zaterdag 15 januari 2022

Reeks Oratio super munera - Tweede zondag door het jaar Geef dat wij waardig deelnemen aan dit mysterie, want dan wordt de verlossing voor ons werkelijkheid.

Reeks “Oratio super munera - Gebed over de gaven”
Tweede zondag per annum / door het jaar

Christus ontvangt brood en wijn voor de H. Eucharistie
Geef dat wij waardig deelnemen aan dit mysterie, want dan wordt de verlossing voor ons werkelijkheid

I n l e i d i n g
Aan het Gebed over de gaven van deze zondag hebben de concilievaders in de Constitutie over de Heilige Liturgie van het 2e Vaticaanse Concilie , Sacronsanctum Concilium, hun eerste belangwekkende uitspraak over de grote betekenis van de liturgie, vooral van de H. Mis, ontleend: “Door de liturgie wordt immers ‘het werk van onze verlossing voltrokken’ “ (Zie Aanhangsel nr. 2). Het is op zichzelf  niet opmerkelijk dat de oratie de H. Eucharistie noemt: “zo dikwijls de gedachtenisviering van dit Offer wordt gehouden”: vanaf het Gebed over de offergaven zijn immers alle teksten afgestemd op de eucharistische viering.“ Het Gebed over de gaven vormt de voorbereiding op de liturgische handeling die voltrokken gaat worden, de voorbereiding van personen en zaken voor het eucharistische Gebed en het gebed vraagt om de juiste gesteltenis om het Offer waardig op te dragen.
De “voltrekking van het werk van onze verlossing” is een exacte begripsbepaling van de Heilige Mis: gedachtenisviering van dit Offer, dat betekent het Offer van Christus aan het kruis. Het Offer op het kruis was het werk van onze verlossing (onze vrijkoop): “scientes non corruptilibus auro, vel argento redempti estis […] sed pretioso sanguine quasi agni immaculati Christi” (cf  1 Pe 1, 18) – Gij weet dat gij niet met vergankelijk goud of zilver zijt vrijgekocht, maar door het kostbaar Bloed van Christus, het Lam zonder vlek of gebrek. In de  Paasjubelzang, het Exsultet, roept de liturgie de gelovigen op om met hart en ziel en met luide stem de lof te zingen van de onzichtbare God, de almachtige Vader en van zijn eengeboren Zoon Jezus Christus, die voor ons de schuld van Adam aan de eeuwige Vader heeft betaald, en de schuldbrief van de oude zonde heeft uitgewist met het Bloed van zijn Hart. Dit werk van verlossing wordt telkens voltrokken, wanneer wij de gedachtenisviering houden.
Dat is de motivatie van het gebed. God moge ons geven dat wij het mysterie van deze gedachtenisviering waardig vieren. Het komt dus enerzijds aan op een inwendige gelovige gezindheid maar waardigheid verlangt ook de waardige voltrekking van de heilige handeling met haar bijbehorende gebeden.
 T e k s t
Missale Romanum – 1970
Concede nobis, quæsumus, Domine, hæc digne frequentare mysteria,
quia, quoties huius hostiæ commemoratio celebratur,
opus nostræ redemptionis exercetur.
Altaarmissaal Nederlandse Kerkprovincie – 1979
Heer, wij bidden U, dat wij altijd op waardige wijze deelnemen aan dit mysterie,
want telkens als wij de gedachtenis van dit offer vieren,
wordt de verlossing voor ons werkelijkheid.
Werkvertaling
Verleen ons, smeken wij [U], Heer, op waardige wijze deze mysteries te vieren,
omdat, zo dikwijls als de gedachtenis van dit Offer wordt gevierd,
het dienstwerk van onze verlossing wordt voltrokken.

L i t u r g i s c h e  a n t e c e d e n t e n
In de editie 1962 van het Romeinse Missaal van vóór Vaticanum II was de oratio super munera / super oblata van deze zondag als secreta opgenomen in het misformulier van de 9e zondag na Pinksteren (MR 120). De oratie gaat terug tot het Sacramentarium Gelasianum Vetus, 1196 (Vat. Reg. Lat. 316) eerste helft van de achtste eeuw en heeft een overeenkomstige brontekst in het Sacramentarium Leonianum, 931 (Kapittelbibliotheek Verona LXXXV), tweede helft van de zesde eeuw.
S t r u c t u u r a n a l y s e  e n  s t i j l f i g u r e n
1.Concede nobis, quæsumus, Domine, hæc digne frequentare mysteria,
2.quia, quoties huius hostiæ commemoratio celebratur,
opus nostræ redemptionis exercetur.
De oratio bestaat uit één enkele zin, gevormd door de hoofdzin (openingszin) regel 1, die tegelijkertijd de bede omvat, gevolgd door een causale (redengevende) bijzin beginnend met het voegwoord quia /omdat, waarin opgenomen de bijwoordelijke bijzin beginnend met quoties.
Ad 1
Concede, verleen, schenk, geef, - eerste onderdeel van het gezegde aan de spits van de oratie in de imperativusvorm, even verderop verzacht door het verbum quæsumus, vragen wij, een vorm van een onvolledig verbum die dikwijls in de oraties van de H.Mis en het getijdengebed wordt aangetroffen.
Tot het gezegde behoort ook de infinitivusvorm frequentare aan het einde van deze regel zodat de vertaling luidt: verleen .... te vieren.
Nobis, [aan] ons bijwoordelijke bepaling in de dativus, hier dativus commodi (van voordeel).
Domine, [o] Heer, anaklese in de vocativusvorm van het substantivum Dominus.
Hæc mysteria, deze mysteries / sacramenten, - object van het gezegd in twee congruerende accusativusvormen in het onzijdig meervoud. De accusativusvormen zijn uiteen geplaatst en vormen derhalve een hyperbaton.
Digne, op waardige wijze, bijwoordelijke bepaling bij het verbum frequentare. Adverbium van dignus.
Ad 2
Redengevende bijzin die het argument voor de bede in r. 1 vormt. De tussenzin ingeleid door het bijwoord quoties, zo dikwijls als/telkens als, kan benoemd worden als een bijwoordelijke bijzin van de frase quia […] opus nostræ redemptionis exercetur.
Van de causale bijzin is opus nostræ redemptionis het subject, gevormd door de nominativusvorm opus vergezeld van twee congruerende genitivusvormen nostræ redemptionis (genitivus obiectivus).
Exercetur,  gezegde, 3e pers. enkelvoud præsentis passivi van het verbum exercere van de 2e coniugatie met de stamtijden cui, citum en met de betekenis: oefenen, uitoefenen. Het gezegde staat in de indicativusmodus vanwege het voegwoord quia alsmede ter uitdrukking van een feitelijke werkelijkheid.
In de bijwoordelijke bijzin, ingeleid door quoties is celebratur het gezegde in de 3e pers. enkelvoud præsentis passivi van het verbum celebrare met huius hostiæ commemoratio als subject, op te splitsen in de nominativusvorm commemoratio gevolgd door twee congruerende genitivusvormen huius hostiæ die het substantivum commemoratio nader bepalen (genitivus explicativus). De genitivusvormen huius hostiæ vormen een alliteratie. Bovendien is er sprake van een mooie kruisstelling (chiasme):
huius hostiæ (genit.) commemoratio (nomin.) en opus (nomin.) nostræredemptionis (genit.).
De verba celebratur en exercetur hebben een klank- en tevens eindrijm terwijl de voegwoorden quia, quoties een fraaie alliteratie vormen.
Stilistisch wordt de oratio super munera van deze zondag gekenmerkt door alliteratie, een hyperbaton, een chiasme en klank-, respectievelijk eindrijm.
V o c a b u l a r i u m
Frequentare, 1. dikwijls bezoeken 2. talrijk samenkomen 3. bijwonen, vieren. Frequentare is een  equivalent van celebrare en heeft ook betekenissen als dikwijls celebreren/vieren, of eenvoudig celebreren, of ook deelnemen aan een celebratie: cf frequentare mysteria (Gelasianum I, 25, 170), dikwijls de mysteries / sacramenten vieren. Zie voor meer informatie A. Blaise, Le Vocabulaire Latin des principaux thèmes liturgiques. Ouvrage revu par Dom Antoine Dumas O.S.B.. Brepols, Turnhout 1966, paragr. 4
Mysteria – onz. meervoud van mysterium, -i met betekenissen als mysterie, mysterieuze zaak, mystiek teken / symbool, mystieke betekenis (bv van een feest), geheim goddelijk raadsbesluit, mysteries van het geloof (wanneer het Credo wordt uitgelegd aan catechumenen) enz. (Dumas, p. 74).
Mysteria is een van de sleutelbegrippen die regelmatig voorkomen in de oraties van de zondagen door het jaar. Mysteria, dat kan worden gelezen als synoniem met sacramentum eucharisticum,  komt in tien Super munera van de zondagen per annum voor (II, VII, IX, XIII,XIX, XXII, XXIII, XXVII, XXIX, XXXII). In de context van de Super munera verwijst dit begrip de meeste keren naar het Eucharistisch Gebed, en dus naar de sacramentele viering van het Paasmysterie. Het meest frequent komt het in de meervoudsvorm voor waarmee het de sacramentele riten beoogt.
Hostia , æ, in klassiek Latijn: offerdier, slachtoffer; verder offer, offerande, gave, hostie, H.Hostie. Dit substantivum komt vijfmaal voor (II, XVI, XVIII, XXI, XXVIII). Volgens Dom Dumas in Notitiæ 6, 198 (Commentaren op publicaties en studies, uitgegeven door de Congregatie voor de Goddelijke Eredienst en de Sacramenten) heeft het in de oraties nooit de betekenis van slachtoffer, offerdier. Het betekent veeleer de gaven die worden aangeboden of de H. Eucharistie zelf, waarbij de context van het offer toch niet geheel wordt losgelaten.
Quæsumus, wij bidden /smeken - een van de vormen van een onvolledig verbum, waardoor de imperativus waarmee God wordt aangesproken maar waartoe de bidder in werkelijkheid geen recht heeft, wordt gemilderd. De vorm quæsumus vervult soms ook een functie om het smeekkarakter van de oratie te benadrukken  of om bij te dragen tot een betere ritmische loop van de oratie.
C o m m e n t a a r
Het besef van collectieve onwaardigheid en de voortdurende behoefte aan goddelijke hulp bij het opdragen van het eucharistisch Offer, een thema dat in de oratie van deze zondag prevaleert, is ook het subject van het “Orate fratres” (Bidt, broeders en zusters, dat mijn en uw offer aanvaard kan worden door God, de almachtige Vader). Deze gebedsoproep die aan het Gebed over de gaven voorafgaat, kan gezien worden als het persoonlijk gebed van de celebrant om aanvaarding van zijn offergave die God wordt aangeboden samen met die van de gemeenschap. Het Gebed over de gaven omvat immers diverse aspecten:  de bede [van de celebrant] om een waardig opdragen, de bede [van de gelovigen] om hun geestelijke en materiële gaven met de Eucharistische gaven waardig te verbinden en de bede [van allen] om de H. Eucharistie waardig te vieren. De oratie super munera leert mij aldus het Heilig Misoffer beter te begrijpen en hoog te schatten. Zo is deze oratie een dogmatisch gebed.  Telkens wanneer de gedachtenis en de actualisering van het Kruisoffer van Christus in de H.Mis zich voltrekt, voltrekt zich ook het dienstwerk van onze verlossing: een kostbare gedachte die ons het Misoffer verklaart als een viering van Heilige Geheimen.
In de tweede lezing van het Misformulier van deze zondag (1 Kor 1, 1-3) spreekt de apostel Paulus de gelovigen van de Kerk van Korinte aan als “geheiligden in Christus Jezus, bestemd tot een heilig leven”.
God werkt door mensen. De heiligheid van zijn heiligen is het oordeel van de wereld. Daarom moeten de kinderen van God zich als eersten onder de voortdurende wet van de liefde stellen. Hun zaligheid is “Zijn Wil te doen, dat is hun vreugde, Zijn wet is in hun hart gegrift” (Antwoordpsalm 40,9). In de viering van de H. Eucharistie zoeken zij de nabijheid van de Heer en daarmee het oordeel van Zijn kant. Zij, die Christus in Zijn offergezindheid willen volgen, weten dat daar het werk van hun verlossing en de reiniging van zonden opnieuw worden voltrokken. Met de Kerk bidden wij in het Gebed na de Communie dat wij door het ontvangen van het Lichaam en Bloed van de Heer  Zijn liefde mogen ontvangen die ons één van hart doet zijn. Zo blijven wij onder de wet van de liefde en in Zijn tegenwoordigheid die ons heiligt.
A a n h a n g s e l
Constitutie over de Heilige Liturgie “Sacrosanctum Concilium” van het 2e Vaticaanse Concilie, nr. 2
‘Want de liturgie, waardoor, vooral in het goddelijk offer van Eucharistie, "het werk van onze verlossing wordt voltrokken” (1), draagt er ten zeerste toe bij, dat de gelovigen het mysterie van Christus in hun leven tot uitdrukking brengen en aan anderen openbaren, gelijk ook de echte aard van de ware Kerk, die dit als eigen kenmerk heeft, dat zij menselijk is en goddelijk tevens, zichtbaar en met onzichtbare werkelijkheden toegerust, bruisend van activiteit en zich wijdend aan de beschouwing. In de wereld aanwezig en toch op pelgrimstocht: en dit alles zó, dat het menselijke in haar op het goddelijke is gericht en daaraan onder geordend, het zichtbare op het onzichtbare, de actie op de contemplatie en het tegenwoordige op de toekomstige woonplaats, die wij zoeken. (2) Vgl. Hebr. 13, 14
Vandaar dat de liturgie, die de leden van de Kerk dagelijks opbouwt tot een heilige tempel in de Heer, tot een woonstede van God in de Geest (3)Vgl. Ef. 2, 21-22
, tot aan de gehele omvang van de volheid van de Christus (4)Vgl. Ef. 4, 13
, tevens op wonderbare wijze kun krachten versterkt om Christus te kunnen prediken, en zo de Kerk aan de buitenstaanders laat zien als een voor de volken opgeheven banier (5), waaronder de verstrooide kinderen van God samengebracht moeten worden (6), totdat het zal zijn één kudde en één herder’. (7)

(1)    Secreta van de 9de zondag na Pinksteren
(2)   Vgl. Hebr 13, 14 ”want wij hebben hier geen blijvende stad, maar zijn op zoek naar de stad van de toekomst.”
(3)   Vgl. Ef. 2, 21-22 “die het hele bouwwerk in zijn voegen houdt. In Hem groeit het uit tot een heilige tempel in de Heer. ...”
(4)   Vgl. Ef. 4, 13 “totdat wij allen tezamen komen tot de eenheid in het geloof en de kennis van Gods Zoon, tot de volmaakte Man, tot de gehele omvang van de volheid van de Christus.”
(5)   Vgl. Jes. 11, 12 “Hij geeft een signaal aan de volken, Israëls verdreven brengt Hij bijeen en het verstrooide Juda verzamelt Hij van de vier uithoeken der aarde.”
(6)   Vgl. Joh.11, 52
(7)   Vgl. Joh. 10, 16 “Ik heb nog andere schapen, die niet uit deze schaapsstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: een kudde, een herder.”

Geraadpleegde auteurs: A. Blaise, A. Dumas osb, G. A. Nursey,  J. Pascher +.