de teksten van het Kerstfeest niet uiteen! In de Kerstnacht hoorden we lezen
uit het evangelie van Lucas over het Kind in de kribbe; het klonk allemaal
klein: de herdertjes lagen bij nachte, ze telden hun schaapjes en vonden het
Kindeke Jezus in een stalletje te Betlehem. Zo intiem en ontroerend de teksten
van die heilige nacht, zo hooggestemd
klinken ons in de liturgie van de Dagmis uitspraken in de oren over de Zoon die
het evenbeeld is van Gods wezen, de afstraling van zijn heerlijkheid, die bij
God was in den beginne. Johannes is onder de evangelisten als een majestueuze
adelaar die de gebeurtenissen rond Jezus niet alleen een diepere zin geeft maar
ook de afmetingen van kosmische dimensies. In die ouverture zingt Johannes zijn
visie uit over Jezus, Zoon van God, Zoon van Maria. Het lied bestaat uit twee
parallelle delen (1,1-13 en 1,14-18) die in een a/b/a patroon over Jezus,
Johannes de Doper en weer over Jezus gaan.
De eerste
klanken waarmee Johannes de schitterende ouverture van zijn evangelie opent,
luiden: “in het begin”, en die doen onmiddellijk
denken aan de woorden waarmee de bijbel het scheppingslied van het boek Genesis
opent: “in het begin schiep God hemel en aarde.” Zo wordt door Johannes als een
fundamentele belijdenis neergezet dat met Jezus de herschepping van hemel en
aarde een aanvang heeft genomen. Twee typeringen worden voor Jezus in dit lied
gebruikt: Woord en Licht. Ook hierin sluit de evangelist aan bij Genesis
hoofdstuk 1. Daar schept God hemel en aarde
door een tienvoudig spreken. Zo leert Johannes ons dat Jezus niet alleen
gezaghebbende woorden spreekt, maar het spreken van God zelf is, het Woord van
God. In Genesis 1 wordt het licht als eerste door God in het bestaan geroepen.
Maar Johannes zingt uit dat Jezus Gods eigen licht is dat bestond voor al het
bestaande, het licht dat de duisternis verdrijft en de mensen leven en liefde
brengt. Dat spel van licht en duisternis wordt voortgezet in de hoofdstukken 3
en 4. In hoofdstuk 3 verhaalt de evangelist van het nachtelijk gesprek tussen
Jezus en Nikodemus over het opnieuw geboren worden, en in het vierde hoofdstuk
vertelt hij van de ontmoeting met de Samaritaanse vrouw bij de bron van Sichar
die zich in het volle daglicht afspeelt. Het contrast van licht en duisternis
dat in de proloog wordt opgevoerd, wordt dus herhaald en uitgewerkt in de
daarop volgende teksten. Jezus als de eniggeboren Zoon is de door God naar ons
uitgestoken hand waardoor ook wij kinderen van God kunnen worden. Daar is een
nieuwe geboorte voor nodig, een geboorte van bovenaf, iets waar Nikodemus met
al zijn geleerdheid niet bij kan. Maar terwijl hij in het nachtelijk duister
achterblijft, ontdekt de vrouw bij de bron Jezus als de Messias. Zij gelooft en
komt tot het licht.
Waar het Boek
Genesis in het eerste deel van het lied overheerst (in het begin, spreken, het
woord en het licht), domineert in het tweede gedeelte het boek Exodus, het
verhaal van de Uittocht. In vers 14 wordt gesproken over het onder ons komen
wonen. Heel letterlijk over de tent die hij onder ons heeft opgeslagen. Dat
verwijst naar de Tent van de samenkomst, de Ontmoetingstent waarin God tijdens
de woestijnreis aan Mozes en Aaron verscheen. Johannes laat ons zien dat Jezus
zelf de Tent is waarin God in al zijn glorie woont en die van dag tot dag met
ons meetrekt. Door te geloven in Jezus en ons met hem te verenigen kunnen wij in Hem God vinden en zien. Niemand
heeft ooit God gezien, een uitspraak die inslaat als een bom! Maar, getuigt
Jezus: “Wie mij heeft gezien, heeft de Vader gezien”, want Jezus als het Woord
van God rust aan het hart van de Vader, zijn Vader. God die zich in Exodus 34,6
presenteert als de genadevolle en de waarachtige, heeft in de vleesgeworden
Zoon gestalte gekregen als degene door wie wij genade en waarheid ontvangen.
(1,17).
Je zou kunnen zeggen dat Jezus,
de mensgeworden Zoon van God, het snijpunt is van hemel en aarde. In Hem
ontmoeten de goddelijke en de menselijke natuur elkaar. Door in Hem te geloven
worden wij herboren mensen, en mogen wij zonder uitzondering kinderen van God heten.
Dat is het goede nieuws van de kerstboodschap, de melding van Gods heil, het
getuigenis van het ware Licht.
donderdag 25 december 2014
woensdag 24 december 2014
"De bewoner en grondvester van de hemel heeft op aarde gewoond, opdat de mens verhuist van de aarde naar de hemel"
"Christus, de eniggeboren Zoon van God, de ware zon van gerechtigheid, straalt over de aarde zonder dat zijn licht de hemel verlaat. Daarginds verblijft Hij eeuwig, hier gaat hij voorbij in de tijd. Daarginds is Hij zelf de eeuwige dag, hier ondergaat hij de dag net als alle mensen. Daar leeft Hij eeuwig zonder het verloop van uren, hier sterft Hij in de tijd zonder tot zonde te vervallen. Daar verblijft het Leven zonder ondergang, hier bevrijdt Hij ons leven van het lot van de dood. Daar zet Hij de engelen in vuur en vlam met de gloed van zijn heerlijkheid, hier neemt Hij de dood weg van het leven der mensen. Daar geniet men van het licht dat door geen zondaar wordt gedoofd, hier wordt Hij als mens geboren, die alles van de zonde scheidt. Daar is Hij God met God, hier is Hij God en mens. Daar licht uit licht, hier het licht dat iedere mens verlicht. Daar spreidt Hij met zijn Woord de hemelen uit, hier wijst Hij de weg die naar de hemel leidt. Daar heeft Hij het geheim van zijn geboorte gegrond samen met de Vader, hier heeft Hij de ledematen van zijn vlees gevormd in zijn moeder. Daar zit Hij aan de rechterhand van de Vader, hier ligt Hij in een kribbe. Daar voedt Hij de engelen, hier op aarde lijdt Hij als klein kind honger. Daar blijft hij voor de volmaakte machten brood dat niet opraakt, hier kan Hij als alle pasgeborenen niet zonder voeding van melk. Daar doet Hij het goede, hier verdraagt Hij het kwade. Daar sterft hij nooit, hier verrijst Hij na zijn dood en schenkt Hij de stervelingen het eeuwige leven. God is mens geworden om de mens God te laten worden. De Heer heeft het bestaan van een slaaf aangenomen, opdat de mens zich keert naar de Heer. De bewoner en grondvester van de hemel heeft op aarde gewoond, opdat de mens verhuist van de aarde naar de hemel".
Sint Augustinus, sermo 191 gehouden op kerstmis 411 of 412.
Sint Augustinus, sermo 191 gehouden op kerstmis 411 of 412.
maandag 22 december 2014
Maria altijd Maagd
(Uit een Brief van de H. Ambrosius aan paus Siricius (Epist. 42)
zondag 21 december 2014
"Zalig gij die geloofd hebt, want alles zal in u tot vervulling komen"
De engel verkondigde aan de Maagd Maria een verborgen geheim, en om haar geloof met een gelijkend voorval te sterken, meldde hij haar de zwangerschap van een oude, onvruchtbare vrouw, om Maria te verzekeren, dat bij God alles mogelijk is, wat Hem behaagt.
Zodra Maria dit hoorde, spoedde zij zich vol vreugde het bergland in, niet vol ongeloof over die uitspraak, niet onzeker over die boodschap en ook niet twijfelend aan dat voorbeeld, maar verheugd over die tijding en vol toewijding voor haar taak.
Maar ook gij zijt zalig, die gehoord en geloofd hebt; want bij al wat de ziel heeft geloofd, ontvangt zij het Woord Gods en brengt het voort en erkent zijn werken.
(H. Ambrosius, Uit een commentaar op Lucas (Lib. 2,19.22)
Abonneren op:
Posts (Atom)



