zaterdag 5 februari 2022

Collectegebed Vijfde zondag per annum / door het jaar "Alleen op Uw genade hun hoop stellen"



Ter  i n l e i d i n g
Het collectegebed van de Kerk stelt vandaag de christelijke gemeenschap als een huisgezin van God voorop; God als Vader heeft de voortdurende taak te beschermen, te behoeden, te verdedigen. Het gezin echter steunt niet op eigen kracht, maar volkomen op de hemelse genade: dit gebed moet in de H.Mis en daarbuiten een beleefde waarheid zijn; onze voorbereiding is vertrouwen, de vrucht van Christus’ Offer is bescherming en verdediging.
Het collectegebed van deze zondag presenteert enerzijds het beeld van de familie, het gezin, Gods huisgezin, anderzijds het beeld van een groep plichtsgetrouwe soldaten.
T e k s t
Missale Romanum 1970
Familiam tuam, quæsumus, Domine,
continua pietate custodi,
ut quæ in sola spe gratiæ cælestis innititur,
tua semper protectione muniatur.

Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie 1979
Heer, blijf ons die U toebehoren
met liefdevolle zorg omringen.
Wees de beschermer van allen
die hun hoop alleen op uw genade stellen.

Werkvertaling
Wij smeken U Heer,
waak voortdurend met vaderlijke goedheid over uw gezin [de Kerk],
opdat het, daar het alleen steunt op de hoop van de hemelse genade,
steeds door uw bescherming wordt beschut.

L i t u r g i s c h e   a n t e c e d e n t e n
Het collectegebed van deze zondag is opgenomen in talrijke codices, o.a. Adelp(retianus), Oostenr. Nationale Bibliotheek, Wenen, Ser. Nov., 206, sæc. XII; Aquilea, in Missale Aquileyensis Ecclesiæ, ed. 1519; Beneventum, Cod. VI 33 nr.25 (sæc. X-XI) Aartsbissch. Archief; Cantuariensis, Cod. Cambridge, Corpus Christi Coll., 270 (sæc. XIe–XIIe,  gregorianiseerd Gelasianum; Casinensis, Rome, Vatic. Ottobon,. Lat. 145 (s. XI); Engolismensis, Parijs, B.N., lat. 816 (sæc. VIII-IX); Fulda, Cod.: Göttingen, Univ. Bibl., Cod. Theol. 231 (ca 975); Sangallensis, Stiftsbibl., 348 (sæc. VIII-IX), originaire de Chur (Coire), sous l’évêque Remedius (796-806) en vele andere.
Zie Corpus Orationum, IV, E-H, Orationes 2390-3028, in de reeks Corpus Christianorum, E. Moeller, J.M. Clément, B. Coppieters ‘t Wallant, Brepols, Tunhout, 1994, p. 122.

In het preconciliaire Romeinse Missaal was deze oratie:
- het collectegebed van de 5e zondag na Driekoningen en tevens
- de “oratio super populum” – gebed over het volk (1) van zaterdag na de 2e zondag van de Vasten.

S t r u c t u u r a n a l y  s e  e n  s t i j l f i g u u r
1.Familiam tuam, quæsumus, Domine,
continua pietate custodi,
2.ut quæ in sola spe gratiæ cælestis innititur,
3.tua semper protectione muniatur.

Ad 1
De oratie, die zich met een enkelvoudige anaklese richt tot de Heer, Domine, bestaat uit één enkele hoofdzin die is samengesteld uit de eigenlijke, stricte bede (r.1), gevolgd door een finale/doelaanwijzende of consecutieve/gevolghebbende bijzin: ut … muniatur (r.2-3) onderbroken door een relatieve bijzin: quæ … innititur.
Familiam tuam, uw familie, uw gezin, is het object in de accusativus van het verbum custodi, bescherm, behoed, waak, in de imperativusvorm, gemilderd door het tussenwerpsel  quæsumus, bidden wij, vragen wij [U]; continua pietate, met/door een voortdurende vaderlijke liefde/zorg, is een bijwoordelijke bepaling in de ablativus waarbij het adjectief continua met het substantief pietate congrueert. De bijwoordelijke bepaling is een nadere precisering van het gezegde custodi. Het verbum custodi staat zoals dikwijls in de Latijnse phrases aan het einde van de zin, terwijl het object familiam aan de kop van de oratie in apart reliëf wordt geplaatst.

Ad 2-3
Het voegwoord ut  tua semper protectione muniatur leidt de finale/consecutieve bijzin in waarvan het verbum muniatur in de coniunctivus staat vanwege het wenskarakter. Muniatur, 3 pers. enkelv. coniunctivus passivi van het verbum munire: opdat zij beschermd/beschut worde; tua semper protectione: tua protectione, door/met uw bescherming: bijwoordelijke bepaling in de ablativus (het bezittelijke voornaamwoord tua congrueert met het substantivum protectione) die ook hier het gezegde preciseren in de wijze waarop. Vergelijk in regel 1: continua pietate. Semper eveneens een bijwoordelijke bepaling van tijd. Tua semper protectione is een hyperbaton-stijlfiguur waarbij het semper het possesivum tua en het substantivum protectione onderstreept. Bij de absolute God is het immers niet een “zo nu en dan” of een “soms”, maar een “altijd”.

Ad 3
 …quæ… innititur, die steunt op – relatieve bijzin waarvan het reflexivum quæ gekoppeld is aan het in regel 1 genoemde substantivum familiam tuam en tevens verwijst naar het in het verbum munitur opgesloten subject en kan vertaald worden met ‘zij, die’. Innititur = 3e persoon enkelv. van het deponens inniti, innisus/innixus sum. Dit verbum staat in de indicativus vanwege het feitelijke karakter van hetgeen wordt meegedeeld: voor elk goed handelen steunt en hoopt de christen immers op de genade van boven. Het verbum inniti, steunen op, berusten op, heeft de bijwoordelijke bepaling  in sola spe gratiæ cælestis bij zich; dit zinsdeel is op te splitsen in de ablativusvormen in sola spe [met congruentie van sola en spe] die bij het deponens innitor de functie van object vervullen en de twee genitivusvormen gratiæ cælestis, eveneens congruerend, die de sola spes nader toelichten.
V o c a b u l a r i u m

Familia - de “familia” (cf. Gr. oι̉κoς) was de kern van de voorstedelijke Romeinse samenleving. Een familia stond onder leiding van de “pater familias” die naar Romeins recht zijn “patria potestas” ("vaderlijk gezag") kon doen gelden over de “mater familias” (zijn echtgenote), “filii familias” (zijn zonen) en “filiae familias” (zijn dochters).
In het commentaar bij het collectegebed van de 16e zondag per annum is gekeken naar de betekenissen van het verwante begrip “famulus”, dienaar, die in de antieke wereld deel uitmaakte van de huishouding van de uitgebreide familia Romana.

Custodire betekent gewoonlijk binnen militair kader “waken, bewaken, beschermen, beschutten, verdedigen”. De ‘Nederlandse’ term custos staat voor wachter, oppasser, bewaker en ook het woord koster heeft hier zijn wortel. Op de liturgische kalender vinden we de gedachtenis Ss. Angelorum Custodum, van de HH. Engelbewaarders (2 oktober) en in de oratie van het hoogfeest van St. Jozef (19 maart): “….cuius primordia Ioseph fideli custodiæ commisisti…” waarvan Gij het begin aan de hoede van de trouw Joseph hebt toevertrouwd. Ook God zelf is custos: “Deus qui messis ac vineæ dominus es et custos…” – God, die de Heer zijt van de oogst en bewaker van de wijngaard… (Liturgia Horarum, Week II, Feria II, oratie bij de Sext).
Custos wordt ook gebruikt voor een vervolg- of merkteken aan het einde van een pagina waarmee het begin van de volgende wordt aangeduid. Ook is de term bekend uit de Gregoriaanse muzieknotatie op het einde van een notenbalk.
Custodie is een andere term voor gevangenis of bewaring en heeft een specifieke betekenis in de ordesgeschiedenis van de Franciscanen. Op gezag van de paus bedienen zij al meer dan zes eeuwen de christelijke heiligdommen in het Heilig Land en hebben na het einde van de Kruisvaarderstaten bepaalde taken van de kanunniken van het H.Graf overgenomen zoals: het gebed bij de heiligdommen, de pastorale zorg voor de katholieken in het Heilig Land en het dienstbetoon aan pelgrims. Binnen de Orde van de Franciscanen hebben de aan het Heilig Land verbonden Franciscanen de status van Custodie.
Pietas - Binnen de antieke Romeinse godencultus was “Pietas” een personificatie van de liefde tot de mensen en van de Romeinse deugd Pietas, de staat en de eerbied voor de goden (vroomheid). Pietas bevatte 3 elementen: geloof in de goden, trouw aan het vaderland en respect voor de ouders. Pietas werd voorgesteld als voor een altaar staand, met de linkerarm in de hoogte geheven, terwijl zij in de rechterhand een offerschaal houdt, ofwel strekt zij met een omsluierd achterhoofd haar beide handen uit, alsof zij tot de goden bidt. Om haar betrekking tot de vrome liefde van kinderen voor hun ouders aan te duiden staat een ibis of een ooievaar aan haar voeten. Deze godin stond vaak afgebeeld op de keerzijde van Romeinse munten met vrouwen van de keizerlijke familie aan de voorzijde, daar pietas een passende deugd was voor keizerlijke vrouwen (bv. Flavia Maximiana Theodora). De keizerlijke vrouwen staan soms zelfs op de munten met het uiterlijk van de godin. Dit klassieke begrip kreeg een nieuwe christelijke betekenis in de relatie tussen Schepper-God-Vader en schepselen-mensen-kinderen en duidt de vaderlijke genegenheid en liefdevolle maar tegelijk gezaghebbende zorg van vader naar kind aan en omgekeerd de liefdevolle kinderlijke gehoorzaamheid met inbegrip van natuurlijke ontzag.
Pietas is derhalve een van de zeven Gaven van de Heilige Geest (verg. KKK 733-736; Jes. 11,2) waardoor wij liefdevol en terecht dankbaar zijn ten opzichte van onze ouders, verwanten en medeburgers, en ook tegenover alle mensen voor zover zij God toebehoren of godvrezend zijn. Ten opzichte van de Moeder Gods en de Heiligen komen daar de aspecten van vrome verering en piëteit bij.  Kort samengevat “pietas” duidt op het vervullen van godsdienstige plichten. Op God toegepast echter, betekent pietas gewoonlijk Zijn genadige liefde jegens ons.
Continuus,-a,-um, ononderbroken behoort bij het verbum continere, continui, contentum: 1. Insluiten 2. Omvatten, bevatten 3. Dichthouden 4. Tegenhouden. Afleidingen in het Nederlands zoals continentia, content, continue enz. zijn iedereen  bekend.
Innitor, geplaatst in militaire  context betekent “leunen of rusten op, zichzelf ondersteunen met iets”. Caesar en Livius beschrijven soldaten die leunen op hun speren en schilden (bijvoorbeeld “scutis innixi … leunend op hun schilden” Caesar, De bello Gallico 2.27).  
Munire, opmetselen, bouwen, omschansen, verdedigen, beschermen is ook een term afkomstig uit  de soldatenwereld. Onze term ‘munitie’ is van dit concept afgeleid. 
Protectio- onis,  bescherming, beschutting, verdediging, protectie, met de verwante begrippen als “protector”, “protectoraat” behoren tot het verbum protegere, potexi, protectum : bedekken, beschermen, beschutten                                                                                          

I n h o u d

God heeft zijn Zoon gezonden en Hem vele broeders gegeven, van wie Hij, de eeuwige Zoon van God, de Eerstgeborene is (Rom 8,29). Zo schiep God de “nieuwe schepping”, zijn “familia”, waarin Hij zelf de “pater familias” is.
In de eerste paragraaf van de “Katechismus van de Katholieke Kerk” [KKK] wordt de verhouding Vader-Zoon en aangenomen zoon-Vader nader toegelicht:
“God die oneindig volmaakt en gelukkig in zichzelf is, heeft, uit zuivere goedheid, in vrijheid de mens geschapen, om hem te laten delen in zijn eigen gelukzalig leven. Daarom nadert Hij altijd en overal tot de mens. Hij roept hem, biedt hem hulp om Hem te zoeken, te kennen en met al zijn krachten lief te hebben. Alle mensen, door de zonde verdeeld, nodigt hij uit tot de eenheid van zijn gezin, de Kerk. Om dat te bereiken heeft Hij zijn Zoon gezonden als Verlosser en Redder, toen de volheid van de tijden gekomen was. In Hem en door Hem, roept Hij de mensen op om in de heilige Geest zijn aangenomen kinderen te worden en zo erfgenamen te worden van zijn gelukzalig leven”.
Vervuld van de H. Geest noemen wij God derhalve Vader. Maar bij het beleven van deze werkelijkheid, vergeten wij niet de diepere liefde die van de H. Geest komt waarop het Latijnse begrip “familia” in de strikte betekenis van de Romeinse rechtsordening wijst. Met dit begrip in het achterhoofd beseft men dat de aanspreking “Abba-Vader” bij Sint Paulus een “waagstuk” is, zoals de oude overgeleverde inleiding tot het Onze Vader in de Romeinse liturgie zegt: “Præceptis salutaribus monitis…audemus dicere”: - Aangespoord door een gebod van de Heer… durven wij zeggen -.

God de Vader heeft de mensen lief en heeft hen zijn liefde ontegensprekelijk bewezen door hen zijn Zoon als Verlosser te schenken.  Het is de liefde van de oneindig verheven Vader, die in het Latijn van de liturgie van de Kerk wordt uitgedrukt in het begrip “pietas”, omdat in de liefde van de Vader heel de sublimiteit  van zijn Wezen is vervat.
De familie van de kinderen Gods, de Kerk, de “familiaris consortio” (2), de familie-gemeenschap, heeft in de pietas van haar Vader en Heer grenzeloos vertrouwen: “… in sola spe gratiæ cælestis innititur --- (…steunt alleen  op de hemelse gratie). Zij bouwt enkel en alleen op de genade van de kant van de Vader.
Natuurlijk vertrouwen de mensen elkaar eveneens en ze moeten dit wel doen om te kunnen leven. Maar nooit kan hun vertrouwen die absoluutheid bezitten zoals tegenover God. Daarvan getuigt het collectegebed immers op een enthousiaste manier:  “in sola spe gratiæ” – alléén op de genade -  zoals boven reeds gezegd.
In dit onwrikbaar bouwen en vertrouwen op de genade, dit is de liefde van de kant van de Vader, bidt de oratie om voortdurende bescherming.
Volgend commentaar van J.Zuhlsdorf;
De bede "waak voortdurend over uw gezin met vaderlijke goedheid / vaderlijk erbarmen / religieuze plichtsbetrachting..." roept ook beelden van soldaten op alsmede van een vader die de slaapkamers van zijn kinderen als ze slapen binnenloopt en controleert. Hij luistert gedurende de nacht naar geluiden van nood of behoefte.
De Kerk is niet bang om beelden van uit de context van familie en leger te combineren, de symbiotische uitwisseling van plicht, gehoorzaamheid en bescherming. Wanneer wij de militaire beeldspraak in reliëf plaatsen helpt het ons om beide sets van beeldspraak in gedachten te houden als wij tijdens de H. Mis horen “Vader neem onze gebed op naar de hemel”.
Wij, katholieken, vormen als kinderen van een gemeenschappelijke Vader en als leden van de Strijdende Kerk een corps (van het Latijnse corpus, "lichaam").  Velen van ons kregen bij het ontvangen van het H. Vormsel van de bisschop als "soldaten van Christus" een kaakslag als een geheugensteun aan het lijden waarmee wij als christenen mogelijk geconfronteerd zouden kunnen worden.
Wij moeten liever willen sterven als soldaten dan zondigen als degenen die geen dankbaarheid of plichtsbesef jegens God hebben. We moeten indien nodig willen lijden omwille van hen die aan ons zijn toevertrouwd.
Er is een diepe onderlinge band tussen de leden van een familie, maar ook ongelijkheid. Kinderen zijn niet minder leden van de familie dan hun ouders, maar ze zijn niet de gelijken van hun ouders. Zelfs de jonge Jezus – de Godmens – was onderworpen aan Maria en Jozef (Lc 2,51).  Als verheerlijkte verrezen Koning en Rechter zal Christus alle dingen onderwerpen aan de Vader (1 Cor 15,27-28).   Wij zijn alle leden van de Kerk, maar met ongelijke taken. Zoals Sint Augustinus zei, "Ik ben bisschop voor u en Christen met u" .
Onze tijd wordt steeds meer gedomineerd door het relativisme en de domme dwaasheid  van het  seculiere humanisme. Zowel de militaire organisatie als het gezin en onze H. Moeder de Kerk worden uitgehold, systematisch afgebroken. Individuele soldaten kunnen worden geprezen, maar de militaire organisatie wordt door de intelligentsia met achterdocht bekeken.  Rechten van het individu – zelfs van kinderen tegen hun ouders – worden gevalideerd, terwijl de familie als eenheid onder vuur ligt.
Hiërarchie en discipline bieden de bescherming die marcherende troepen en opgroeiende kinderen nodig hebben. Wij leden van de Strijdende Kerk, leerlingen van Christus, hebben onderrichting en sturing nodig van onze officieren/herders zodat we ons doel kunnen bereiken.  Wij hebben voeding en discipline nodig in de zin van instructie (Latijnse disciplina) en de sacramenten ter heiliging.   Ouders en herders moeten hun eigen taken jegens ons vervullen met pietas, religieuze plichtsbetrachting en met de liefde de hemelse Vader eigen!  Hun pietas vereist opoffering, omdat zij de eersten moeten zijn om op te komen voor onze verdediging, goede plannen te vormen en een klare en duidelijke trompet te laten weerklinken om ons te leiden
(1)                 Oratio super populum – Gebed over het volk; de oratie, waarmee op weekdagen in de Vastentijd vanaf  Aswoensdag tot en met woensdag in de Goede Week de Misviering werd besloten. Het was een oude zegenformulie in de vorm van een oratie na de postcommunio die, gezien de gebruikelijke oproep van de diaken “Humiliate capita vestra” – “Buigt uw hoofd”, vaak een gebogen houding veronderstelde (inclinatio). Zie Liturgisch Woordenboek I, Roermond 1962, kol. 789. De postconciliaire liturgiehervorming heeft de speciale zegenformules gehandhaafd maar niet met het oratiemodel.

(2)                  Familiaris consortio” – De gemeenschap van het gezin; Apostolische exhortatie Joannes-Paulus II over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, 22.11.1981. Zie met name deel II over het huwelijk en de gemeenschap van het gezin als afspiegeling van de H. Drieëenheid.