Hoogfeest van de Openbaring van de Heer /
Driekoningen
Heer, zie in Uw goedheid naar de gaven van Uw Kerk
“Epiphanie”
komt van het Griekse woord dat
goddelijke “verschijning” of “openbaring” betekent. De antifonen van bij het
Benedictus van de Lauden en bij Magnificat van de Vespers in Liturgia Horarum
naar de oude traditie dat Epiphanie werd beschouwd als een feestdag waarop niet
alleen werd gevierd dat de Wijzen het Kind kwamen aanbidden, maar ook dat Jezus
in Cana water in wijn veranderde, en ook dat Hij door Johannes in de Jordaan
werd gedoopt: “Tribus miraculis ornatum diem sanctum colimus: hodie stella
magos duxit ad præsipium: hodie vinum ex
aqua factum est ad nuptias: hodie in Iordane a Ioanne Christus baptizari
voluit, ut salvaret nos, alleluia- Wij vieren deze heilige dag, gesierd door
drie wonderen: heden leidde de ster de Wijzen naar de kribbe; heden werd water
in wijn veranderd op de bruiloft; heden wilde Christus door Johannes in de
Jordaan worden gedoopt, om ons te redden, alleluia.”
Deze drie gebeurtenissen openbaren alle dat Jezus
meer dan louter Mens is: Hij is God. Ook op andere plaatsen in de H. Schrift
zijn talrijke “epiphanieën” of theophanieën” opgetekend, zoals bijvoorbeeld de
ontmoeting van Mozes met God in de brandende braamstruik (Exodus 3).
Het ligt voor de hand dat het oude, vanuit de
gelasiaanse en gregoriaanse traditie overgeleverde Gebed over de gaven van deze
dag aanknoopt bij de drie gaven van de Wijzen uit het Oosten. De gaven voor de
Eucharistie zijn van een hoger gehalte dan het goud, de wierook en de mirre van
de Wijzen. Zij hadden slechts tekenwaarde, hier in de heilige Eucharistie, is
het werkelijkheid: Jezus Christus, die wordt geofferd en als Voedsel voor de
ziel wordt genoten.
T e k s t
Missale Romanum – 1970
Ecclesiæ tuæ, quæsumus, Domine, dona propitius intuere,
quibus non iam aurum, thus et myrrha profertur,
sed quod eisdem muneribus declaratur, immolatur et sumitur,
Iesus Christus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Ecclesiæ tuæ, quæsumus, Domine, dona propitius intuere,
quibus non iam aurum, thus et myrrha profertur,
sed quod eisdem muneribus declaratur, immolatur et sumitur,
Iesus Christus.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer,
zie in uw goedheid naar de gaven van uw Kerk;
niet
meer worden goud, wierook en mirre aangeboden,
maar
Hij die hierdoor wordt aangeduid, die zichzelf offert en als voedsel geeft,
Jezus
Christus.
Werkvertaling
Zie
genadig neer, Heer, op de gaven van uw Kerk,
waardoor
niet meer goud, wierook en mirre worden aangeboden,
maar dat door dezelfde gaven Jezus Christus wordt getoond, geofferd
en genuttigd.
L i t u r g i s c h e
a n t e c e d e n t e n e n s t i j l f i g u r e n
Het
Missale Romanum van 1970 heeft de Secreta – naast “oratio super oblata” de
benaming voor het Gebed over de gaven in de preconciliaire uitgaven van het
Romeinse Missaal - voor het feest van de
Openbaring, zoals geformuleerd in de editio typica van het Romeinse Missaal
1962 (MR 515) behouden. De bronteksten vindt men zowel in het Sacramentarium Gregorianum
als in het Hadrianum 17.2, 9e eeuw, en in meer dan vijftig codices
kriskras verspreid over Europa en de Angelsaksische eilanden (Zie: E. Moeller,
J.M. Clément en B. Coppieters ’t Wallant, Corpus
Orationum, IV, E-H. Brepols,
Turnhout 1994, p. 12, nr. 2405).
B r o n
Cf. Matth 2, 11.
S t r u c t u u r a n a l y s e e n s
t i j l f i g u r e n
1. Ecclesiæ
tuæ, quæsumus, Domine, dona propitius intuere,
2. quibus non iam aurum, thus et myrrha profertur,
3. sed quod eisdem muneribus declaratur, immolatur et sumitur,
Iesus Christus.
2. quibus non iam aurum, thus et myrrha profertur,
3. sed quod eisdem muneribus declaratur, immolatur et sumitur,
Iesus Christus.
De oratie bestaat uit een enkele zin, opgebouwd
door een hoofdzin waarin de bede wordt geformuleerd (r. 1), gevolgd door een relatieve bijzin in r. 2
ingeleid door het reflexivum quibus en een bijwoordelijke bijzin in r. 3 waarin
door sed een nevenschikkende tegenstellling met het voorgaande wordt uitgedrukt
en waarin een toelichting wordt gegeven op het begrip dona, gaven, centraal thema in de orationes
super munera.
Ad 1
Domine, [o] Heer -
anaklese in de vocativusvorm.
Intuere, prædicaat
(gezegde) in de imperativusvorm van het deponens intueri, intuitus sum, met de
betekenissen 1. Nauwkeurig op iets zien, beschouwen 2. Acht slaan op iets; denk
aan het “Nederlandse” woord intuïtie.
Propitius,
bijwoordelijke bepaling bij het verbum intuere: genegen, genadig, goedgunstig, de
wijze waarop God gevraagd wordt acht te slaan op de gaven van zijn Kerk.
Dona Ecclesiæ tuæ: object van het gezegde intuere; dona accusativusvorm onzijdig
meervoud van donum, -i, geschenk, gave, gift en vergezeld van een nadere
specificatie in twee congruerende genitivusvormen (genitivus explicativus). Dona, gaven, is op deze plaats
object bij de imperativus intuere en staat derhalve in de accusativus. Dona betekent is ook de imperativusvorm enkelvoud van het
verbum donare (Dona nobis pacem) en dus synoniem met de in de oraties veel
voorkomende imperativusvorm da.
Quæsumus, een korte tussenzin bestaande uit één enkele
werkwoordsvorm, behorend tot de verba
defectiva (onvolledige werkwoorden waarvan slechts enkele vormen voorkomen.
Quæsumus heeft grammaticaal nog naast zich quæso, beide zijn alleenstaande
vormen, die dikwijls in de oraties voorkomen, zelden echter aan het begin van
de zin. Quæsumus heeft hier een verzachtende functie die de gebiedende wijs
intuere wat mildert.
Ad 2
Relatieve bijzin met het relativum quibus,
ablativusvorm, onzijdig meervoud van quæ dat zijn antecedent heeft in het
substantivus dona van r. 1.
Profertur, prædicaat,
3e pers. enkelvoud van profero, protuli, prolatum met de
betekenis: voor de dag halen,
aanbrengen, aanbieden, presenteren. Hier is het enkelvoud van het verbum
gebruikt ofschoon het subject, aurum, thus et myrrha, meervoudig is. In het
Latijnse taaleigen richt de vorm van het werkwoord zich soms naar het laatst
genoemde subject dat enkelvoudig is, of
de vorm profertur anticipeert reeds op de vormen van de drie in regel 3
genoemde werkwoorden. De bijzin staat in de indicativus omdat er sprake is van
een feitelijke werkelijkheid.
Non iam,
bijwoordelijke bepaling.
Ad 3
Bijwoordelijke bijzin met het voegwoord quod in de betekenis van ‘dat’.
Iesus Christus als subject bij de prædicaatsvormen declaratur, immolatur en
sumitur. De positie van Iesus Christus aan het einde van de zin kan men zien
als een stilistisch middel om de Naam te benadrukken.
Eisdem muneribus, bijwoordelijke bepaling in twee congruerende ablativusvormen, hier
ablativus instrumentalis, de middelen waarmee.
Immolatur: een begrip,
afkomstig uit de oud Romeinse offercultus, herinnert aan het bloedig Offer op
Calvarië. Zie de beknopte uitleg bij de 1e zondag van de Advent van
deze reeks.
S t i j l f i g u r e n
De
anaklese (aanspreekvorm) Domine is fraai
in het midden van de openingszin geplaatst:
op de gulden snede.
Opvallend
zijn de vier uitgangen op – tur van het præsens passivi die niet alleen een
fraaie cohesie vormen maar ook een effectieve en krachtige climax tot het einde
van de oratie, waar we de heilige Naam van Jezus Christus horen… als een kleine
theophanie (Godsopenbarfing).
De
trits van de verba “declaratur, immolatur et sumitur” vormt een zuivere
stilistische parallel met “aurum, thus et myrrha”.
De begrippen “declaratur en immolatur” hebben bovendien klankrijm op –a
en alliteratie van de medeklinkers.
V o c a b u l a r i u m
Het liturgisch Latijn heeft voor het begrip gave,
gift: donum en munus. Deze woorden worden in het enkelvoud of
meervoud het meest gebruikt in de Gebeden over de gaven. Munus / munera en
donum / dona zijn de benamingen voor de gaven die van onze kant worden
geofferd; in de oratio post communionem, zijn het de gaven die wij van de kant
van God ontvangen.
In de Romeinse Canon heeft het eerste door de
priester uitgesproken gebed “Te igitur” de beide begrippen “uti accepta habeas
et benedicas hæc dona, hæc munera…opdat Gij moge aanvaarden deze giften, deze gaven…” en na de Consecratie herinnert het gebed “Unde
et memores, Domine” ons met de uitdrukking de “tuis donis ac datis – van uw
eigen giften en gaven” dat het brood en wijn slechts gaven van God aan de
mensen zijn: zoals in de Secreta van het misformulier van Kerkwijding in het
Sacramentarium Gelasianum I, 89:
“sacrandorum tibi auctor munerum -
God de bewerker van de gaven die wij U gaan offeren”; en in het Gelasianum, appendix van het
Leonianum, 551): “quæ de tuis donis tibi nos offerre voluisti –U hebt gewild
dat wij U zullen offeren hetgeen van U afkomstig is”.
Verder zegt de Lewis & Short Dictionary dat in de klassieke
Latijnse literatuur het begrip donum geassocieerd wordt met de offergave
van wierook zoals in een passage van de Æneïs (6, 225) “dona turea”.
Sumo, sumpsi, sumptum – 3,
heeft als grondbetekenis nemen, pakken,
opnemen, aannemen, aanvatten, vatten. In sommige teksten ook “consumeren”,
verteren, nuttigen, verorberen (vgl. consumptie / consumptief enz.). In ouder
Nederlands taalgebruik betekent “nemen” ook “eten, voedsel tot zich nemen”.
Declaro is “helder, duidelijk
maken, verklaren, te kennen geven, openbaren, betekenen, tonen, aanduiden,
aanwijzen, evident (door ont-dekken, ont-sluiten) maken. Het in het Nederlands
gebruikte afgeleide begrip declaratie heeft verwante betekenissen zoals aangifte,
aangifte van goederen (douane), bekendmaking , uitspraak (declaratoir vonnis
rechter), melding, onkostendeclaratie, opheldering enz.
O v e r w e g i n g
De viering van het feest van de Openbaring des Heren gaat terug tot de
vroegste tijden van de Kerk. In het Griekse Oosten was dit feest van een
grotere importantie dan Kerstmis, dat betrekkelijk laat werd ingevoerd. In het
Latijnse Westen ontwikkelde zich daarentegen eerst Kerstmis en later het
Openbaringsfeest. In veel landen wisselen de mensen op het feest van de
Openbaring geschenken uit, zoals de Wijzen hun geschenken aanboden. Het feest van de Verschijning des Heren valt
op 6 januari, de twaalfde dag na Kerstmis.
Volgens de hervormde,
postconciliaire kalender wordt het feest van Epiphanie gewoonlijk naar een
zondag verplaatst zodat meer mensen aan de H. Mis kunnen deelnemen. Het is maar
de vraag of het een gelukkige optie is belangrijke feesten zoals dat van de
Verschijning van de Heer in de Kersttijd en de donderdag van ’s Heren
Hemelvaart in de Paastijd, te verplaatsen. Deze feesten zijn met recht en reden in de tijd nauw verbonden
met hoogfeesten van Kerstmis en Pasen .Wanneer deze feesten naar de zondag
worden verplaatst wordt de betekenis van de
liturgische cyclus als geheel gereduceerd tot comfortabele inpasbaarheid
in de agenda. Dit is een subtiel signaal dat geen van onze verplichtingen,
godsdienstoefeningen of onderrichtingen belangrijk genoeg zijn om er
daadwerkelijk iets voor over te hebben. Een knieval voor de waan van de dag die
zich toch niet laat winnen door dergelijke (schijn)concessies, is een verkeerd
signaal.
De geschenken van de Drie Koningen, vertegenwoordigen de hoop van de
volkeren van de aarde, en zijn voorafbeeldingen van de Heer die zichzelf op het
Kruis offert. Kerkvaders en Middeleeuwse schrijvers zoals Jacobus de Voragine
(+1298) schreven vindingrijk en met verbeeldingskracht over de drie geschenken.
Goud staat voor het Koningschap van Christus, weerspiegeld in de
zuiverheid van onze harten.
Wierook die wordt verbrand, staat voor de goddelijkheid van Christus
die zich door de Kruisdood voor ons offert, waarbij de rook staat voor onze
gebeden die naar de hemel stijgen. In de
preconciliaire H. Mis bidt de priester bij de bewieroking van het altaar
de volgende tekst:
“Laat deze wierook, die door U
is gezegend, tot U opstijgen, Heer en dat uw barmhartigheid over ons neerdale.
Laat mijn gebed, Heer, als een reukoffer voor U opstijgen; laat het heffen van
mijn handen als een avondoffer zijn. Stel, o Heer, een wacht voor mijn mond, en
een poort voor de deur van mijn lippen, opdat mijn hart zich niet neige tot
boze woorden om verontschuldigingen te zoeken voor het kwaad. Moge de Heer in ons het vuur van zijn liefde
ontsteken en de vlam van zijn eeuwige goedheid. Amen”.
Mirre, gebruikt bij de balseming van overledenen, verwijst naar de
menselijk natuur van Christus, waarin Hij leed, stierf en opstond uit de dood.
Nicodemus en Jozef van Arimatea, aanzienlijke Joden en leerlingen van Jezus,
zorgden na diens dood aan het kruis voor een waardige begrafenis ook al moest
dit haastig gebeuren vanwege de op handen zijnde sabbath. Zij brachten fijn
lijnwaad en een mengsel van mirre en aloë mee, ongeveer honderd pond, waarin
het lichaam van Jezus werd gewikkeld en legden Hem in een nieuw graf (Cf Joh
19,38-41).
Heer, Gij hebt uw Zoon geopenbaard aan alle volken, toen Wijzen in de
sterren naar een teken zochten om naar hun koning toe te gaan. Wij hebben U
reeds in het geloof gevonden, en vragen dat wij U eens in volle heerlijkheid
aanschouwen.